De Marokkanen van toen

‘Als mensen zouden vragen waar de Molukken liggen en iemand antwoordt Indonesië, dan worden we wel boos.’ Moreno Pieter en Armando Lekatompesy, beiden 21 jaar, zijn zich zeer bewust van hun achtergrond. Dat kan ook niet anders, ze staan voor De Vereniging, het wijkgebouw midden in de Molukse wijk van Moordrecht. ‘Wij weten dat onze opa’s en oma’s iets is beloofd dat Nederland niet is nagekomen’, zegt Moreno. ‘Die geschiedenis is iets wat de hele wijk deelt.’

Het is dit jaar zestig jaar geleden dat de eerste groep van 12.500 Molukkers voet aan Nederlandse wal zette. Aanvankelijk met het plan snel terug te keren naar de pas uitgeroepen onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken (RMS). Maar inmiddels zijn ze toe aan de vierde generatie. Molukkers worden niet als zodanig geregistreerd, maar de schatting is dat Nederland tegenwoordig tussen de veertig en vijftigduizend Molukkers telt. De meerderheid woont buiten de circa zestig Molukse wijken, maar veelal wel in een gemeente met een Molukse wijk.

Het regent pijpenstelen, maar als de zon doorbreekt komt er meteen meer leven op straat in deze wijk in Moordrecht, onder de rook van Gouda. Moreno en Armando steken om de haverklap hun hand omhoog om wijkgenoten te groeten. Een leeftijdsgenoot die passeert, een klein meisje op haar fiets, een gezin dat in de auto voorbijrijdt. Iedereen kent elkaar. ‘Hier weten we veel van elkaar, maar dat vind ik niet erg, want ik heb geen geheimen. Als het maar niet te privé is’, zegt Armando. Hij neemt een trek van zijn joint.
Het zou een willekeurige Hollandse wijk kunnen zijn. Keurig aangeharkt, allemaal dezelfde rijtjeshuizen, rechte straten. Maar wie de buurt binnenkomt ziet gelijk dat dit geen doorsnee wijk is. Er staat een standbeeld ter nagedachtenis van de eerste generatie Molukkers en op de muur van het hoekhuis even verderop siert de Molukse vlag met de foto’s van de eerste generatie die in deze wijk kwam wonen. De wijk bestaat uit een paar straten met bijna 140 huishoudens. Vijftig jaar geleden werden de huizen gebouwd en Molukkers uit voornamelijk kamp Vught vestigden zich hier. 'Ik zie mezelf hier wel oud worden’, zegt Armando.
Volgens Armando kon een blanke vroeger niet eens de post hier rondbrengen: 'Dan was het van: “Ga eens weg hier.” Dat is nu echt niet meer zo. Maar Nederlanders hebben hier niet echt wat te zoeken. Nu zijn het meer mensen die verdwaald zijn of zo.’ Zelf heeft hij ook liever geen Nederlandse vriendin, dat zou een te groot cultuurverschil zijn. 'Ik ga me daar echt niet aan aanpassen. Mijn vriendin is half Moluks, al val ik eigenlijk op blond. Maar ze kwam gelukkig op mijn pad. Ik wil wel als we bij familie zijn, en mijn moeder bezig is in de keuken, dat ze vraagt of ze haar kan helpen. Dat hoort gewoon zo.’ Moreno knikt: 'Een Molukse vriendin is makkelijker, omdat ze de cultuur begrijpt. Het is ook makkelijker communiceren, want we praten thuis Maleis.’

