Het medicaliseren van menselijk gedrag

De markt van angst en onbehagen

Steeds vaker worden op normale menselijke gedragingen en emoties serieuze diagnoses geplakt. Angst – voor onze gezondheid, voor ouder worden, voor relaties – domineert het publieke leven. De industrie van tijdschriften, zelfhulpboeken en therapeuten vaart er wel bij.

Ben je single, wees dan beducht voor daten via internet: daar krijg je een gespleten persoonlijkheid van. Aldus journalist Winnie Terra in de Volkskrant enkele weken terug. Volgens Terra is de vrouwelijke dertigplus-single voor alles een slachtoffer van overemancipatie: financieel onafhankelijk, maar met een leeg en koud hart. Dan komt de volgende boosdoener: de biologische klok. Zodra de dertigplus-single die gaat voelen realiseert ze zich dat mensen óók sociale wezens zijn, en dan verandert ze in een op drift geraakte hysterica, krampachtig op zoek naar een man. Waarna zij in de volgende valkuil stapt: die van de technologie. Dat kille en afstandelijke internet waar die arme dertigplus-single denkt haar geluk te vinden, om van een koude kermis thuis te komen. Niet alleen blijft ze single, nee, het is nog erger. Haar individuele ontplooiing stagneert en haar zelfvertrouwen neemt af. Waarmee de kans op het vinden van een partner in het echte leven tot vrijwel nul wordt gereduceerd. Ondanks Terra’s poging tot relativering – jaag niet als een gek op internet achter mannen aan, maar leef gewoon je leven en dan komt de liefde vanzelf naar je toe – is haar verhaal exemplarisch voor de manier waarop mensen en hun relaties worden beschouwd: het relationele leven als mijnenveld. Dit soort (nauwelijks onderbouwde) betogen zijn doorgaans doorspekt met zelfhulptaal en verhaspeld psychologisch jargon – neem een term als ‘gespleten persoonlijkheid’. Nu heeft de psychologische terminologie al jaren geleden zijn intrede gedaan in gewone-mensentaal. Mensen ‘verdringen’ herinneringen of handelen ‘onbewust’. Nieuw is dat de manier van verwoorden steeds alarmerender van toon wordt en dat op redelijk normale menselijke gedragingen en emoties met groot gemak serieuze diagnoses worden geplakt. Dit beperkt zich niet tot schrijfsels van jonge vrouwen die hun leven proberen te duiden in krantenstukken, maar sijpelt door in de taal en het gedachtegoed van alledag.

In zijn boek Culture of Fear: Risk-taking and the Morality of Low Expectation noemt de socioloog Frank Furedi dit het medicaliseren van menselijk gedrag. Het is volgens hem slechts één symptoom van de omslag in het maatschappelijke humeur. Kort gezegd komt Furedi’s stelling hierop neer: de wereld wordt veiliger, en de mensen banger. Angst heeft zich losgezongen van de werkelijkheid en verspreidt zich als een olievlek over elk domein van het leven. Dat zijn niet alleen de usual suspects, angst voor terrorisme en milieuvervuiling. Ook de angst voor onze kinderen, gezondheid, ouder worden en relaties domineert het publieke leven. Dat maakt van angst niet langer een emotionele reactie op een specifiek gevaar, maar een culturele metafoor, een manier om het leven te interpreteren, stelt Furedi. Het is het idioom waarmee we naar de wereld kijken.

Niet onze persoonlijke ervaring maar informatie van buiten wakkert de ongerustheid aan: spotjes over kindermishandeling (‘Ik zie ik zie wat jij niet ziet’) of een polemisch bedoeld stuk in de krant, zoals dat van Winnie Terra. Zelfs een goed bedoelde documentaire als Beperkt houdbaar van Sunny Bergman voedt onlustgevoelens, want ook al stelt zij een belangrijk punt aan de kaak – het absurde vrouwbeeld in de media –, uit de manier waarop ze ermee omgaat spreekt onmacht. Het is begrijpelijk dat ze zich druk maakt over de toekomst van haar kinderen, maar zelf zou ze toch wijs genoeg moeten zijn om zich geen complex aan te laten praten. Bovendien: zo uitgerangeerd ís ze volgens Terra niet. Er zijn vrouwen die jaren ouder zijn dan zij waar mannen hun nek nog met liefde voor verrekken. Waar het om gaat is dit: ze portretteert zichzelf als slachtoffer. Van de media, van de man.

