De markt en de beurs hebben altijd ongelijk

De effectenbeurzen waren vorige week weer eens misselijk van hun eigen succes. Na de spectaculaire stijging van de laatste jaren vielen de koersen opeens met drie tot elf procent terug.

Tijdens zulke calamiteiten is het bijzonder leerzaam om de economiepagina’s van de dagbladen bij te houden, want als de beurzen op hol slaan, vliegen ook de meeste economische redacties uit de bocht. Financiële redacteuren die zich doorgaans bezighouden met het registreren van overzichtelijke mutaties in enkele bedrijfssectoren of beleggingsfondsen, moeten hun lezers opeens uitleggen hoe het mondiale beurssysteem eigenlijk werkt.
En dat kunnen ze niet, om de eenvoudige reden dat geen mens dat kan. De moderne beleggingswereld is - met een favoriete uitdrukking van Jacques Delors - een ‘casino’. Alleen een computerbrein zal mogelijk in de toekomst de koers van een aandeel kunnen voorspellen. Stervelingen kunnen hooguit gokken op een bepaald verloop, en zelfs daarin blijken ze niet erg goed te zijn, ook al beschikken ze over veel ervaring. Laboratoriumexperimenten hebben uitgewezen dat mensapen die darts naar een lijst met aandelen gooien (waarbij een blauw pijltje staat voor 'kopen’ en een rood pijltje voor 'verkopen’) gemiddeld meer koerswinst maken dan professionele handelaren.
Het enige houvast voor beleggers, handelaren en commentatoren is een of andere vorm van bijgeloof. En daar begint voor de liefhebbers de grote pret. Zo opende de Volkskrant begin augustus, op het hoogtepunt van de koersgekte, met een soort manifest van de hand van columnist Hugo Brandt Corstius. Onder de kop 'Flauwekul regeert’ schreef hij dat alle berichten over koersstijgingen bedrieglijk waren omdat een beurs een gesloten stelsel is. Binnen dat stelsel verwisselt een eindige hoeveelheid geld van eigenaar zonder dat dit reële gevolgen heeft voor de economie, aldus de auteur, die volledigheidshalve meldde dat men op de economieredactie ernstige bedenkingen tegen deze theorie had geuit. Had hij maar geluisterd, want de laatste die er zulke denkbeelden op na hield, was Hendrikus Colijn.
Deze voormalige premier verkeerde in de veronderstelling dat de wereldeconomie een gesloten systeem was en dat derhalve ook het wereldhandelsvolume constant was. Tot ver in de jaren dertig hield hij vol dat de daling van de Nederlandse export niet te wijten was aan het toegenomen protectionisme in de wereld, maar aan de groeiende export uit de Zuidamerikaanse landen, waardoor het Europese aandeel in de wereldhandel noodzakelijk moest verminderen. Colijns theorie is door de explosieve groei van de wereldhandel na de oorlog aanschouwelijk weerlegd.
En ook het moderne beursstelsel is allesbehalve gesloten, zoals blijkt uit de jaarlijkse toename van het aantal beleggers en het totale belegde vermogen. Uit cijfers van de Amsterdamse beurs blijkt dat de totale waarde van de verhandelde aandelen in 1996 meer dan verdubbeld is, en die toename komt niet alleen voor rekening van de grote verzekeraars en pensioenfondsen die ons spaargeld sinds kort en masse naar het Damrak dragen.
Het aandeel van de particuliere beleggers in de aandelenomzet steeg van 28 naar 36 procent, hun absolute omzetgroei bedroeg meer dan honderd procent. De totale koerswinst van alle beleggers bedroeg 170 miljard gulden, evenveel als alle Nederlandse jaarsalarissen bij elkaar. Het beleggen in aandelen is allang niet meer voorbehouden aan de gsm-drager in zijn nerveus gesneden tweerijer. Het is een ware volkssport geworden, waaraan ook de jeugd en de alternatieve sector zich naar hartelust hebben overgegeven. Complete kraakpanden investeren tegenwoordig hun uitgespaarde huursom in aandelen Philips en IBM, en scholieren verdringen elkaar na schooltijd voor de Reuter-terminal om de jongste prognose van de Oeso mee te pakken. Er is een grote massa gedweeë marktvolgers ontstaan, die kennelijk niet beseffen dat ze bij de eerste de beste crash al hun spaarcenten kwijt kunnen zijn.
Met enig natte-vingerwerk is de recente beursopwinding dan ook best te verklaren: de overspannen verwachtingen van nieuwe beursgangers hebben de koersen opgedreven, de ontnuchtering kon niet uitblijven. Maar dit psychologische mechanisme, waardoor mensen op een zeker moment besluiten tot het kopen of verkopen van aandelen, blijft voor economen ongrijpbaar. Zij kunnen zelfs achteraf niet verklaren waarom de terugval uitgerekend op 11 augustus 1997 moest plaatsvinden en niet een maand eerder of een jaar later.
In een poging om toch enige logica in de Newyorkse koersval te ontdekken, noteerde NRC Handelsblad afgelopen zaterdag uit de mond van een gerenommeerde Amerikaanse handelaar de volgende verklaring: 'De transitiefase naar een structureel hogere produktiviteit is voorbij. We gaan nu naar het gangbare beeld van de tweede helft van een typische conjunctuurcyclus.’ Het was ongetwijfeld goed bedoeld, maar ’s mans visie is hopeloos verouderd. De mondiale geld- en effectenmarkten zijn allang niet meer onderhevig aan ouderwetse conjunctuurbewegingen. Door de liberalisering van het geldverkeer staat de beurshandel tegenwoordig los van de reële sfeer van goederen en diensten. Koersen staan in geen verhouding meer tot de 'onderliggende waarden’ van bedrijven of tot de economische groei per land of sector. De verhouding ligt eerder andersom: de beurskoersen zijn bepalend voor de stijging of daling van de lonen, investeringen en consumptieve uitgaven in een land.
In de beursschokken van de laatste tien jaar valt geen enkel patroon te ontdekken: van de 'zwarte maandag’ van 1987, het faillissement van de Amerikaanse spaarbanken in 1989, het uiteenspatten van de Japanse 'zeepbel’ in 1990, de Emu-crises van 1992 en 1993, tot en met de peso-crisis en de instorting van de Amerikaanse obligatiemarkt in 1994. De enige die ogenschijnlijk het overzicht wist te behouden, is superspeculant George Soros. In zijn artikelen en lezingen benadrukt hij telkens weer dat markten onberekenbaar zijn doordat ze worden beïnvloed door de collectieve verwachtingen van de marktpartijen. Zodra een grote groep beleggers een winstkans ruikt, is die kans per definitie minimaal. Daarom, zo verklaarde hij begin dit jaar in een Australisch televisieprogramma, luidt zijn eerste beginsel: 'De markt heeft altijd ongelijk.’ Het lijkt een gezond uitgangspunt, en niet alleen voor beleggers.