Moreno en Armando behoren tot de derde generatie Molukkers in Nederland. In 1951 arriveerden hun opa’s en oma’s hier nadat twee jaar eerder Indonesië onafhankelijk was geworden. De mannen hadden dienstgedaan in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) en mochten niet gedemobiliseerd worden op de Molukken. Als oplossing werden ze tijdelijk naar Nederland gehaald. Tien jaar later werden de eerste woonwijken gebouwd waar de Molukse gemeenschap zich definitief zou vestigen, hoewel lange tijd bij zowel Molukkers als de Nederlandse overheid het idee van terugkeer bestond. Assimilatie - zoals integratie destijds werd genoemd - had daardoor geen prioriteit. Een reeks gewelddadige acties uit de jaren zeventig schrikte Nederland op. Vooral de twee treinkapingen maakten diepe indruk. In 1975 werden drie personen doodgeschoten bij de kaping bij Wijster. Bij de kaping bij De Punt in 1977 werden de luchtmacht en de marine ingezet om de kapers te overmeesteren. Twee gegijzelden en zes kapers kwamen hierbij om het leven. Hoe verschrikkelijk de kapingen ook waren, het hielp wel de Molukse zaak in een ander daglicht te stellen. Vanaf toen is eigenlijk pas ingezet op integratie.

Maar Molukkers stonden er begin jaren tachtig slecht voor: 85 procent van de Molukkers had een mavo-diploma of lager, bijna het dubbele van autochtonen, en 40 procent was werkloos, tweeënhalf keer meer dan de Nederlandse beroepsbevolking. Een keerpunt voor de sociaal-economische positie was de Gezamelijke Verklaring die de regering in 1986 sloot met Molukse belangenorganisaties: eerste generatie Molukkers ontvingen een jaarlijkse uitkering en een erepenning voor hun inzet voor Nederland - een belangrijke 'goedmaker’ voor de trouwe KNIL-militairen. Bovendien kwam er geld voor een Moluks historisch museum, dat een rol kon spelen in de identieteitsbepaling van de Molukse bevolkingsgroep. Maar belangrijker met het oog op de toekomst was het Duizend-banenplan, dat de Molukse werkloosheid een positieve impuls zou geven door middel van scholing, gegaranderdeerde arbeidsplaatsen en begeleiding van Molukse werklozen. Hoewel men in Den Haag liever geen specifiek minderhedenbeleid meer wilde voeren, gebeurde dit in de praktijk toch, en met succes.

'Inmiddels zijn Molukkers redelijk geïntegreerd in Nederland’, vindt hoogleraar economische sociologie Justus Veenman: 'De eerste generatie integreerde niet. De tweede generatie bestaat uit twee groepen: het oudere deel, veelal volgers van de eerste generatie, meestal niet hier geboren, met een vrij grote afstand tot de Nederlandse maatschappij, waaraan ze moesten wennen. Deze kinderen werden het meest beïnvloed door hun ouders, simpelweg omdat het de eerste kinderen betrof uit vaak grote gezinnen. Ouders droegen vooral op hen de eigen cultuur over. Dan is er nog het jongere deel van de tweede generatie: zij zette een grote stap voorwaarts, door hier naar school te gaan en de arbeidsmarkt te betreden.’
In 1991 bleek uit onderzoek van Veenman dat de achterstand op Nederlandse leeftijdsgenoten niet ingelopen was, maar dat de onderwijspositie van Molukse jongeren wel verbeterde. De verwachting was dat de derde generatie deze opgaande lijn zou doortrekken. Maar dat gebeurde niet, bleek uit Veenmans onderzoek in 2001. 'Het was een enorme verrassing toen de resultaten op mijn computer verschenen. De derde generatie doet het niet slechter dan de tweede, maar er zijn geen verbeteringen.’ 83 procent van de Molukse jongeren krijgt een vmbo-advies, terwijl van de autochtone jongeren ongeveer de helft een dergelijk advies krijgt. Van de Molukkers die geen opleiding meer volgen heeft slechts 36 procent mbo-of hoger, tegenover 67 procent van de autochtonen.

'Geen wonder dat de resultaten tegenvallen’, zegt Henk Smeets, voormalig directeur van het Moluks Museum en co-auteur van In Nederland gebleven, over de geschiedenis van Molukkers in Nederland. 'De verwachtingen die gewekt werden gingen uit van gelijkblijvend beleid, maar de specifieke aandacht verdween. De overheid was veel te snel tevreden na de resultaten van 1991 en daardoor volgden jaren van stilstand. Er is veel te vroeg opgehouden met bijzondere aandacht voor Molukkers. Dat Duizend-banenplan leverde destijds twaalfhonderd structurele banen op voor Molukkers en daarnaast werden anderen gemotiveerd om ook aan de slag te gaan. Dat was een groot succes.’

