De economische wetenschap in crisis

De markt is niet perfect

Economen hebben de kredietcrisis niet voorspeld, laat staan voorkomen. Toch houden ze hardnekkig vol dat hen niets te verwijten valt. Het wordt tijd dat de wetenschap haar deuren opengooit.

TOEN DE BRITSE koningin Elizabeth II vorig jaar de prestigieuze London School of Economics bezocht om een nieuw gebouw te openen, vroeg zij zich tussen neus en lippen door af waarom geen enkele econoom de kredietcrisis had zien aankomen. Haar hooggeleerde publiek wist niet wat het moest antwoorden. ‘Iedereen vertrouwde op iemand anders, en iedereen dacht dat hij het bij het juiste eind had’, stamelde een van hen. Deze zomer belegde de British Academy, de nationale academie voor de humaniora en de sociale wetenschappen, een conferentie om de vraag beter te beantwoorden. Uit de brief die de economen na afloop aan de koningin stuurden: er was sprake geweest van ‘falende collectieve verbeelding van vele slimme mensen’. En: ‘Het is moeilijk een groter voorbeeld van wishful thinking gecombineerd met hubris te vinden.’
De impliciete boodschap van de brief luidde dat de kredietcrisis ook een crisis is van de economische wetenschap, een crisis veel dieper dan de Britse koningin kon vermoeden. Om te beginnen omdat economen niet alleen vooraf, maar ook toen de crisis al volop aan de gang was, haar nog niet als zodanig herkenden. ‘Het is een mooie tijd om goedkoop aandelen te kopen. Dat zou ik nu doen’, zei Sweder van Wijnbergen, hoogleraar macro-economie aan de Universiteit van Amsterdam, bijvoorbeeld op 20 augustus 2007 in het Algemeen Dagblad. De eerste Amerikaanse hypotheekbanken waren toen al failliet gegaan, de huizenprijzen in de Verenigde Staten begonnen aan hun duikvlucht en ook in Europa raakten financiële instellingen in de problemen. Van Wijnbergen kwalificeerde dat evenwel als ‘een beperkt probleem’. Toen de AEX-index op 540 punten terecht was gekomen, dacht hij dat het dieptepunt wel was bereikt, want de reactie van de markt was ‘hysterisch’ geweest. Maar de echte hysterie moest nog komen. In de maanden daarna zouden de koersen verder inzakken. Een najaar later, toen de crisis in volle hevigheid was losgebarsten, dook de index onder de 200 punten. Wie Van Wijnbergens advies had opgevolgd, had meer dan de helft van zijn geld verloren.
Half augustus 2007 meldde ook Clemens Kool, hoogleraar financiële markten aan de Universiteit Utrecht, dat van een ‘financiële crisis geen sprake’ was. Zijn collega UvA-hoogleraar en SER-lid Arnoud Boot, prominent aanwezig in het maatschappelijk debat over de crisis, wist januari 2008 zeker dat de crisis niet diep zou zijn en maar kort zou duren. ‘De veerkracht van de Europese en de Amerikaanse economie is groter dan een aantal jaren geleden’, stelde hij in de Volkskrant.
Het waren niet alleen individuele hoogleraren die miskleunden met hun voorspellingen. Het Centraal Planbureau (CPB) ging er op Prinsjesdag vorig jaar nog van uit dat de Nederlandse economie in 2008 met 1,25 procent zou groeien. Het duurde tot ver in het najaar voor het CPB doorkreeg dat de economie in een recessie zou schieten. Uiteindelijk kwamen de rekenaars uit op een krimp van 5 procent – een verschil ten opzichte van de oorspronkelijke raming van maar liefst 6,25 procent.
