De massamoordenaars van algerije

HET HUIDIGE geweld in Algerije lijkt ongrijpbaar omdat de moordaanslagen er een wreedheid hebben bereikt die zich niet meer in woorden laat uitdrukken. De publieke opinie is verbijsterd en niet in staat een verklaring te vinden voor de gewelddaden. Wat zijn er de oorzaken van, wie zijn de daders, hoe is het geweld ontstaan en hoe plant het zich voort? Deze vragen beantwoorden binnen het bestek van een kranteartikel is geen sinecure, vooral omdat het verstand weigert te begrijpen dat mensen tot dergelijke excessen in staat zijn.

In feite is de huidige toestand het resultaat van een langdurige politieke ontaarding - verwachtingen die zijn beschaamd, woede die geen uitlaat kon vinden en conflicten die niet tot een oplossing werden gebracht. De regeringen die elkaar zijn opgevolgd hebben eigenhandig Algerije aan de rand van een algehele explosie gebracht door voor de oppositie alle deuren te sluiten en door elke impuls tot vrij denken en creativiteit in de kiem te smoren.
Het geweld is niet pas begonnen met de afzetting van president Chadli door het leger op 11 januari 1992, gevolgd door het afbreken van de parlementsverkiezingen, twee dagen later, waarmee het fundamentalistische Front Islamique du Salut (Fis) van zijn overwinning werd beroofd. Eerder is het zo dat dit afbreken van de verkiezingen, spoedig gevolgd door de ontbinding van het Fis in april 1992, de confrontaties die al tientallen jaren gaande waren, tot een ongekend peil heeft opgestuwd.
Geweldsuitbarstingen zijn in de geschiedenis van het onafhankelijke Algerije schering en inslag, zoals de aanvallen van commando’s van fundamentalistische islamieten op meisjes met minirokken, eind jaren zestig, de gevechten tussen studentenfacties in 1975, het gewelddadige treffen tussen de Berberbeweging en de politie in 1980, de bloedige fundamentalistische guerrilla in de streek rond Algiers tussen 1982 en 1987, tot en met de in bloed gesmoorde volksopstand van oktober 1988, halverwege de jaren tachtig voorafgegaan door demonstraties in Constantine en Setif (in het oosten van het land). In feite is Algerije vanaf de onafhankelijkheid in 1962 gekenmerkt geweest door geweld, soms openlijk, soms sluimerend en bedekt.
DE OPKOMST van het islamitisch fundamentalisme aan het eind van de jaren zeventig gaf vanaf 1989 aan het bestaande geweld een heel nieuwe dimensie. De druk van uiteenlopende aard waaraan de bevolking blootstond werd eind jaren tachtig snel groter, terwijl de geweldsuitbarstingen een almaar bloediger wending namen, met de verbreiding van gewapende overvallen, bomaanslagen in volkswijken, massaslachtingen. Bij de al bestaande staatsrepressie voegde zich nu ook het moorddadige radicalisme van de fundamentalisten, die het niet alleen op de machthebbers hadden gemunt maar op alle politieke groeperingen die hun wereldbeeld niet deelden. De fundamentalisten zijn ervan overtuigd dat er maar één methode is die tot succes leidt: de macht gewapenderhand veroveren en die vervolgens met dictatoriale middelen handhaven.
Eind jaren zeventig werd een eerste fundamentalistische guerrilla op touw gezet door onder anderen Mahfoud Nahnah, de huidige leider van de zogeheten ‘gematigde’ partij Hamas, die ten zuiden van Algiers verschillende sabotageacties organiseerde. In 1980 gingen fundamentalistische studenten gewapend met messen en bijlen universitaire docenten te lijf, waarbij tientallen gewonden vielen. Hun eerste dodelijke slachtoffer was de student Amzal, die werd vermoord op de campus van de Universiteit van Alger.
Twee jaar later, in 1982, nam het geweld opnieuw de overhand. Mustapha Bouyali richtte in het achterland van Algiers een tweede ondergrondse terreurorganisatie op, het MIA (Mouvement Islamique Armé). Aan het optreden van deze groep, ondersteund door de fundamentalistische leiders die in de openbaarheid waren getreden tijdens een opmerkelijke demonstratie in het centrum van Algiers in 1982, kwam pas in 1987 een eind met de dood van hun commandant en de arrestatie van verschillende luitenanten, die zich trouwens na hun vrijlating in 1989 onmiddellijk weer aansloten bij het gewapende verzet.