In de Molukse wijk in Moordrecht komt leerkracht Okkie Joseph aanfietsen, ze heeft net boodschappen gedaan voor het weekend. Joseph werkt op basisschool De Rank, waar veel kinderen uit de wijk naar school gaan. Ze gaf les aan groep vier, nu aan de kleuterklas. 'Op hun leeftijd zie je het verschil nog niet goed, maar wat ik wel weet is dat de meeste Molukse leerlingen een vmbo-advies krijgen, meer dan Nederlandse jongeren. De vervolgstudie na het vmbo is vaak moeilijk, omdat ze dan niet precies weten wat ze moeten doen. Als het ze niet bevalt dan stoppen ze ermee. De uitval is groot en veel jongeren gaan dan niet verder.’
Moreno herkent dat: 'Ik deed eerst detailhandel, maar zag mezelf niet op mijn veertigste nog in een winkel werken. Nu doe ik bouwkunde, daarmee kun je veel meer. Maar dat is wel de reden dat veel jongeren stoppen met hun opleiding: je moet wel een goede keuze maken en dat is best moeilijk. Dan gaan ze werken en is het moeilijker om weer te gaan studeren.’
Okkie Joseph vindt het niet erg dat veel Molukse jongeren vmbo doen: 'Als ze daarna een baan vinden is het geen probleem.’

Maar ook dat is lastig. Hoewel Molukse jongeren een vergelijkbare werkloosheid hebben in vergelijking met autochtone jongeren, werken ze vooral in kwetsbare sectoren en in tijdelijke banen. 'Die vliegen er als eerste uit bij een recessie’, aldus Augustien Souisa, directeur van het Landelijk Steunpunt Educatie Molukkers. Door de kritiek die volgde op Veenmans onderzoek herhaalde het LSEM het op regionaal niveau, maar kwam tot vergelijkbare conclusies. Souisa bestrijdt dat scholen toegerust zijn om de onderwijsachterstanden aan te pakken, zoals de overheid beweert. 'Wij zijn niet tegen een algemeen beleid, maar vinden wel dat daarbinnen specifiek beleid nodig is. Hoe klein en 'vernederlandst’ de groep ook is, culturele achtergrond is en blijft altijd een belangrijke component. Want vaak wordt gezegd: “Wij zijn geen allochtonen, geen Nederlanders, maar Molukkers.” Docenten zeggen dat ze geen last hebben van Molukse leerlingen, maar dan hebben ze het over ordeproblemen en niet over onderwijsproblemen. Er is vooral een taalprobleem. Communicatief gaat het prima, maar begrijpend lezen blijkt moeilijk. Wij willen scholen daar op attenderen, want een vmbo-advies is prima, maar niet voor zo'n grote groep.’
Ook het LSEM ontkomt niet aan de plannen van het huidige kabinet en staat op de lijst om in 2014 wegbezuinigd te worden, tot grote spijt van Souisa: 'Men kijkt niet naar wat het oplevert, maar naar wat het financieel kost. Je hebt een instituut nodig dat problemen onder de aandacht brengt. Molukkers vallen niet op in de klas en verdwijnen straks in de grote massa.’ Om dat te voorkomen stemde de Tweede Kamer eind juni in met een motie voor het behoud van de expertise van het steunpunt. Veenman pleit ervoor dat iemand op school rondloopt die de achtergrond van de groep kent: “Het is vaak een stille lieve minderheid op school. Er wordt gedacht: 'Als wij geen problemen met ze hebben, zullen ze geen problemen hebben.’”

