Mini-emperie en dé Marokkaanse cultuur

De Marokkaan als Don Quichot Wat Ahmed A. en Mohammed B. gemeen hebben

Iedereen heeft sinds een week een mening over de mogelijk dubbele loyaliteit van dé Marokkaan. Maar als die loyaliteit inderdaad dubbel zou zijn, aan wat is ze dan trouw? Aan Don Quichot, leert een minuscuul empirisch onderzoekje.

Wat heeft de Marokkaanse cultuur toegevoegd aan de Nederlandse, behalve op het knusse vlak van textiel en gastronomie? Wat is haar intrinsieke, immateriële meerwaarde? Een lastige vraag. Want ‘de’ Marokkaanse cultuur bestaat niet. Het gedonder begint al meteen: spreken we over het Arabische volksdeel of hebben we het over de Berbers? Het eerste staat bekend als geil, week, decadent, gezagsgetrouw. De anderen gaan door voor eigenwijs en anarchistisch, voor geharde naturen, die beschikken over de schoonste vrouwen. Niet voor niets huwt volgens een oeroude traditie de koning – van Arabische afkomst – immer een Berbervrouw.

Iets zeggen over iets wat niet bestaat is abracadabra. Ik draai het dus liever om. Hoe beziet de Nederlander de Marokkaan? Welk genre Marokkaan brengen de media graag in beeld? Het is een kwestie van turven: welke Marokkanen prijkten de afgelopen jaren het vaakst en het luidst in de nieuwsbulletins? Welgeteld kwam ik uit op een zestal gezichten:

  1. Mohammed B.

  2. Abdelkader B.

  3. Samir A.

  4. Ahmed A.

  5. Najib A.

  6. Ali B.

  7. Mohammed B.

Mohammed B. staat te boek als een gestoorde geloofsfanaticus die liever het zwaard dan het woord hanteert. Zo is hij zeker te duiden. Maar psychoanalytisch valt hij evengoed te typeren als een verliefde man. Extreem verliefd op Allah. Hij houdt van de Schepper met al zijn tenen en baardharen, waarmee een Eeuwige Liefde is beklonken. We weten waarom levenslange liefdes hachelijk kunnen zijn: ze kennen geen grenzen. Ze zijn heilig, onaantastbaar. Wie aan de geliefde komt, komt aan de verliefde. Wie zijn geliefde beledigt of kwetst (al is het bedoeld als grapje), die kwetst zijn innerlijk, zijn hart, zijn ziel. Dan trekt hij het zwaard uit de schede en offert hij de ander, en vervolgens (in het geval van een Onbereikbare Liefde) zichzelf op. Zie bijvoorbeeld het fatale liefdesduel in Bizets opera Carmen.

Mohammed B. is zo verliefd dat hij geestelijk verblindde en zijn verstand verloor. Werkelijkheid en fictie zijn daardoor gaan versmelten. Wat hij gelooft is geen particuliere overtuiging meer, maar universele waarheid.

  1. Abdelkader B.

Abdelkader B. gaat door voor een schrijver die met ziel en zaligheid opgaat in taal. Literatuur en boeken vormen zijn werkelijkheid. Hij gelooft in de literatuur als het panacee voor geluk, voor vrede, voor alle wereldproblemen, waaronder het ozongat. Hij is een spraakwaterval. Zijn spreken is zijn schrijven: oeverloos. Woorden, woorden, woorden – al zeggen die woorden steeds minder. Hij jongleert met woorden zoals een dolfijn speelt met een strandbal. We vinden het leuk.

  1. Samir A.

Samir A. is veroordeeld tot acht jaar cel wegens ‘terroristische voorbereidingen’. Maar wie plaatsneemt in de andere kamerhoek ziet in Samir A. een goede schoonzoon. Een avontuurlijk voorbeeld voor de verveelde party- en patatjeugd. Samir A. rotzooide niet op straat, viel geen meisjes lastig, beroofde geen oude vrouwtjes, reed bejaarden niet van hun sokken met zijn scooter, hing nooit de beest uit, slikte geen pillen, vermeed disco’s, was een ijverige leerling die vrijdags bloemen kocht voor zijn moeder. In de weekeinden bestudeerde hij natuurboeken en heilige geschriften. Hij las de bijbel, hij las de veda’s, hij las de koran, en concludeerde: ‘De koran is mijn boek, het pad van recht en licht.’

Een kleine knul (negentien jaar) met grote idealen. Die heel slecht tegen onrecht kan. Zo slecht dat hij op een dag besloot de trein te pakken en af te reizen naar Tsjetsjenië. Om daar met gevaar voor eigen leven te vechten tegen de Russen, omdat die burgers afslachtten terwijl geen enkel land ingreep. Nog niet zo heel lang geleden noemden we dit roekeloze gedrag ‘Sturm und Drang’, of romantische heldenmoed.