In De grote recessie, het boek over de crisis van CPB-directeur Coen Teulings en onderdirecteur Casper van Ewijk, luidt de verdediging dat modellen in instabiele tijden geen stand kunnen houden. Merkwaardig. Want zijn die modellen er juist niet om politiek en samenleving een houvast te bieden in woelige tijden? In het extreme geval van een volkomen stabiele economie, waarin export, import, consumptie, et cetera hetzelfde zijn als een jaar ervoor, zijn de modellen helemaal niet nodig. We weten dan immers dat de groei op hetzelfde niveau uitkomt als in de voorafgaande periode. Datzelfde probleem speelt bij de risicomodellen die banken uit de gevarenzone moeten houden. In stabiele tijden functioneren die prima, maar aan de vooravond van de crisis faalden ze jammerlijk: ze gaven geen enkel signaal af dat er zwaar weer op komst was. Zoals een manager van een hedgefonds achteraf opmerkte in The New York Times: ‘Ze zijn als een airbag die niet afgaat op het moment dat je een ongeluk krijgt.’
Voor een wetenschap die zich altijd heeft laten voorstaan op haar voorspellende karakter moet dat onvermogen de grootste crisis sinds de jaren dertig te voorspellen of zelfs te herkennen te denken geven. Maar ook om andere redenen betekent de kredietcrisis een crisis van de economische wetenschap. Enkele praktijken binnen de financiële wereld – de bonuscultuur bijvoorbeeld, of de sterke mate van deregulering – kunnen niet los gezien worden van academische inzichten. Economen zijn met andere woorden geen onpartijdige buitenstaanders die uitspraken doen over de economie van alledag. Hun theorieën hebben ook grote invloed op de wijze waarop die economie georganiseerd wordt. Om het met een kennissociologische term te stellen: hun ideeën zijn performatief, ze beschrijven en analyseren de werkelijkheid niet alleen, ze vormen die werkelijkheid ook. Nu de financiële wereld ternauwernood aan de afgrond is ontsnapt, moeten we daarom kijken naar de ideeën die ten grondslag liggen aan haar ordening.
De notie bijvoorbeeld dat bonussen de juiste manier zijn om managers te motiveren, komt uit de zogeheten principaal-agenttheorie. Kern van deze theorie, sinds de jaren zeventig populair binnen de economische wetenschap, is dat aandeelhouders (de principaal) niet zelf de bedrijven waarvan zij mede-eigenaar zijn kunnen managen. Zij laten dit dus, zoals gebruikelijk is in het moderne bedrijfsleven, aan professionele managers (de agent) over. Met dit uit elkaar trekken van eigendom en management van een bedrijf treedt evenwel een belangenprobleem op: de aandeelhouders willen vooral een hoge winst, waarbij de continuïteit van hun bedrijf natuurlijk gewaarborgd moet zijn. De managers die het bedrijf van dag tot dag sturen, hebben daar echter geen direct belang bij. Zij willen vooral hun eigen positie verbeteren, bijvoorbeeld door een machtig imperium te bouwen en andere bedrijven over te nemen. Of daarmee ook de winstgevendheid omhoog gaat, is bijzaak.
Een van de manieren om de belangen van aandeelhouder en manager op een lijn te krijgen, zo bedachten economen, is door prestatiebeloningen uit te keren, dat wil zeggen managers te laten delen in de winsten. Tegen het einde van de jaren zeventig begonnen de eerste bedrijven dat idee in de praktijk te brengen. Maar met een vaart liep het niet. In 1990 kwam Michael Jensen, een belangrijke promotor van deze benadering, nog met een collega tot de volgende conclusie: ‘Corporate America pays its most important leaders like bureaucrats.’ Hun ergernis daarover staken zij niet onder stoelen of banken. Want, zo vervolgden zij in een spraakmakend artikel in de Harvard Business Review, het lijfblad van de internationale zakenelite: ‘Is it any wonder then that so many ceos act like bureaucrats rather than the value-maximizing entrepreneurs companies need to enhance their standing in world markets?’ Jensen werd in de daaropvolgende jaren op zijn wenken bediend: het vaste salaris (in cash) bleef min of meer gelijk voor de topmannen van de vijfhonderd belangrijkste Amerikaanse bedrijven. Maar de prestatiegerichte beloningen, in de vorm van opties en bonussen in cash, namen een zeer hoge vlucht, waarbij de banken voorop liepen.