Het ergste is, zegt Furedi, dat de manier waarop we naar andere mensen leren kijken misantropie in de hand werkt. Deze misantropie manifesteert zich op de meest uiteenlopende manieren. We vervuilen niet alleen de omgeving maar ook anderen om ons heen. Susan Forward, schrijfster van Toxic Parents, meent bijvoorbeeld dat een slechte opvoeding ‘als een onzichtbaar onkruid je verdere leven overwoekert’. Ook romantische relaties dragen een risico in zich, je kunt immers gekwetst worden. Dat moet worden vermeden en daarvoor heb je talloze zelfhulpboeken tot je beschikking die je helpen het risico op emotionele schade te beperken – in de sociologie ‘cultural cooling’ genoemd. Op deze manier wordt een fact of life als pijn en falen in de liefde geproblematiseerd en gezien als iets wat voorkomen dient te worden.

Een ontwikkeling die hier nauw mee verbonden lijkt is de vlucht die de psychologie neemt in kranten en publiekstijdschriften. De belangstelling valt deels te verklaren vanuit Furedi’s idee over de misbruikcultuur: de veronderstelling dat elke menselijke relatie het risico van misbruik in zich bergt, waarbij vooral kinderen en vrouwen kwetsbaar zijn. Ter illustratie van deze overspannenheid: een vrouw laat bij een fotolab foto’s van haar naakte zoontje en haar man afdrukken en wordt aangehouden op verdenking van het maken van kinderporno. Wat vroeger puur was is nu pervers.

Een andere exponent van de misbruikcultuur is het criminaliseren van pesten. Hoe bruut de uitwassen ook mogen zijn, kinderen maken elkaar nu eenmaal het leven soms onmogelijk. In plaats van dat te beschouwen als een van de onaangename onderdelen van het ouder worden, waarbij een kind gedwongen wordt sociale vaardigheden en zelfvertrouwen te ontwikkelen, wordt ook de relatie met leeftijdgenootjes als een potentiële bron van misbruik beschouwd. Ernstige protocollen en trainingen moeten ervoor zorgen dat pesten voorkomen wordt.

Nu is er met dat soort protocollen wellicht weinig mis waar ze zijn gebaseerd op gezond verstand. Tragisch is wel dat er vanuit wordt gegaan dat mensen – leraren, ouders – dat gezonde verstand inmiddels ontberen en dus hun toevlucht moeten nemen tot regelgeving. Wat voorheen met rationeel, op menselijke waarden gebaseerd handelen kon worden geregeld, is nu geformaliseerd. Vergelijkbaar zijn de zogenaamde touching guidelines in Groot-Brittannië: regels die bijvoorbeeld bepalen dat een leraar een kind zonder toestemming van de ouders geen pleister op mag plakken, en dat elk touching incident moet worden geregistreerd. De boodschap, aan volwassenen en kinderen, is helder: de ander is niet te vertrouwen.

Een cultuur waarin elk menselijk contact als mogelijke bron van pijn wordt beschouwd vervreemdt mensen van elkaar en maakt van iedereen een beschadigd mens dat wordt getergd door frustratie, onverwerkt verdriet en niet vervulde verlangens. ‘Nooit eerder voelden mensen zich zo sterk slachtoffer of gevangene van hun verleden’ – aldus Culture of Fear.

