E.L. Doctorow, The March

De mars naar het beloofde land

E.L. Doctorow

The March

Little, Brown, 365 blz., e 18,50

De eerste roman over de Amerikaanse Burgeroorlog – die bloedige strijd tussen 1860 en 1865 tussen het abolitionistische Noorden en de Zuidelijke slavenstaten – werd geschreven door de jonge journalist Stephen Crane (1871-1900). Zijn antiheroïsche roman The Red Badge of Courage (1895) is nog altijd een hoogtepunt in de historisch bewuste afdeling van de Amerikaanse letteren. De boerenjongen Henry Fleming komt in de hel van de veldslag terecht zonder echt te weten waar het om draait. De oorlog is dodelijke chaos, stierlijke verveling, besmettelijke ziekte. De soldaat is «een getergd dier» gedreven door «moordlustige woede». Hij is geen man maar een radertje in een regiment, een leger, een zaak of een vaderland in crisis. «Hij ging op in een collectieve persoonlijkheid die door één enkel verlangen werd beheerst. Heel even kon hij evenmin vluchten als een pink in opstand kan komen tegen een hand.»

William Faulkner heeft met zijn briljante verhalenbundel The Unvanquished (1938) het zijne bijgedragen aan de ontluistering van oorlogsheldenverhalen. In zijn literaire universum is de verwoestende militaire plundermars van de noordelijke generaal Sherman dwars door Georgia, South en North Carolina ook een soort tocht uit Egypte op weg naar het Beloofde Land. Want achter de marcherende soldaten volgen de bevrijde slaven, in de hoop dat ze de weg naar de Jordaan, naar het Noorden, naar de vrijheid zullen vinden. Als volgzame, onzekere kudde laten ze zich in het water van een woest stromende rivier vallen: «De beweging, de impuls om te bewegen die onder zijn mensen al naar het hoofd was gestegen, donkerder dan zijzelf, redeloos, een volgen en najagen van een waan, een droom, een klare vorm die hun niet bekend kon zijn omdat er niets was in hun erfgoed, niets in hun herinnering zelfs van de oude mannen om tegen de anderen te zeggen: ‹Dat is wat we zullen vinden.›»

Met zijn roman The March voegt E.L. Doctorow zich welbewust en zelfverzekerd in deze traditie van Crane en Faulkner, inclusief Mozes die zijn volk uit het onvrije Egypte leidt. Dankzij Doctorows voorliefde voor het mengen van historische feiten en fictie kan de lezer in de huid en in het hoofd kruipen van generaal Sherman en ook van nabij de moordaanslag op president Lincoln meemaken, op 14 april 1865 in Washington. De roman is een schitterend mozaïek van vertelperspectieven en levert een veelzijdig beeld op van door de Burgeroorlog ontwortelde en op drift ge raakte Amerikanen. Vanuit een reeks personages van laag tot hoog krijgt de roman gestalte: onder vele anderen de veertienjarige Pearl Jameson (kind van een plantage-eigenaar en een slavin), de militaire chirurg te velde kolonel Wrede Sartorius (zijn achternaam is een knipoog naar de Sartoris in The Un vanquished), de dochter van een zuidelijke rechter Emily Thompson, de zuidelijke schlemielsoldaten Arly en Will, de New Yorkse soldaat Stephen Walsh, de Britse journalist Hugh Pryce en de zwarte fotograaf Calvin.

Historici hebben de Amerikaanse Burgeroorlog omschreven als de eerste mo derne oorlogvoering, dat wil zeggen «toen de wapentechnologie belangrijker werd dan de moed van mensen» (Doctorows essay Standards in Poets and Presidents: Selected Essays 1977-1992, 1993). De oorlog betekende niet het zingen van het soldateske strijdlied van de Republiek aan de vooravond van de veldslag, maar een angstig memento mori over dauw boven stille en lege velden en lood dat als «sissend licht» wordt gezien. De journalist Hugh Pryce, die getuige is van de militaire mars onder leiding van Sherman, klimt in het heetst van de strijd op het verkeerde moment in de verkeerde boom midden op het slagveld. Zijn laatste gedachte voordat hij sneuvelt: «Dit was geen oorlog als avontuur, geen oorlog voor een heilige zaak, een ideaal of morele overtuiging. Het was alsof God deze karakterloze verstrengeling van hersenloze krachten had verordonneerd als zijn antwoord op de menselijke pretenties.»