Het delen van de winst had echter niet het beoogde resultaat. Want binnen het variabele beloningspakket van de financiële sector zetten de bonussen aan tot het nemen van onverantwoord grote risico’s, waarmee de bankmanagers op korte termijn veel geld verdienden, maar op lange termijn aandeelhouderswaarde vernietigden. De toepassing van prestatiegerichte beloningen bracht de belangen van principaal en agent met andere woorden niet op een lijn, maar dreef er een nieuwe wig tussen.
Dat kan natuurlijk Jensen en andere aanhangers van de principaal-agenttheorie niet verweten worden. De wijze waarop de bonusstructuren vorm kregen in de bankwereld had weinig meer te maken met de oorspronkelijke theorie, en is ook door economen bekritiseerd. Niettemin stelt de kredietcrisis een aantal aannames ter discussie die aan de basis liggen van deze theorie: om te beginnen de aanname dat werknemers het best (of misschien zelfs uitsluitend) door financiële prikkels kunnen worden gemotiveerd; vervolgens dat het maatschappelijk belang ermee gediend is als al die werknemers hun eigenbelang nastreven; en ten slotte dat de enige waarde die telt binnen de economie de aandeelhouderswaarde is.

ANDERE ECONOMISCHE ideeën die aan de basis liggen van de kredietcrisis hebben betrekking op de regulering van de financiële sector. Vanaf de jaren zestig maakten vooral economen verbonden aan de Universiteit van Chicago zich sterk voor laissez faire-beleid en kantten zich tegen overheidsinterventies in de economie. Zoals Milton Friedman, hun geestelijk vader, het programma van de universiteit samenvatte in 1974: ‘“Chicago” stands for a belief in the efficacy of the free market as a means of organizing resources, for skepticism about government intervention into economic affairs.’ Zijn collega George Stigler wees erop dat overheidsregulering zelden werkt, onder meer omdat allerlei belangengroepen proberen die regulering naar hun hand te zetten. Van bovenaf opgelegde overheidsregels zouden alleen maar privaat initiatief onderdrukken, de groei van de financiële markten afremmen en leiden tot minder welvaart. Deregulering luidde dus het devies. De economen van deze Chicago-school zouden in de daaropvolgende decennia de ene na de andere Nobelprijs in de wacht slepen.
In de financiële wereld werd de Chicago-doctrine het duidelijkst ‘geperformeerd’ door Alan Greenspan, tot januari 2006 de voorzitter van de Amerikaanse Federal Reserve. Hij was ervan overtuigd dat zelfregulering beter was voor de financiële wereld dan regulering. Het reputatiemechanisme zou er volgens Greenspan voor zorgen dat bankiers niet al te grote risico’s namen. Aandeelhouders zouden anders corrigerend optreden, de aandelen dumpen, en klanten zouden bij zulke roekeloze banken weglopen. Zo kon het gebeuren dat de regulering van de financiële markten die in de nadagen van de Grote Depressie van de jaren dertig was ingesteld langzaam maar zeker werd ontmanteld. Het belangrijkste onderdeel van die regulering was de Amerikaanse Glass-Steagall-wet, die de ‘normale banken’ waar spaarders hun geld deponeren verbood om zich met risicovolle beleggingen zoals derivaten in te laten. Zulke beleggingen waren voorbehouden aan zakenbanken, die op hun beurt geen spaargeld mochten innemen. Anders zou immers spaargeld van gewone burgers in gevaar kunnen komen wanneer het beleggingsbeleid ontspoorde. Maar vanaf begin jaren tachtig werd die Glass-Steagall-wet stukje bij beetje ingetrokken, en uiteindelijk in 1999 helemaal verwijderd uit het Amerikaanse wetboek. De weg was vrij voor banken als Citigroup en Bank of America om zich, met hopen geleend geld, te storten op de exotische beleggingen die tijdens de kredietcrisis hun waarde vrijwel volledig verloren.
