Essay: Eenwording, markt en cultuur

De markt is meedogenloos, ook voor Europa

Op 8 mei 1945 was de Tweede Wereldoorlog definitief voorbij, althans de militaire strijd. De verdeeldheid van Europa duurde echter nog vijf decennia. Over een jaar komt daaraan politiek en economisch een einde met de toetreding van nieuwe staten tot de EU. Met deze formele hereniging is de zaak nog niet gedaan.

Toen Winston Churchill in september 1946 opriep tot de oprichting van de Verenigde Staten van Europa waren sommige delen van het continent nog een ruïne. Zelfs de twee Duitse staten bestonden nog niet. Churchill zag de reden van beide wereldoorlogen in de Duitse heerszucht. Hij geloofde dat een Verenigd Europa, waarvan een alliantie tussen Fransen en Duitsers het fundament moest zijn, de herinneringen aan de oorlogen achter zich zou laten en zou verhinderen dat Duitsland ooit nog zo’n afschuwelijke brand zou stichten.

Ook vandaag vinden we het prettig te geloven dat een Verenigd Europa de oorlogsfantomen voorgoed van onze horizon doet verdwijnen. We weten echter niet of het lukt, wat voor een Europa het wordt, hoe verenigd en in welke zin. We hebben alleen gezien hoe de hereniging door particuliere nationale belangen wordt afgeremd: door Brits rundvlees, Franse appels, Spaanse wijn, enzovoort. Die belangen zijn reëel, niet verzonnen. Iedereen wil zijn hele hebben en houden behouden en tegelijk zo veel mogelijk van anderen afpakken. Het zal nog even duren voordat de nu met elkaar botsende belangen van boeren en industriëlen, van werkloosheid en inflatie, in prettige harmonie zullen bloeien. Dat is onvermijdelijk.

De weerstand tegen de Europese Unie in het algemeen, en tegen de gemeenschappelijke munt in het bijzonder, is namelijk niet het resultaat van rationele calculaties. Ze ontstaat uit bezorgdheid over het verlies van soevereiniteit ten gunste van de Brusselse bureaucratie: we produceren deze kaas al duizend jaar, tot ieders tevredenheid. Maar nu komt er uit Brussel een bevel om de bereidingsreceptuur te veranderen, zogenaamd om gezondheidsredenen. Men krijgt wel eens de indruk dat duizenden royaal betaalde ambtenaren, die zelf geen belasting betalen, alle mogelijke moeite doen om almaar nieuwe, geheel overbodige en soms zeer lastige regels en oekazes op te stellen voor komkommers, jam of wortels.

Daarom rijst het vermoeden dat ten eerste een aanzienlijk deel van deze ambtenaren probleemloos naar huis kan worden gestuurd en, ten tweede, dat het gaat om mensen met een totalitaire mentaliteit die ervan dromen dat alles in de wereld identiek wordt, dat de historisch bepaalde diversiteit kan worden geëlimineerd en dat iedereen er dan dezelfde levensstijl op na moet houden. Weerstand bieden tegen deze tendens is begrijpelijk. Het verdient alle steun.

Hetzelfde geldt voor de politieke instituties. Een simpel voorbeeld. Het Britse House of Lords kan, gelijk de monarchie, als anachronisme worden bestempeld. Het Hogerhuis past niet meer bij de moderne democratie. Maar geen enkele culturele, financiële of industriële elite past erbij. Het doel van democratische instituties is namelijk een toestand te bereiken waarin betekenis en invloed van de politieke elites bij benadering overeenkomt met de mate van vertrouwen die de samenleving in die elites heeft. Het is ondoenlijk via verkiezingen de beste voetballers, voortreffelijkste dichters of slimste managers aan te wijzen.

Hoe is het nu met de soevereiniteit gesteld? Het Europese herenigingsproces laat de staatssoevereiniteit inderdaad niet onaangetast. Dat zal nog sterker worden. Maar soevereiniteit betekent niet dat een staat geen rekening hoeft te houden met het bestaan, de belangen en de aspiraties van andere staten. In die zin zijn zelfs de Verenigde Staten niet soeverein. Een staat is zijn soevereiniteit pas kwijt als andere staten het recht hebben om namens die staat, en zonder zijn goedkeuring, beslissingen te nemen. De landen in het sovjetblok waren daarom niet soeverein omdat de metropool Moskou de beslissingen nam en de formeel soevereine perifere staten verplicht waren die te volgen.