The March speelt zich af tussen november 1864 en half april 1865 en eindigt met het samenvallen van de moord op Lincoln met de overwinning van de Yankees (de Unie) op de Rebs (de Confederatie). De filmische vaart in de roman begint al bij de eerste zin, wanneer een paniekerig lid van de plantersfamilie Jameson tijdens de dageraad waarschuwt voor het marcherende leger van Sherman dat vanuit het ge plunderde en vernietigde Atlanta nadert. Die vaart weet Doctorow bijna het hele boek te handhaven (alleen aan het einde vertraagt de schrijver opzettelijk), ook omdat hij de chaos van de burgeroorlog vormtechnisch verbeeldt door steeds snel van perspectief te wisselen – hij schiet dwars door de maatschappelijke machtsverhoudingen heen – zonder dat de narratieve stroom stokt of uiteenvalt in losse fragmenten. Bovendien is er de metaforische eenheid van het marcherende leger van Sherman, dat hij als een losgeslagen wereld vol zenuwen, paniek, gekte, verlangen en doodsangst omschrijft. Rechtersdochter Emily Thompson, later verpleegster en kortstondig liefje van de kille en fanatieke medische wetenschapper Sarto rius, ziet de marcherende mensenmassa zo: «Maar veronderstel dat we meer een niet-menselijke vorm van leven zijn. Stel je een groot opgesplitst lichaam voor dat zich inkrimpend en uitdijend beweegt met een snelheid van vijftien of twintig kilometer per dag, een schepsel met honderdduizend voeten. Zijn wezen is kokervormig met tentakels naar de wegen en bruggen waarover het trekt. Zijn mannen op paarden zendt hij uit als antennes. Het verteert alles op zijn pad. Het is een immens organisme, dit leger, met kleine hersentjes.»

Over die beperkte herseninhoud – of de smalle, toevallige marges tussen dood en leven, de minimale manoeuvreerruimte van welke Amerikaan ook tussen 1860 en 1865 – gaat The March. Iedereen wordt meegesleurd, de lezer incluis, tot en met een op slimme wijze bedachte moord aanslag op de ijdele generaal Sherman als die zichzelf, met zijn staf, wil laten vereeuwigen op een foto.

Doctorow beheerst zijn historische stof tot in de vingertoppen van zijn schrijfhand. De narratieve stroom blijft overheersen, en toch wordt elk personage emblematisch zonder plat of schematisch te zijn en weerspiegelt die al handelend op subtiele wijze een maatschappelijk wankele positie. Want iedereen is op drift in The March. Niets ligt vast: het verleden is een spoor van vernieling en vernedering, de toekomst nog een zwart gat met mogelijkheden.

De zwart-blanke Pearl en de van oorsprong Ierse soldaat Stephen Walsh, zoon van dronkaards, grootgebracht in de New Yorkse straten en stegen en onderwezen door de jezuïeten, vormen de hoopvolle kern van dit narratieve wonder. Er lijkt een beschermende wolk boven hen te hangen (de onzichtbare schrijfhand van Doctorow?). Hun weg leidt naar New York en naar Washington Square, waar Pearl een brief wil afleveren bij een adres waar familie van een van haar soldatenbeschermers woont. Pearl vormt de tastbare schoonheid van het naast en door elkaar heen leven van de rassen. Geen scheiding maar vermenging is de oplossing. De negentienjarige Stephen Walsh is hopeloos verliefd op de veertien- of vijftienjarige Pearl Jameson: verpleegster, «jongens»trommelaar voor de Unie-troepen, licht uitgevallen dochter van een slavin en een plantagehouder.

Maar The March heeft niets van een Lolita-verhaal. Waar gaat het wel om? Stephen Walsh mijmert, hij «marcheerde al maanden mee, en het feit van negers met een lichte huid verbaasde hem al niet meer. In dit vreemde land zuidwaarts waren de slaven na generatielange afschuwelijke voorvallen niet langer simpelweg zwart, ze waren blank geschakeerd. Ja, dacht hij, als het Zuiden zou zegevieren, brak er in theorie een tijd aan dat blankheid alleen de identiteit van een vrij mens niet zou garanderen.»

E.L. Doctorow, schrijver van klassieke historische romans als Ragtime (1975, over ontsnappingskunstenaar Harry Houdini), Loon Lake (1980, over de Amerikaanse De pressie in de jaren dertig) en Billy Bathgate (1989, over het Chicago-gangsterdom in de tijd voor de Tweede Wereldoorlog), blijft een briljante literaire jongleur met feit en fictie. Philip Roth schreef met The Plot against America een mógelijke en verontrustende geschiedenis van de Verenigde Staten tussen 1939 en 1942; Doctorow laat met zijn roman The March zien dat de Amerikaanse geschiedenis nog steeds ongekende mogelijkheden biedt voor schrijvers die er niet voor terugschrikken beroemde historische figuren als Sherman en Lincoln ondergeschikt te maken aan fictie, met als bedoeling via die vorstelijke omweg een nieuw en hoopvol licht te werpen op, in dit geval, de Amerikaanse Burgeroorlog.

Dat is Doctorow gelukt, en hoe.