DEZE NIET AFLATENDE strijd werd in de hand gewerkt door de macht van de eenheidspartij. Deze eenheidspartij, gedomineerd door het Front de Libération Nationale (FLN), legde de maatschappij een vorm van totalitarisme op waarin zelfs maar de gedachte aan politieke oppositie uitgesloten was. Dat deed niets af aan het feit dat die eenheidspartij zelf bestond uit verschillende clans met uiteenlopende maar in het openbaar nooit tot uiting gebrachte belangen. Afhankelijk van de politieke conjunctuur werden deze facties ertoe gedreven steun te zoeken bij onderdrukte maar niettemin bestaande tendensen in de samenleving. Zo heeft het regime van president Chadli Benjedid herhaaldelijk het politieke islamitische fundamentalisme getolereerd of gemanipuleerd, met de bedoeling de eigen tegenstanders binnen het FLN of andere oppositionele stromingen in de samenleving te verzwakken.
De confrontatie van het Chadli-regime met de fundamentalisten zou zich vanaf 1989 in het voordeel van de laatsten ontwikkelen. De sociaal-economische neergang stortte het land in een diepe crisis en diskrediteerde het FLN nog verder, zodat de meerderheid van de Algerijnen van dat regime vervreemd raakte. Het islamitisch fundamentalisme, dat financieel gesteund werd door de Golfmonarchieën en zijn basis heeft in de stedelijke middenstand (de bazaarbourgeoisie), was de enige dissidente politieke beweging die zijn stem kan laten horen, dankzij de om en nabij tienduizend moskeeën. Het slaagde erin steeds grotere delen van de bevolking aan zich te binden (in het bijzonder de minderbedeelden uit de zogeheten stedelijke armoedegordels), die weerloos stonden tegenover de economische recessie, de repressie, de onrechtvaardigheid en de dagelijkse inbreuken op de mensenrechten. Folteringen door het leger en de veiligheidsdiensten, om alleen dit saillante aspect te noemen, vonden sinds de volksopstand van oktober 1988 stelselmatig en op grote schaal plaats.
Deze nieuwe aanwas vertienvoudigde de steun aan het in 1989 opgerichte Fis. De posities van de fundamentalistische beweging ondergingen daarop een algehele radicalisering. Toen de macht binnen handbereik leek, verrieden de fundamentalisten hun machtshonger, stapelden ze eis op eis en actie op actie, en lieten ze vooral zien dat ze vastbesloten waren de macht met niemand te delen. De president van het Fis, Abassi Madani, zei al in 1989: 'Een democratie waarbinnen een verkozene in strijd kan zijn met de islam, de charia'a, zijn leerstellingen en zijn waarden, accepteren wij niet.’
Fis-voorman Ali Benhadj hield een jaar eerder een nog feller betoog, dat al een voorafschaduwing was van wat later de gewapende strijd zou worden: 'Het meerpartijenstelsel is onacceptabel omdat het voortkomt uit een westerse visie. Als het communisme zich politiek uit, als het berberisme en alle andere stromingen zich politiek uiten, dan wordt ons land een arena van botsende ideologieën die in strijd zijn met het geloof van ons volk. Democratie bestaat niet, omdat niet het volk de bron van alle macht is, maar Allah, middels de koran. Als het volk tegen de Goddelijke wet stemt, dan is dat niets anders dan godslastering. In dat geval moeten die ongelovigen gedood worden, en wel om de eenvoudige reden dat ze hun gezag in de plaats van het Goddelijke gezag willen stellen.’
EEN VAN DE OORZAKEN van de geweldsescalatie ligt in het feit dat de aanhang van het Fis, met inbegrip van zijn leiders, vrijwel uitsluitend uit extremisten bestaat. Maar een andere oorzaak is dat het Fis wordt opgejaagd door zijn volkse achterban, gerekruteerd uit de bewoners van de armoedewijken en de leden van de verpauperde middenklasse, die de gevolgen ondervonden van de economische herstructureringen ontworpen door internationale financiële instellingen en uitgevoerd door een regime dat was aangevreten door corruptie en verspilling. De betogen van het Fis prikkelden de jongeren, zelfs al werden daarbij andere bevolkingsgroepen, vrouwen bijvoorbeeld, op hardhandige wijze hun plaats gewezen. 'De vrouw produceert mannen, zij produceert geen materiële goederen’, zegt Ali Benhadj. 'Het staat wetenschappelijk vast dat een vrouw onmogelijk loonarbeid kan verenigen met haar vrouwelijke verplichtingen. (…) Ik herhaal dat de vrouw thuis moet blijven en de mannen moet opvoeden.’