  1. Ahmed A.

Ahmed A. staat bekend als modelallochtoon. Volkomen aangepast is hij de vleesgeworden integratie. Maar achter deze modelallochtoon schuilt iets volkomen onaangepasts, een uitermate on-Nederlandse trek: het syndroom van Narcissus. Ahmed A. is ‘geweldig’, maar typerender: hij vindt zichzelf geweldig. Ahmed A. was een ‘voortreffelijke wethouder’, maar typerender: hij vindt zichzelf een voortreffelijke wethouder. Bescheidenheid – typisch Hollands – is afwezig in zijn lexicon. In plaats daarvan prijkt Egomanie – de titel van zijn eerste leesboek. Dankzij hem is Amsterdam gered van een burgeroorlog. Dankzij hem floreert Nederland weer. Het scheelt er nog net aan dat we niet horen dat Nederland in z’n eentje door hem is wederopgebouwd. Zijn biografie vertelt hij tot moe wordens toe aan Jan en alleman. Als klein jongetje opgegroeid in een arm Marokkaans bergdorpje, nu auto met chauffeur én bewaking – een statussymbool, passend in The Moroccan Dream naar ahmeddiaanse snit.

Bij drieste zelfoverschatting past overgevoeligheid voor eer en status. De titulatuur ‘excellentie’ veroorzaakt spontane tumescenties. Was het niet Ahmed A. die bij het tv-programma De wereld draait door apetrots onthulde dat Job Cohen hem had ingefluisterd: ‘Ahmed, alsjeblieft blijf in Amsterdam. Dan beloof ik dat we jou “zijne excellentie” zullen noemen.’ Cohen wist Ahmed A. feilloos op zijn zwakste plek te ridiculiseren, maar arme Ahmed A., glimmend als een granaatappel, had niks in de gaten.

  1. Najib A.

Humor is de zwemgordel op de rivier van het leven, zei Wilhelm Raabe. Ik geloof dat Nederlanders met deze Duitser instemmen. Najib A. komt daarom als een geschenk uit de hemel. Want te midden van alle ellende rondom die K-Marokkanen moet er natuurlijk ook wat te ginnegappen vallen. Ofschoon wat mild en wee van smaak – Nederlanders zijn niet zo dol op al te pikante gerechten; daarom wordt Shouf shouf habibi! een kaskraker – mag Najib A. tot gieren aanzetten met kamelenacts en pilootimitaties. Liever geestige dwaasheid dan dwaze geestelijkheid.

  1. Ali B.

Deze jongeling is kampioen knuffelbeer. Hij is ‘een leuke, enthousiaste Marokkaan’. Vooral an-toe-sjast – en dat maakt hem een ‘toffe gast’. Ali B. is feitelijk de hele week zo enthousiast en positief bezig in de media dat je je zorgen maakt of hij nog tijd heeft voor muziek.

De omgekeerde pet is een tikkeltje stout (hij gaf toe dat-ie wel eens blowt), maar altijd stout op een gezellige manier. Zo schiet Ali B. vóór nieuwjaar een bosje vuurpijltjes de lucht in. En zegt hij ‘je’ tegen de premier. Maar gelukkig vindt hij Oranje ‘het allerbeste voetbalteam ter wereld’ en loopt hij warm voor het koningshuis. Eigenlijk loopt hij warm voor alles, zelfs voor de vloek van de rapwereld, Marco Borsato. Aapjes redden in Afrika, Ali B. werkt mee. Boompjes planten in Mexico, Ali B. reist mee. Campagne voor Rita Verdonk, Ali B. doet mee. Ali B. staat voor Ali Olé, want Ali B. zegt nooit nee.

Men giete deze zes karakters in een cocktailbus, men hussele het zaakje goed door elkaar en men schenke de inhoud in een gekoeld glas en ziet! Voor ons voltrekt zich het contour van een der beroemdste romanpersonages: Don Quichot.

Jazeker. Wanneer we het profiel van de Droeve Ridder ontleden volgens de sjablonen van onze zes media-Marokkanen ontstaat een sprekend beeld.