Toch kan de schuld van achterblijvende integratie niet alleen bij de overheid gelegd worden, vindt de socioloog: 'Door de gespannen sfeer op de Molukken eind jaren negentig werd de derde generatie zich bewust van hun achtergrond en raakte ze teleurgesteld in de Nederlandse reactie. Ze keerde zich af van de Nederlandse samenleving en dit uitte zich in schoolverlaten. Maar ook de cultuur speelt een rol. Soms wordt zelfs een lager niveau gekozen dan het schooladvies, om bij vriendjes in de klas te komen. Anderen houden je zo tegen in je succes. Men is wel trots als je aan de universiteit studeert, maar tegelijkertijd val je wel een beetje buiten de groep.’

Rein Sohilait van kennisinstituut van multiculturele vraagstukken FORUM is juist enthousiast over hoe het met Molukkers gaat en vindt dat de rol van de overheid wordt overdreven. 'We hebben lang genoeg naar de overheid gekeken. Dan zeg ik: nee, we zijn sterk genoeg om het gezamenlijk te doen.’ Hij ziet de toekomst van Molukkers rooskleurig in: 'Bezuinigingen houd je niet tegen. Ik vind dat we op een kruispunt staan om zelf verantwoordelijk te worden en niet steeds in die afhankelijkheidspositie moeten blijven. Natuurlijk zijn er problemen, maar daar moet je niet uitsluitend de focus op leggen. We denken teveel in het oude stramien van werk en school als graadmeter voor integratie. De focus moet ook op positieve ontwikkelingen gelegd worden. Er zijn Molukkers vertegenwoordigd in de film, theater, ondernemingen en sport.’

En in de muziek. Anaïs de Jong (19 jaar en twee Molukse ouders) wacht op een stoeltje voor zij het podium van het Openluchtmuseum in Arnhem kan betreden. Nu treedt daar Massada op, de Molukse band die in 1980 een nummer-één-hit scoorde met Sajang é. Anaïs zal zingen op deze dag die in het teken staat van de zestigjarige aanwezigheid van Molukkers in Nederland. Toen ze de Molukken bezocht, moest ze huilen: 'Omdat ik weet dat daar mijn oorsprong ligt.’ Toch voelt ze zich niet met iedere Molukker verbonden: 'Molukse jongeren uit de wijken zijn slim, maar lui. Hun mentaliteit is niet goed. Niet alleen op school, maar in het algemeen. Ik ken iemand van achttien die bij Ajax speelde, maar die er met de pet naar gooide. Jongeren in de wijken denken dat de wijk de wereld is en ze kijken niet verder. Ik ben een stadsmens en redelijk vrij opgevoed. Ik heb niet eens Molukse vrienden. Als ik in een Molukse wijk kom voel ik me buitenstaander. Het is net een dorp, zo'n wijk.’

Rein Sohilait van FORUM ziet ook een verschil tussen binnen en buiten de wijken. Hij deelt de conclusies van Veenman slechts gedeeltelijk. 'Zijn onderzoek richt zich vooral op jongeren in de wijken, een homogene groep met veel uitval en vmbo-adviezen. Maar dat schiet tekort. Want wat is de meetlat: derde generatie jongeren in de wijken of van buiten de wijken en gemengde gezinnen? En dan nog: de jonge lichting van de tweede generatie, geboren en opgegroeid in kampen en woonwijken, hebben het goed gedaan.’ Veenman wijst erop dat zijn onderzoek wel degelijk betrekking heeft op jongeren van buiten de wijken, maar kent de kritiek op zijn onderzoek: 'Die komt meestal van mensen die zeggen: “Kijk naar mij. Ik studeer en mijn vrienden ook.”’

De ontwikkeling van Molukkers in Nederland is ook interessant met het oog op andere migrantengroepen, waar Molukkers een generatie op voorlopen. Tweede Kamerlid Coscun Cörüz (CDA) waarschuwde in 2001 al voor een vergelijkbare trend bij derde generatie Turken en Marokkanen. Henk Smeets wordt er nog steeds boos over dat Jozias van Aartsen - als directeur-generaal nota bene betrokken bij het succesvolle Duizend-banenplan - als minister zich niets van die aanpak herinnerde toen het over Marokkanen ging: 'Hij zei dat we hard moesten optreden tegen Marokkanen, net zoals we bij Molukkers hebben gedaan. Onzin. Bij de treinkapingen wel, maar verder werd de Molukse gemeenschap als geheel juist niet verantwoordelijk gehouden.’
Net als Smeets pleit Justus Veenman voor specifiek beleid. 'Leer van het succes’, zegt de socioloog. Molukkers zijn bijna niet vertegenwoordigd in het hoger onderwijs, terwijl daar veel Turken en Marrokanen te vinden zijn. Maar in de staart is juist heel veel uitval bij die groep, waardoor zij het uiteindelijk slechter doen dan Molukkers.