Het doelwit van de brute aanslagen was dus van het begin af aan de samenleving als geheel. Ongeregelde gewapende groepen, geleid door een van de Fis-leiders, El Hachemi Sahnouni, doken op en pleegden aanslagen op plekken waar alcohol werd verkocht, op het milieu van showbusiness en muziek, op vrouwen, op jonge stellen, op leraren, ja zelfs de moskeeën werden niet gespaard, omdat het Fis in een zo groot mogelijk aantal godshuizen eigen predikers probeerde te plaatsen en collectes te organiseren voor het vergaren van fondsen. Intolerantie, dikwijls gepaard aan geweld, greep om zich heen. In 1989 werd een vrouw die men ervan beschuldigde dat ze een prostituee was, samen met haar baby levend verbrand in haar huisje in een arme wijk van de stad Ouargla in de Sahara. In 1990 deden zich tijdens de ramadan veelvuldig incidenten voor. Alger, Blida, Tlemcen, Bou Saada en Ghardaïa werden erdoor getroffen.
De autoriteiten lieten de situatie op haar beloop, al wijdde de regeringsraad op 16 april een vergadering aan het geweld. Wisten de inlichtingendiensten van Chadli dat het Fis al vanaf 1990 bezig was clandestien gewapende eenheden op te richten? Waarschijnlijk wel, want de schaal waarop het gebeurde was te groot om geheim te blijven. Bovendien doken tijdens de Golfoorlog paramilitaire gevechtseenheden op in door de fundamentalisten georganiseerde betogingen. Onder het voorwendsel van hulpverlening aan het Iraakse volk vroeg het Fis openlijk om wapens en trainingskampen.
TEGELIJKERTIJD voerde het Fis met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen de druk nog verder op. Een spreekwoord zegt dat 'Algerijnen altijd gaan staan naast de muur die niet omvalt’. Het Fis deed er alles aan om over te komen als de sterkste muur. Die strategie slaagde. Het FLN stortte in. De verkiezingen van juni 1990 brachten in meer dan de helft van de gemeenten en meer dan tweederde van de wilaya’s (departementen) de orthodox-islamitische partij aan de macht.
'Het Fis’, schrijft de Algerijnse socioloog Lahouari Addi, 'raakte toen verdeeld over de vraag of de institutionele legaliteit gerespecteerd moest worden en deelname aan de beoogde vervroegde parlementsverkiezingen moest worden nagestreefd. De activisten (de stroming achter Ali Benhadj), hadden haast om korte metten te maken met het regime. Al ruimschoots voor de verkiezingen van december 1991 en dus voor de ontbinding van het Fis in april 1992 hadden zij aanslagen gepleegd. Zij beschouwden verkiezingen als een valstrik om het Fis van de macht af te houden en meenden dat de macht met geweld veroverd moest worden.’
De 856 gemeenten die het Fis in juni 1990 binnenhaalde, waren een krachtige hefboom voor het creëren van een autonome paramilitaire strijdmacht. Vanaf dat moment zou het Fis trachten alle deelnemers aan het politieke spel door angst te verlammen. Daartoe breidde het de aanvallen op andere politieke partijen uit. 'Ik respecteer noch de wetten, noch de partijen die de koran niet volgen. Ik vertrap ze onder mijn voeten. Deze partijen moeten het land verlaten. Ze moeten worden weggevaagd’, aldus Ali Benhadj tijdens een meeting in Kola.
El Hachemi Sahnouni deed er tijdens een meeting in Setif nog een schepje bovenop: 'Ingeval we bij de volgende parlementsverkiezingen de meerderheid halen, heffen we de grondwet op, verbieden we de partijen van ongelovigen en socialisten, passen we ogenblikkelijk de charia'a toe en zetten we de president van de republiek het land uit.’