  1. Don Quichot is hartstochtelijk verliefd op Dulcinea van El Toboso – ‘zo schoon en maagd als moeder Gods’. Niet-aflatend zong hij de lof op haar. ‘Haar schoonheid is bovenaards; ze heeft haren van goud, het voorhoofd is als Elyzese velden; haar wenkbrauwen zijn regenbogen, de ogen zonnen, de wangen rozen, de lippen koraal, parelen de tanden, de halst albast, marmer de borst, ivoor de handen, sneeuw de blanke huid.’ Don Quichots (smartelijke) hartstocht was fanatiek, bovenzinnelijk, mystiek en daardoor nogal compromisloos. Maar de passie is vooral ook, gelijk God, een ingebeelde liefde: Dulcinea bestaat helemaal niet. Althans, niemand heeft haar ooit gezien. Zo ook de God van Mohammed B. Niemand heeft het wetenschappelijk bewijs geleverd voor Zijn bestaan. Het blijft een gevoel, een geloof, een overtuiging – en wie kan hem dat afpakken?

  2. Don Quichot hanteert de taal rijk en mateloos. Hij spreekt alsof het gedrukt staat. Zijn taal is een waterval van poëzie en lyriek. Zijn inspiratie deed hij op in oude ridderromans. Maar achter deze taalvloed loert een gevaar: woordinflatie. Hoe vaak niet, wanneer Don Quichot voor de zoveelste maal een ellenlange (brief)rede houdt, klinkt het gesnurk op van zijn schildknaap Sancho Panza, liggend tegen een boomstam?

  3. Don Quichot is een dolende ridder, een edelman die zijn ‘godgegeven’ opdracht bloedserieus neemt. ‘Het is godgevallig werk het gemene, kwade gespuis van de aardbodem weg te vagen, maagden en weduwen te beschermen en hulpbehoevenden te steunen.’ Hier spreekt het prototype van de idealist, iemand die gelooft in iets groter dan zichzelf, ja, in eeuwige rechtvaardigheid. Zoals in de ridderromans is zijn geest ieder uur vervuld van veldslagen, avonturen en uitdagingen – hoe imaginair ook. ‘Wat jou het scheerbekken van een barbier lijkt, schijnt mij de helm van Mambrino.’ Een fictieve wereld heeft zich in zijn hoofd genesteld. Dus ziet hij een Mariabeeld aan voor een jonkvrouw in nood en trekt hij ten strijde tegen windmolens die hij aanziet voor reuzen en monsters. Een rondzwervende protagonist die met zijn goede bedoelingen maar onpraktische daden zichzelf uiteindelijk belachelijk maakt, hoe vertederend ook.

  4. Ondanks alle engagement, ondanks gebrek aan ieder spoortje van egoïsme, is Don Quichot ten diepste een narcistische persoonlijkheid. Hoe grappig ook, zijn eigendunk en opschepperij zijn grenzeloos. Niet voor niets berijdt zijn tegenspeler annex dienstknecht Sancho Panza een ezel: het rijdier waarmee Jezus zijn intocht deed in Jeruzalem, hét symbool van deemoed en ingetogenheid.

Don Quichot berijdt een wit paard en is voor niets en niemand bevreesd, terwijl elke boer en struikrover op luide toon deelgenoot wordt gemaakt van zijn heldendaden. Hoe megalomaan moet je zijn om te geloven dat je wel eventjes in je eentje (dat wil zeggen met een schraal paard, speer en klein dik schildknaapje) de wereld zal verlossen van alle uitschot?

5.Don Quichot is een komische dwaas, een schertsfiguur. Op elke bladzijde doet hij grijsaards glimlachen en kinderen in geschater uitbarsten door de talloze afranselingen en de doldwaze taferelen. Don Quichot is universele slapstick verpakt als middeleeuwse klucht.

  1. Ondanks alle slagen, tegenslagen en spot raakt Don Quichot nooit gedemoraliseerd. Keer op keer belandt hij op de mestvaalt, schudt dan het hoofd, veegt de smurrie van zijn harnas, staat op en springt met aanstekelijk jeugdige energie op zijn strijdros en draaft de wijde wereld in. Niemand kan de geestdriftige edelman stoppen. Zijn brandstof komt immers van binnen: tomeloos elan, een tomeloze levenslust, zinderend van nietsontziend positivisme en enthousiasme.

Deze karakterelementen van Don Quichot (de opofferingsgezinde Eeuwige Liefde, de taaloverdaad, het roekeloze geloof in een utopisch fictieve wereld, narcistische zelfoverschatting, humor, onuitputtelijk enthousiasme) vormen de Marokkaanse cultuur zoals die vandaag te gelde wordt gemaakt: op het terrein van politiek, religie, literatuur, muziek en entertainment.

De Marokkaanse cultuur als donQuichotrie: is dat kolderiek? Nee, het is broodnodig. In het land van vele fraaie havermolens kunnen er niet genoeg Don Quichots rondlopen.