Wanneer binnen de Europese Unie de besluiten met meerderheid van stemmen en zonder vetorecht worden aangenomen, raken lidstaten hun soevereiniteit dus ook kwijt. Ze worden immers gedwongen die besluiten uit te voeren. Omdat de lidstaten zelf het besluit hebben genomen toe te treden tot de Europese Unie kan men beweren dat de lidstaten vrijwillig afstand hebben gedaan van hun soevereiniteit. Men kan echter niet verkondigen dat ze hun soevereiniteit niet zijn kwijtgeraakt. Alleen bij vetorecht blijft de soevereiniteit onaangetast.

Maar is deze aanzienlijke inperking van de soevereiniteit, en straks wellicht de degradatie van lidstaten tot provincies die van centrale autoriteiten opdrachten krijgen, inderdaad zo ongelukkig? Je hoort vaak: ze willen ons onze soevereiniteit afpakken en daarmee ook onze nationale identiteit. Dit argument is twijfelachtig, is bijgelovige angst.

Etnische gemeenschappen kunnen uitsterven, mede doordat ze cultureel niet sterk genoeg zijn om andere beschavingen het hoofd te bieden en zodoende opgaan in andere volken. Onder ons zijn geen Hittieten, Visigothen, Pruisen en Azteken meer. De met geweld opgedrongen russificatie in de Sovjet-Unie, veel effectiever dan het tsarisme, streefde ook een vernietiging van de niet-Russische culturen na. Maar geen enkele gewortelde en actieve natie — de Poolse noch de Franse — wordt door zoiets bedreigd. Weerstand tegen culturele assimilatie kan bovendien heel effectief zijn. Polen liet zich tijdens de vele delingen russificeren noch germaniseren. De Ieren hebben, in weerwil van de brutale inspanningen van de Engelsen, hun identiteit behouden, al is de Keltische taal bijna om zeep geholpen. Ook de IJslanders, lang door de Deense adel vertrapte arme vissers, overleefden.

We zijn gewend het soevereiniteitsidee aan de natiestaat toe te schrijven. Maar de nationale staat is een relatief verse uitvinding en komt zelden in een perfecte vorm voor. Er is niets natuurlijks of vanzelfsprekends aan de eis dat een soeverein subject te allen tijde een natie moet zijn. Even soeverein kan een deel van de natie of een groep naties zijn. Oekraïners, Kroaten, Slovenen, Slowaken en anderen hebben zo hun nationale staat gerealiseerd. Binnenkort zullen de Palestijnen volgen. Naties kunnen vergaan maar ook worden geboren.

Hoe sterker de beweging in de richting van de Europese hereniging wordt, hoe meer deze separatistische en nationalistische tendensen tot bloei komen, hoe meer stemmen klinken die etnische zuiverheid van de staat eisen.

Etnische zuiverheid is een genocidale leus. Anderzijds kan men niet van de Europese landen verlangen dat iedereen zich op hun territorium vestigt. Het is waar dat volksverhuizingen en etnische vermenging sinds mensenheugenis plaatsvinden. De situatie is echter op drie punten veranderd. Ten eerste: ooit duurden migraties eeuwenlang, nu kan men zich razendsnel van de ene naar de andere kant van de wereld verplaatsen. Ten tweede: immigranten profiteren van de verzorgingsstaat. Het is ondenkbaar ze op een hongerdood te trakteren. Maar geen enkel land beschikt over onuitputtelijke voorraden. Ten derde demografische overwegingen: de bevolkingsdichtheid. Als men een ongelimiteerde immigratievrijheid zou eisen, dan zouden een miljard Chinezen en net zoveel Indiërs het recht moeten krijgen zich onbelemmerd in Zwitserland te mogen vestigen.

De kwestie van nationale identiteit zit barstensvol complicaties. Maar de beperkingen binnen de Europese Unie en de Navo vormen geen bedreiging van de identiteit van enige natie, zolang deze natie niet bereid is zelf haar identiteit op te geven. Polen in het bijzonder heeft geen keus. Als Polen niet was toegetreden, dan was het over niet al te lange tijd opnieuw beland binnen de invloedsfeer van Rusland, waar, ondanks economische malaise, corruptie en het uit elkaar vallen van zelfs militaire structuren, reusachtige krachten gekweekt worden die hun imperiale dromen nog niet hebben afgezworen.