VERTROUWDE straattaferelen deden zich voor tijdens de politieke staking van juni 1991, aan de vooravond van de presidentsverkiezingen (die vervolgens tot december zouden worden uitgesteld). Aanleiding voor de betogingen was de herziening van de verkiezingswetten waarmee regeringsleider Hamrouche hoopte het tij te keren ten gunste van het nog altijd danig aangeslagen FLN. Het Fis eiste, tegenstrijdig genoeg, vervroegde presidentsverkiezingen en tegelijk de onmiddellijke vestiging van een 'islam-republiek zonder stemrecht’, de voornaamste leus van de betogers, die bij duizenden dagen achtereen de straten en centrale pleinen van de grote steden bezetten. In feite waren de betogingen een poging van het Fis de macht te grijpen via de weg van de volksopstand.
Toen greep, tegen de wens van de president van de republiek en de heersende Chadli-clan, het leger in, verwijderde de opstandelingen en zette staatshoofd Hamrouche af, die werd vervangen door Ghozali. Tot uitstel van de verkiezingen (met twee of drie jaar) zou al op dat moment zijn besloten, ware het niet dat de Chadli-clan een alliantie met de fundamentalisten beoogde. Deze oplossing, geënt op het Soedanese model, onthulde Chadli trouwens pas na de verkiezingen door te verklaren dat hij bereid is tot een zogeheten cohabitatie met Abassi Madani.
Na die mislukte poging de macht te grijpen begon het eenheidsfront van het Fis barsten te vertonen. Verschillende leiders die de politieke staking veroordeelden, trokken zich terug. Arrestaties volgden, eerst van zeven voormannen, onder wie Abassi Madani en Benhadj, later van nog eens tweeduizend personen uit het middenkader van de partij. Binnen de gelederen van de fundamentalisten ontstond grote verwarring. Aangezien het Fis geen gewone politieke partij was maar een waar moeras van vaak concurrerende, soms vijandige stromingen die alleen door het perspectief van de machtsovername bijeen werden gehouden, raakte na de mislukking van de staking en het vacuüm dat na de gevangenzetting van de Fis-leiders ontstond, de beweging ernstig gedesintegreerd, waardoor ze van de weeromstuit veel gevaarlijker werd. De radicaalste facties, waarvan veel militieleden en oud-leden van de paramilitaire sekte El Hidjra ou Tekfir ('Verbanning en Verlossing’) deel uitmaakten, doken opnieuw onder in de clandestiniteit. Algerije raakte verzeild in een gewapend conflict. Overvallen op steengroeven met het doel explosieven te bemachtigen werden in de zomer van 1991 afgewisseld met bloedige aanvallen, zoals die op een legerkazerne in Guemmar, vlakbij de Tunesische grens.
HET CONFLICT verscherpte zich meer en meer. Waren de aanslagen in eerste instantie nog gericht tegen de handhavers van de openbare orde, de situatie zou al snel escaleren met de aanslag, op 26 augustus 1991, op de vlieghaven van Alger, georganiseerd en uitgevoerd door het MIA. Voorjaar 1992 kondigden pamfletten massale betogingen van de bevolking aan, die 'korte metten zullen maken met het bewind van de taghout (tirannen)’. Maar omdat het verstoken was van zijn leiders, slaagde het Fis er zelfs niet in de militante fundamentalisten te mobiliseren.
Op straat greep de angst voor geweldsuitbarstingen om zich heen nadat gewapende groepen van het Fis aanslagen pleegden op verkeersagenten, op families van politieagenten en militairen, en op employés en functionarissen van het ambtenarenapparaat. Vanaf begin 1993 was het de beurt aan intellectuelen, journalisten en academici. De kring van 'collaborateurs’ en andere 'staatsverklikkers’ breidde zich van maand tot maand uit. En omdat Algerije een land is waar de staatssector ongeveer tachtig procent van de economie omvat, werden steeds meer bevolkingscategorieën het doelwit van het Fis. Elk gezin, ook de gezinnen van Fis-militanten, telt op zijn minst één persoon die bij een gouvernementele organisatie of staatsbedrijf werkt. De slachtoffers werden aangetroffen met afgesneden hals of met een of twee kogels in het hoofd.