Veenman: 'Niets doen zorgt voor problemen. Dat Duizendbanen-plan werkte uitstekend. Nu vormen Marokkanen problemen, dus waarom niet toepassen op die groep? Volgens Smeets zijn er duidelijke paralellen tussen de beeldvorming van Molukkers van toen en jonge Marokkanen van nu: 'Sla de kranten van de jaren zestig en zeventig open en je ziet grote overeenkomsten. Waar vroeger 'RMS’ stond, staat nu 'islam’.


Kader

Geschiedenis Molukkers: ieder volk recht op vrijheid?
In het begin van de zeventiende eeuw legden VOC-schepen aan in de Molukken, een groep van circa duizend eilanden in het oosten van het tegenwoordige Indonesië. Vanaf het eind van de negentiende eeuw groeide het aantal Molukkers dat dienst deed in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Toen Nederland in 1949 de soevereiniteit aan de Verenigde Staten van Indonesië overdroeg, moest het koloniale leger opgeheven worden. Inheemse militairen wilden gedemobiliseerd worden op Ambon, het belangrijkste eiland in het gebied waar in 1951 de Republiek der Zuid-Molukken uitgeroepen was. Getrainde militairen demobiliseren in een gebied dat zich net had afgezet tegen Indonesië - dat wilde president Soekarno niet. Hoewel Nederland aanvankelijk het 'zedelijk en juridisch’ als haar plicht zag om 'Ambonezen terug te voeren naar Ambon’, werd besloten Molukse KNIL-militairen tijdelijk naar Nederland te halen.
Zo vertrokken 3500 militairen met hun gezinnen richting Nederland. Volgens de Nederlandse regering vrijwillig, volgens de Molukkers niet. Bij aankomst kregen de militairen om dubieuze redenen ontslag.
De families werden gehuisvest in woonoorden, waaronder voormalig concentratiekampen. De Zelfzorgregeling, waarbij Molukkers in hun eigen onderhoud moesten gaan voorzien, en de overgang van de woonoorden naar woonwijken waren belangrijke stappen voor integratie. Maar de situatie op de Molukken verbeterde niet: de RMS werd in Den Haag 'een illusie’ genoemd, RMS-president Soumokil werd vermoord en veel Molukse jongeren waren werkloos vanwege de economische crisis in de jaren zeventig. Extra pijnlijk was de toespraak van koningin Juliana die bij de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 zei dat 'ieder volk recht heeft op haar vrijheid’.
Al deze spanning leidde tot een reeks gewelddadige acties door Molukse jongeren. Bij zowel de bezetting van de ambtswoning van de Indonesische ambassadeur als het Indonesische consulaat in Amsterdam, viel een dode. Bij de bezetting van het provinciehuis in Assen werd een ambtenaar geëxecuteerd. Na de kaping bij Wijster volgde een andere kaping bij De Punt, waarbij tegelijkertijd in Bovensmilde kinderen en onderwijzers werden gegijzeld in een basisschool.
Deze acties hadden tot gevolg dat de Nederlandse regering en Molukse inspraakorganen beter gingen samenwerken. Vooral met de Gezamelijke verklaring werd voor het eerst de blik echt op integratie gericht.
De strijd voor een onafhankelijk RMS wordt sinds de dood van Soumokil in 1966 vanuit Nederland geleid door de RMS-regering in ballingschap, die vorig jaar nog een staatsbezoek van de Indonesische president Yudhoyono aan Nederland wist te voorkomen.