De grootste verworvenheid van Europese eenwording moet duurzame vrede zijn. Of dat mogelijk is, hangt niet uitsluitend af van de Brusselse bureaucratie maar van een paar randvoorwaarden, niet alleen militaire en economische maar ook culturele voorwaarden.

Vaak hoor je dat de Eerste Wereldoorlog, die zo veel onuitgewerkte aanspraken achterliet, de Tweede Wereldoorlog onvermijdelijk maakte. Waarschijnlijk was het niet zo onvermijdelijk. Want ook na de Tweede Wereldoorlog bleven er aanspraken bestaan: zoals de annexaties in Midden- en Oost-Europa door de Sovjet-Unie en het territoriumverlies door Duitsland en Polen. Dit heeft echter niet tot een derde Europese oorlog geleid.

Kan zo’n oorlog niet alsnog uitbreken? Geen van de vele ressentimenten en territoriale aanspraken lijkt machtig genoeg om het Europese mechanisme van zelfdestructie weer in beweging te brengen. Maar helemaal zeker is dat niet.

Laten we even op de kaart kijken: Noord-Ierland, Alto-Adige, Catalonië, Corsica, Baskenland, Wales, nogmaals Bosnië, Hongaren in Slowakije, Hongaren in Roemenië, Russen in Oekraïne, Vlamingen en Walen. De wens tot afscheiding of andersom — tot hereniging conform etnische principes — is een uiting van onrust, soms ook van wanhoop, van een behoefte aan zelfbevestiging als stam in het aangezicht van het zich in federale richting bewegende Europa. Het is eenvoudig er een primitieve ideologie van te bakken.

Het Europese idee daarentegen lijkt niet zo makkelijk te propageren. Als Europa niet alleen een geografische entiteit is maar ook een cultureel idee, dan moet dit idee, voordat we weten wat Europa is, worden geformuleerd. Als we bijvoorbeeld bepalen dat Europa het binnen de grenzen van het westerse christendom gelegen gebied omvat, dan sluiten we Rusland, Servië, Roemenië, Albanië, Griekenland en Bosnië uit, terwijl we Noord- en Zuid-Amerika erin opnemen. We moeten dus goede redenen opgeven waarom de definitie geen arbitraire gril is.

Het is waar dat er antieke wortels bestaan waaruit de Europese cultuur is voortgekomen: joodse, Griekse en Latijnse wortels. Maar het is verre van eenvoudig om de grenzen, waarbinnen deze wortels onafgebroken in leven bleven of nog steeds leven, aan te geven. Zou iemand durven poneren dat joden, die zich niet tot het christendom hebben bekeerd maar wel uiterst effectief de geschiedenis van de Europese cultuur hebben beïnvloed, geen deel van deze cultuur uitmaken? Maakt datgene wat niet-christelijk is geen deel uit van de Europese cultuur, zoals aanzienlijke stromingen van de Verlichting, van de socialistische en liberale bewegingen, van vrijmetselarij? Horen Spinoza, Hobbes, Voltaire, Kant, Diderot, Sartre en andere schrijvers en denkers, die zich tegenover het christendom neutraal of onwillig opstelden of door de kerk werden vervloekt, niet bij Europa? Men zou kunnen zeggen dat zij onbewust, in het diepst van hun ziel, christenen waren, maar dat moet men dan wel aantonen.

Ik geloof dat de Europese cultuur bestaat en dat het christendom daarvan de kern vormt. Niet in de absurde zin dat iedere Europeaan een christen moet zijn en diegene die geen christen is dus niet bij deze cultuur hoort, maar in de zin dat het christelijke geloof, ondanks alle verschrikkingen, vervolgingen en gewelddadigheden die zijn verspreiding en verankering vergezelden, een drager is geweest van intellectuele, artistieke en morele successen van ons continent.

We hebben het dus over een Europese civilisatie, over een geestelijke grondwet.

Hoe staat het met deze grondwet in het proces van de eenwording? Niet zo best. Het is waar dat de Europese Unie aan alle deelnemers systeemeisen stelt. De burgerlijke vrijheden moeten verzekerd zijn en de democratische instituties moeten goed functioneren. En er zijn natuurlijk economische criteria.