Een deel van het leiderschap van het Fis zag de gevaren van een dergelijke krankzinnige moordzucht pas laat in. Toen in september 1993 de Arme Islamique du Salut (AIS) werd opgericht, was het al te laat. Het MIA en het GIA (Groupes Islamiques Armés, een afsplitsing van het MIA) hebben dan al zo veel ravages aangericht dat de bevolking zich tegen het Fis keert, dezelfde bevolking die het Fis in 1990 en 1991 op handen droeg. Het leiderschap van het Fis veroordeelde de gruwelen pas in een veel later stadium, omdat het hoopte de gewapende groepen aan zich te kunnen binden, zoals blijkt uit het rapport dat in 1994 werd opgesteld ten behoeve van Madani en Benhadj door twee invloedrijke leden van de partij, Ali Djeddi en Abdelkader Boukhamkham. Dat rapport spreekt over het geweld in afkeurende termen. Het noemt de radicale acties 'overtredingen van de religieuze legaliteit door het hanteren van opruiende taal’ en 'aanvallen op de bevolking waarbij bloed vergoten, geld gestolen en de eerbaarheid van mensen geschonden wordt’.
Het GIA was vanaf het moment dat het werd opgericht, volledig ontspoord. De duizenden misdrijven die in 1993 en 1994 plaatsvonden waren voorafschaduwingen van de massaslachtingen die zich vanaf december 1995 zouden voordoen, of juister: die zich vanaf dat moment op veel grotere schaal zouden voordoen dan voorheen.
Het GIA was onbeheersbaar geworden doordat het zijn leden had gerekruteerd in de onderwereld en het altijd het stempel zou dragen van zijn eerste leider, Cherif Goucemi, een sji'iet die in Qom (Iran) was opgeleid en zich onderscheidde door een ongelooflijke wreedheid. Het GIA duldde geen andere gewapende groepen naast zich, vooral niet in de Mitidjavlakte, een rijke streek van grootschalige landbouw, groenteteelt en citrusculturen, waar het GIA veel geld wist aan te boren. Daar maakte het GIA genadeloos jacht op de leden van het MIA, en later ook op die van het AIS.
HET UITROEIEN van dorpelingen wordt onweerlegbaar verricht door gewapende fundamentalisten - al blijft het vaststellen van de herkomst van de communiqués waarin het GIA deze acties opeist vrij hachelijk. Daarvan getuigen veel reportages. Ikzelf, in mijn hoedanigheid van journalist van het dagblad El Watan, heb verscheidene reportages gemaakt in de Mitidjastreek, in het bijzonder in de gemeenten Boufarik en Bougara. Verschillende collega’s van de Algerijnse pers hebben eveneens in die streek gewerkt na de bloedige gebeurtenissen aldaar. De conclusie was steeds dezelfde: de dorpelingen wijzen zonder enige aarzeling de gewapende fundamentalisten als daders van de bloedbaden aan, maar beklagen zich ook over het feit dat het leger en de veiligheidstroepen niet of niet bijtijds ingrijpen. Onder hen die dergelijke nachtmerries hebben meegemaakt, verklaren velen dat ze deze of gene persoon onder de aanvallers hebben herkend, waarbij ze opmerken dat die persoon afkomstig is uit een naburig dorp of zelfs in sommige gevallen uit een nabijgelegen boerderij.
Voor de meerderheid van de Algerijnse bevolking staat buiten kijf dat het de fundamentalisten zijn die dood en verderf zaaien. Men moet de talrijke dreigementen niet vergeten die het GIA heeft geuit: aan de vooravond van elke belangrijke politieke gebeurtenis werd iedereen die de boycotrichtlijnen niet opvolgde, een lijkkist in het vooruitzicht gesteld. Deze dreigementen zijn daags na de presidentsverkiezingen al ten uitvoer gebracht. Daarop breidden de aanvallen zich uit, ditmaal vooral gericht op de geïsoleerde bewoners van plattelandsgehuchten, maar ook tegen de stadsbewoners in de periferie van Alger, Blida, Medea en Tlemcen.
Vastgesteld moet worden dat de fundamentalisten hier een merkwaardige, zoniet suïcidale methode hanteren, aangezien het GIA wordt geacht zich juist onder deze bevolkingsgroepen vrij te bewegen. Opvallend is dat deze terroristische organisatie allang geen enkele moeite meer doet de bevolking te mobiliseren of zelfs maar te ontzien. Terreur is het enige wapen van deze groepering, een terreur waaraan alle bevolkingscategorieën al lang voor 1993 blootstaan, zoals niet mag worden vergeten; zelfs het neerschieten van leerlingen bij het uitgaan van de scholen en het in koelen bloede vermoorden van docenten voor het oog van de klas behoren tot de gehanteerde methoden.