Door deze nadruk op potentieel gevaar in het gewone leven en de onomkeerbaarheid van sommige psychologische processen – straks ben je ‘beschadigd voor het leven’ – is het begrijpelijk dat mensen willen weten hoe ze werken. In tijdschriften en zelfhulpliteratuur laven ze zich aan psychologische theorieën en tests. Ze willen zichzelf begrijpen als het product van het verleden en zich duiden in het heden, gedreven door een zucht naar verklaarbaarheid en voorspelbaarheid. Zo kan de angst bezworen worden met een diagnose, een theorie of een behandeling. Iemand is niet overgevoelig van aard maar heeft een ‘hoogsensitieve persoonlijkheid’, een ‘aandoening’ waarover inmiddels tal van boeken zijn geschreven. En wat vertel je liever: dat je kind niet naar je wil luisteren of dat het adhd heeft? Dat je alleenstaand bent omdat je geen geschikte partner bent tegengekomen, of dat je zodanig ‘beschadigd’ bent in je vorige relatie dat je tijd nodig hebt om te helen?

Niet alleen het bezweren van angst en ongrijpbaarheid, ook het verlangen naar een beter en mooier leven verklaart de populariteit van psychologie. Psychologietijdschriften leren ons hoe we sneller, stabieler, intelligenter en leuker kunnen worden. Er wordt een utopie gecreëerd: dat ellende niet bij het leven hoeft te horen.

De maakbaarheidstroming heeft er sinds kort een krachtige partner bij: het hersenonderzoek. In Het maakbare brein van Margriet Sitskoorn wordt uiteengezet hoe plooibaar het brein is en wat dat betekent voor de reikwijdte van ons gedrag. ‘Kun je op volwassen leeftijd nog een rekenwonder worden, doorzettingsvermogen verkrijgen of je angsten overwinnen? Dat kan, want onze hersenen zijn in staat tot reorganisatie en zelfvernieuwing: er ontstaan nieuwe verbindingen in ons brein en er worden nieuwe cellen aangemaakt. Hierdoor kunnen we onszelf op alle fronten blijven ontwikkelen.’

De paradox van dit verlangen naar zelfkennis en -verbetering is dat het gestoeld lijkt op zelfredzaamheid en zelfstandigheid. Ken jezelf, leer effectiever omgaan met je collega’s, met je relaties, met je emoties. Maar de onderliggende boodschap is daarbij dat anderen gevaarlijk zijn, dat we speciale regels in acht moeten nemen om niet te worden (aan)geraakt, en, tragisch: dat we niet zelf kunnen bedenken hoe we voor onszelf moeten zorgen.

Het meest cynische is misschien nog wel dat het pathologiseren van menselijk gedrag een sensationele component heeft. Een stuk met daarboven ‘De happy single zit ’s avonds radeloos achter de computer’ (Winnie Terra), roept een triest en wanhopig beeld op. Smeuïg ook. Maar de daaruit voortvloeiende discussie heeft nauwelijks iets te maken met de werkelijkheid. Net zoals de discussie die documentairemaakster Bergman aanzwengelt waarschijnlijk meer te maken heeft met verzet tegen haar eigen aftakeling dan met verzet tegen de beeldcultuur. Want de vraag waar het werkelijk om lijkt te draaien – ‘waarom fluiten de bouwvakkers niet meer naar me?’ – is van alle tijden, net als het antwoord. Hield haar moeder zich niet met vergelijkbare materie bezig?

De metafoor van angst is de motor van een op zichzelf staand discours: alarmerende koppen trekken de aandacht, een chirurg op de televisie die een vagina afkraakt wakkert de discussie aan. Maar boven alles is angst een industrie: van tijdschriften, zelfhulpboeken, therapeuten. Er is een leger van professionals die hun boterham verdienen op de markt die bestaat uit mensen op zoek naar vertroosting, of dat nou in een artikel is of tijdens een gesprek met een therapeut. Om, al is het maar voor even, de suggestie van controle of richting te ervaren.

Frank Furedi, Culture of Fear: Risk-taking and the Morality of Low Expectation. Nederlandse vertaling: Cultuur van angst. Meulenhoff, € 21,90