Criteria van culturele aard zijn daarentegen te ongrijpbaar om ze in de praktijk te kunnen afdwingen. Kunnen we er desondanks aan bijdragen dat dit beschavingsfundament — de geestelijke grondwet — levendig blijft? Zeker niet door met onze geweldige voorouders uit Athene, Rome en Jeruzalem te pronken. Want wie zijn dat in godsnaam? Socrates? Of degenen die hem vanwege zijn goddeloosheid ter dood hebben veroordeeld? De grote Romeinse keizers als Augustus of Marcus Aurelius, of eerder Caligula, Nero en Tiberius? De eerbiedwaardige heiligen van de kerk, of de pausen die kruistochten, slachtpartijen en balletopvoeringen van courtisanes in het Vaticaan organiseerden?

De geschiedenis van Europa was slechts op zeldzame momenten glorieus. De Europese beschaving heeft ook Hitler, communisme en fascisme geschapen. Dit waren geen fantasieën van enkele fanatiekelingen, maar gigantische, moedige en goed georganiseerde massabewegingen met een stevige ideologische achtergrond. Het communisme was een gedegenereerde bastaard van de Verlichting, het Hitler-bewind een gedegenereerde bastaard van de Romantiek. Onze erfenis is even rijk aan meesterwerken en monumenten van de geest als aan monsterlijke misdaden. De eerstgenoemde zijn het werk van individuen, de laatste van met name massa’s.

Als wij nu willen dat Europa niet alleen een plaats is waar de imponerende geldtempels van verzekeringsmaatschappijen, beurzen en banken de lucht in schieten, waar materiële behoeften, in vergelijking met Azië, Afrika en Zuid-Amerika, in hoge mate worden bevredigd, waar vrijheid van meningsuiting en rechtsstaat opgeld doen, als we willen dat onze rijkdom door kunst wordt omringd, dat die rijkdom ook dient tot het verzachten van de armoede en het verbeteren van het lot van benadeelden en als we willen dat vrijheid van meningsuiting, waarin het baren en propageren van leugens, gemeenheden en kwaad besloten ligt, eveneens opbouwende, bezielende en grappige werken voortbrengt — wat kunnen we dan doen?

We hebben niets aan een in elkaar geknutselde Europese ideologie of filosofie. Als wij voor een verplichte ideologie, godsdienst of filosofie zouden zijn, dan zouden we eerst een tirannie moeten scheppen. Dit zou een radicale ontkenning van de geestelijke Europese grondwet betekenen. We zijn evenmin in staat het tot nu toe bijna onwaarneembaar Europese patriottisme kunstmatig te produceren.

En toch kunnen we iets doen. De geboorte van Europa als culturele ruimte begon waarschijnlijk in de zestiende eeuw. Erasmus was een Europeaan par excellence, een zwerver zonder volksstam. Hij wilde een wereldburger zijn als een antieke stoïcijn. In zijn tijd ontstond een geestelijk territorium, verrukkelijk genaamd respublica litterarum: een kring van in klassiek Latijn corresponderende wetenschappers en liefhebbers van antieke literatuur. Die kring was niet groot maar vormde wel een belangrijke intellectuele elite, die zich bewust was van haar supranationale karakter onafhankelijk van haar verblijfplaats in Florence, Basel, Erfurt, Krakau, Oxford of Leiden. Deze republiek stierf na de zeventiende eeuw af, mede door de opkomst van de moderne natiestaten.

Bestaat zij in onze moderne tijd, waarin wij ons met gemak kunnen verplaatsen en met elkaar kunnen communiceren, weer? Het valt te betwijfelen. Natuurlijk, elke academicus bezoekt in verschillende landen en steden congressen en reünies, kent honderden mede-academici en publiceert in internationale vakbladen. Toch moet het bestaan van een humanistische republiek in twijfel worden getrokken.

Waarom? Wellicht heeft het te maken met het gegeven dat de oude republiek een duidelijk cultureel takenpakket had. Ze moest de religie en de kerk in de geest van traditionele deugden hervormen, ze moest bijgeloof, domheid en fanatisme bestrijden. Dit alles door zich op de antieke schoonheid en wijsheid te beroepen. Wij hebben nu ook een surrogaat van het Latijn — de Engelse taal —, we hebben het echter niet lief. Voor ons is het Engels een communicatiemiddel. Wij hebben simpelweg beroepen, ons bewustzijn is door de behoeften van ons professionele leven gevormd.