De dereguleringsdoctrine uit Chicago vatte ook in de rest van de wereld post. In het Verenigd Koninkrijk onder Gordon Brown, toen nog minister van Financiën, liet men de teugels vieren. En in Nederland beklaagde Nout Wellink, president van De Nederlandsche Bank, zich dit voorjaar in Vrij Nederland dat er ‘de afgelopen jaren vanuit de politiek een gigantische druk [is] geweest om de financiële regelgeving te verminderen. Dit kabinet heeft ons een paar jaar geleden opgedrongen om de toezichtkosten met acht procent te drukken. Daar zijn we nog steeds mee bezig. Ik zei toen dat ik daar grote problemen mee had, omdat de financiële wereld steeds gecompliceerder aan het worden was. Maar het was een wereldwijde tendens: toezichthouders zouden zich met te veel dingen bemoeien.’
Dat de dereguleringsdoctrine zo sterk postvatte in de financiële wereld en daarbuiten kan niet alleen op het academische conto van Chicago worden geschreven – ook politieke krachten, historische gebeurtenissen zoals de val van de Muur, of de banale wens van nationale regeringen om beter te kunnen concurreren met financiële centra in het buitenland speelden daarbij een rol. Maar de kredietcrisis noopt er wel toe de oorsprong van de Chicago-doctrine tegen het licht te houden. Friedman en Stigler zijn inmiddels overleden, maar Greenspan moest in het najaar van 2008 erkennen dat er een ‘weeffout’ zat in zijn model van de wereld. ‘A critical pillar to market competition and free markets did break down’, zei hij in een hoorzitting voor het Amerikaanse Congres. ‘I still do not fully understand why it happened.’

OOK TOT een beperkte groep academische economen lijkt te zijn doorgedrongen dat de economische wetenschap in crisis is: de kredietcrisis werd niet voorspeld, laat staan voorkomen met behulp van economische theorie. Bovendien is maar weinig in de economische toptijdschriften te vinden waarmee de crisis überhaupt goed begrepen kan worden. De reden: die tijdschriften hebben zich de afgelopen decennia toegelegd op sterk mathematische modellen die weliswaar zeer elegant zijn, maar geen enkele relatie hebben tot de economie van alledag. Zoals de van oorsprong Nederlandse econoom Willem Buiter dit voorjaar klaagde op zijn blog voor de Britse zakenkrant Financial Times: ‘De meeste theoretische innovaties binnen de macro-economie sinds de jaren zeventig blijken op z’n best zelf-referentieel en naar binnen gericht te zijn.’ Art for art’s sake, met andere woorden, maar dan voor economen. Onderzoeksprogramma’s werden volgens Buiter ‘niet gedreven door een sterk verlangen te begrijpen hoe de economie werkt – laat staan hoe die economie werkt in tijden van stress en financiële instabiliteit’. Het gevolg: ‘De beroepsgroep van economen was onvoorbereid toen de crisis toesloeg.’ Want vrijwel alle economen gingen er impliciet dan wel expliciet van uit dat markten efficiënt werken, stabiel zijn, dat individuen rationeel handelen en zich niet laten meeslepen door beleggingsmanies of paniekstemming op de beurzen. In de Verenigde Staten probeerde Paul Krugman, New York Times-columnist en vorig jaar winnaar van de Nobelprijs voor de economie, op soortgelijke wijze zijn collega’s wakker te schudden. Hij verweet hen in een doorwrocht krantenstuk ‘blindheid voor de mogelijkheid alleen al dat catastrofaal falen voorkomt in een markteconomie.’
