De marketing van het leed

‘Hi, my name is James and my job is to survive. Could you spare a quarter? ’ Voor de daklozen in de metrogangen van New York zijn uiterlijke kenmerken van armoede en lijden al lang niet meer voldoende om voorbijgangers te vermurwen tot een aalmoes. Vrieskou, uitgeteerd gelaat, geamputeerde ledematen, een bordje met tekst en uitleg, lompen aan het lijf, het heeft geen effect op de eindeloze stroom passanten. De zwerver gaat dood omdat al die andere zwervers ook dood gaan. De ondergrondse nomaden gaan ten onder in een moordende concurrentie. Iedereen kijkt de andere kant uit. Maar oren laten zich niet zo gemakkkelijk afwenden als de blik. Wie het nog kan opbrengen, heeft daarom van zijn verdriet een performance gemaakt. In elk metrostel, na elke halte, begint iemand zijn offensief om de starre ogen en doffe berusting te doorbreken met een prachtig verkooppraatje. In New York wordt zelfs een mislukt leven nog tot een produkt gemaakt.

En de marketing werkt! De New York Times publiceerde overzichten van de inkomensplaatjes van verloren zielen in de onderwereld. Het bleek dat sommigen er met hun technieken nog best iets van wisten te maken. Ze moesten zelfs oppassen voor een al te grote verbetering van hun voorkomen en zelfbewustzijn. Want met het tot produkt herleiden van armoede groeide ook hun gevoel gewoon aan het werk te zijn. En werk = zelfrespect. Ze moeten natuurlijk wel herkenbaar blijven…
De colporteurs van de mislukking zijn zonder uitzondering Afro-Amerikanen. Ongewild dragen ze bij aan het levensgrote vooroordeel waar alle zwarten in Amerika nog altijd dagelijks mee te maken hebben. Een taxi wenken? Vergeet het maar. Verkeersovertreding? Politiegeweld. Misschien is het daarom dat de zwarte middenklasse vaak zo onberispelijk in het pak zit. Het is een middel om iets van het respect af te dwingen dat je zonder uiterlijke kenmerken ook had moeten krijgen.
Het is precies deze keurig geklede middenklasse die ik in groten getale aantrof in het Whitney Museum of American Art. Tot 5 maart 1995 is daar een bijzondere tentoonstelling te zien: Black Male - Representations of Masculinity in Contemporary American Art. Het museum slaagt erin mensen te bereiken die er normaliter weinig komen. Stampvol is het in deze tempel van de white upper class, maar nu zijn zwarten sterk in de meerderheid. Ze zien prachtige werken van onder andere Renee Cox, Adrian Piper, Andres Serrano en Robert Mapplethorpe.
Didactisch is de expositie natuurlijk ook. Een grote groep bezoekers wordt door een witte medewerker van de educatieve dienst gewezen op de betekenis van de beelden, die ons moeten helpen bij het onderkennen van het feit dat ‘de publieke beeldvorming van de hedendaagse Afro-Amerikaanse man nog altijd wordt bepaald door oversimplificatie, misleidende maar populaire waanbeelden en politiek gewenste demonisering’. De zwarte luisteraars kunnen alleen maar knikken. Hier wordt geen awareness bevorderd maar bewezen.
De tentoonstelling maakt deel uit van een mediaoffensief dat het lot van de zwarte man onder de aandacht wil brengen. In een nummer van de New York Times wordt uitgebreid ingegaan op de positie van zwarte architecten op de bouwmarkt, en wordt een paneldiscussie over stereotypen van zwarten integraal afgedrukt. Op het eerste gezicht lijkt de emancipatie weer volop in de belangstelling. Maar deze emancipatie is nogal dubbelzinnig en draait meer om het veranderen van denkbeelden dan om het veranderen van feiten. Sterker nog, dit zit het wijzigen van de feiten en de werkelijkheid in de weg. De feiten van de subway bijvoorbeeld, en de oorzaken van die feiten.
De hele Amerikaanse kritische cultuur is behept met categorieverwarring van politieke correctheid en emancipatie. Alle energie wordt gestoken in het traceren van het verkeerde in plaats van het bereiken van het goede. Daarmee is, net als de armoede van de daklozen, het racisme van de meerderheid tot een persoonlijk probleem herleid. Emancipatie is het werken aan genuanceerdheid geworden, een soort volwasseneneducatie eigenlijk. Je slaagt voor het examen als je niet meer zegt 'zwarte’ maar 'genetically gifted person’.