In de tijd van Erasmus ontstond en ontwikkelde zich de in volkstalen geschreven grote literatuur: Dante, Montaigne. Pléiade, Kochanowski, Cervantes en andere meesters. Het Latijn werd toen niet meer als noodzakelijk beschouwd voor de uitleg van schone en wijze zaken. Het lijkt vreemd: er was een gemeenschappelijke taal van een hoog opgeleide klasse in Europa die geleidelijk wegebde, tezamen met het gevoel van het Europese burgerschap, de civis mundi. Staat de Engelse taal hetzelfde lot te wachten? Linguïsten zijn van mening dat talen onvermijdelijk uit elkaar vallen en veranderen, zodat na een tijdje de verschillende dialecten van dezelfde taal niet meer voor elkaar verstaanbaar zijn en uiteindelijk onherkenbaar worden. Er bestaan vormen van zowel het Engels als het Duits die de geboren Engelsen respectievelijk Duitsers niet verstaan. Merendeels gaat het om de niet-literaire volks varianten die misschien primitief lijken, maar die waarschijnlijk niet primitiever zijn dan de volksdialecten waaruit de grote Europese talen ooit voortkwamen. De voordelen van het Engels zijn evident. Je kunt je er amper over verbazen dat een Noorse of Hongaarse wiskundige prefereert zijn verhandelingen aan een internationaal deskundig publiek te presenteren en niet aan een klein groepje gebruikers van een exotisch lijkende taal waarmee hij opgevoed werd.

Het is onvermijdelijk dat deze tendens een taalverschraling in de hand werkt, al blijven de Fransen zich koppig verdedigen. Ook de oude talen van de niet-Europese culturen worden bedreigd. Op de universiteiten in Arabische landen worden de koran en theologie in het Arabisch onderwezen, natuurkunde en scheikunde daarentegen in het Frans of Engels. Een historicus uit Delhi vertelde mij dat de colleges alleen aan de eerstejaarsstudenten in het Hindi worden gegeven, daarna in het Engels. Hij was verbaasd dat op de universiteiten in Polen alles in het Pools wordt onderwezen, ook wis- en natuurwetenschappen.

Hoewel we niet weten of de Europese hereniging slaagt, hoewel we er niet zeker van zijn dat slachtpartijen en oorlogen, zoals in Joegoslavië, zich nooit zullen herhalen, hoewel we niet kunnen uitsluiten dat nieuw (of oud) imperialisme toch nog opdoemt, hoewel het Europese patriottisme een sluimerend bestaan leidt en in confrontatie met lokale belangen vaak hulpeloos blijkt, hoewel Europa nog geen superstaat is — is het van belang dat dit alles de etnische eigenheid niet aantast. We mogen ons niet onverschillig tonen.

Niet-bureaucratische steun aan Europa als culturele ruimte is namelijk wel degelijk mogelijk. Het is mogelijk terug te keren naar een onderwijsmodel dat niet op beroepsvaardigheden is gericht, maar op het zich eigen maken van een zeer luxueus lijkend doch in feite noodzakelijk vermogen tot het voeren van een vriendschappelijke dialoog die boven nationale belangen en financiële aangelegenheden uitstijgt. Wij hebben scholen nodig waar het Latijn en het Grieks grondig en doortastend worden onderwezen, waar men zich met plezier in ons culturele verleden kan onderdompelen. Wij hebben behoefte aan geschiedenisonderwijs waarmee jonge mensen kunnen leren begrijpen wie ze zijn, als erfgenamen van zowel een roemrijk als een verachtelijk verleden. Want als wij ons verleden — ons eigendom, een stuk van onszelf — kwijtraken, verliezen we tevens de niet-utilitaire redenen voor ons bestaan. Dan dreigen geestelijke chaos en leegte.

De Europese gemeenschap kan nu dus niet uitsluitend door de markt worden gecreëerd. Laten we niet op de liefdadigheid van de markt rekenen wanneer de situatie, vaak onverwacht en door toeval, gevaarlijk wordt.

© Gazeta Wyborcza

Vertaling: Ewa van den Bergen-Makala

Bewerking: Hubert Smeets