Maar het lijkt er niet op dat die noodkreten van insiders zoals Krugman en Buiter en outsiders zoals de Britse koningin veel teweeg hebben gebracht. Het belangrijkste hoopgevende signaal: de zogeheten gedragseconomie, een relatief nieuwe stroming binnen de economische wetenschap die leentjebuur speelt bij de psychologie en daarmee allerlei afwijkingen van rationeel gedrag op het spoor komt, mag zich in toenemende populariteit verheugen.
Maar de meeste economen lijken door te werken alsof het nooit crisis is geweest. De Nobelprijswinnaars Myron Scholes en Robert Merton, die de modellen bedachten waarmee de astronomische derivatenhandel de afgelopen decennia in het leven kon worden geroepen, houden in de media hardnekkig vol dat de economische wetenschap niets te verwijten valt. Consequent schuiven zij de zwarte piet door naar de financiële sector, die onzorgvuldig met ‘hun’ modellen zou zijn omgesprongen. Macro-econoom Van Wijnbergen legt ook het verwijt naast zich neer dat de economische wetenschap door de mand is gevallen vanwege haar falend voorspellend vermogen. In september zei hij op de radio dat het wel goed zou komen met de economische wetenschap. Die zou op weg zijn een harde wetenschap te worden, waardoor ook haar voorspellende kracht toeneemt.
Op de economische faculteiten worden promovendi als vanouds op hun mathematische kwaliteiten geselecteerd, wat in de praktijk neerkomt op veel wiskundigen en natuurkundigen, en een minderheid aan kandidaten met een economische achtergrond. Bij hun promotie gaan economen er nog altijd prat op dat zij geen enkel artikel citeren dat langer dan vijf jaar geleden is verschenen. Dat economische geschiedenis en geschiedenis van het economisch denken ook belangrijk zijn voor de vorming van een econoom is ondenkbaar – de gedachte dat je kunt leren van de Grote Depressie of andere crises uit het verleden is de meeste economen nog altijd vreemd. Naar de boeken van John Maynard Keynes, de Britse econoom die veel oog had voor de instabiliteit van financiële markten en wiens denken door wereldleiders momenteel collectief wordt omarmd, is het op de leeslijsten van economie-colleges tevergeefs zoeken. Zijn wijsheden waren immers in woorden vervat, niet in wiskundige vergelijkingen.
Toch is het moment rijp voor een transformatie van de economische wetenschap. De nieuwe slogan van de regering-Obama – Verspil nooit een goede crisis – is ook op economen van toepassing. Crises zijn immers de beste katalysator voor verandering. Daarbij luidt ons devies: gooi de deuren open, stel jezelf open voor andere methoden dan alleen kwantitatieve, zie ook de legitimiteit in van kennis die niet in wiskundige vorm is gegoten, werk meer samen met disciplines als de psychologie, sociologie en filosofie.
Om die katalyserende werking van de kredietcrisis te versterken, moet ook de maatschappelijke druk op de discipline een stuk verder opgevoerd worden. De parlementaire commissie die momenteel de kredietcrisis onderzoekt, mag de rol van economen bijvoorbeeld niet buiten beschouwing laten. Maar als economen hun eigen gedachtegoed serieus nemen, moet verandering ook van binnenuit komen. Want juist een gebrek aan ideeënconcurrentie heeft de economische wetenschap gebracht op de plek waar ze nu staat. Het monopolie van de dominante economische school, de zogeheten neoklassieke school die uitgaat van rationele individuen en perfecte markten, heeft een goed begrip van de economie van alledag in de weg gestaan.


Liesbeth Noordegraaf-Eelens is als filosoof en econoom verbonden aan de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur en de Erasmus Universiteit Rotterdam. Olav Velthuis is als economisch socioloog verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Dit najaar publiceerden zij Op naar de volgende crisis: Over het verleidend vermogen van de financiële markt (Klement)