BEHALVE DE afstraffingen na elke verkiezing - wie gaat stemmen is een verrader - kan wat het optreden van het GIA betreft nog op een hele reeks andere motieven worden gewezen. Tot strafexpedities tegen een dorp wordt besloten wanneer sommige dorpelingen de autoriteiten wapens vragen om hun veiligheid te waarborgen. De terroristen zijn buitengewoon meedogenloos tegen burgers (en hun families) die proberen zelfbeschermingsgroepen op touw te zetten of zich willen aansluiten bij gemeentemilities. Sinds de bevolking ertoe is overgegaan zich te bewapenen, hebben de terroristen grote moeite zich te verplaatsen, afpersingen te organiseren, in hun levensonderhoud te voorzien en militaire acties uit te voeren.
Ook dorpelingen van wie de kinderen dienstplichtig zijn in het overheidsleger worden aangevallen. Maar een gehucht kan ook worden bestraft omdat het de fundamentalistische guerrilla niet langer kan bevoorraden, omdat het weigert meisjes te leveren voor het beruchte 'genotshuwelijk’ (dat in werkelijkheid vaak uitmondt in afschuwelijke collectieve verkrachtingen), of eenvoudig omdat het leger een militaire operatie tegen het gewapende verzet heeft ondernomen en de boeren er vervolgens van worden beschuldigd de militairen inlichtingen te hebben verschaft. Moeten we nog opmerken dat dergelijke acties allesbehalve nieuw zijn? De gewapende groepen hebben zich al in een heel vroeg stadium, vanaf 1993, vergrepen aan de families van leden van leger en politie.
TOCH LIJKEN dergelijke verklaringen misschien oppervlakkig, afgezet tegen de ongehoorde omvang van de massamoorden, die soms de kenmerken van een volkerenmoord lijken te krijgen en waarin zelfs baby’s en foetussen niet worden gespaard. Daarom denk ik dat de achtergrond van het geweld ook moet worden gezocht in de realiteit van de militaire strijd om grondgebieden. Al is de situatie dan apocalyptisch omdat de ontketende emoties niet meer te beteugelen zijn, toch hebben de gewapende fundamentalisten terrein verloren. Ze zijn nog maar in een tiental geografische zones actief, te weten de wilaya’s die moeilijk toegankelijk of beheersbaar zijn, terwijl ze in 1994 nog in veertig wilaya’s, oftewel de gehele noordelijke regio, aanwezig waren.
Als gevolg van deze duidelijke geografische terugtocht, een terugtocht die gepaard gaat met een afname van buitenlandse steun en de vernietiging van netwerken voor het verzamelen van fondsen en wapens in Europa, voelen de fundamentalisten zich in het nauw gedreven. Nu het einde in zicht lijkt, vallen ze terug op escalatie. En aangezien ze niet meer de kracht en de wapens hebben die nodig zijn om politie en leger aan te vallen, veranderen ze van strategie en laten ze hun aanwezigheid voelen door op nog grotere schaal dan voorheen uiterst wrede aanvallen op een weerloze bevolking uit te voeren. Ze weten dat zulke acties veel aandacht krijgen in de media; hun bedoeling is om, wat specialisten noemen, 'een disjunctief moment’ te bewerkstelligen, dat wil zeggen een sociale crisis die leidt tot een politieke breuk. Door de uittocht van de boeren naar de grote stadscentra raken de al overbevolkte sloppenwijken nog verder vol, waarmee de condities worden geschapen voor maatschappelijke explosies of op zijn minst voor een algehele onvrede, die de rekrutering van nieuwe jonge terroristen kan vergemakkelijken.
Waar de bevolking zich onbeschermd, ja zelfs volledig in de steek gelaten voelt, komt men licht in de verleiding de straat op te gaan om te protesteren tegen de passiviteit van de machthebbers en de incompetentie van leger en politie. Ook hopen de terroristen met hun pogingen een algehele maatschappelijke crisis te veroorzaken dat een factie van de heersende elite in opstand komt tegen een andere factie, bijvoorbeeld door een staatsgreep. Zo zag althans Ali Benhadj de toestand in een brief gedateerd 17 september 1994, die werd teruggevonden op het dode lichaam van Cherif Goucemi, emir van het GIA en baas van de 'Falanx van de Dood’, die opereerde in de zuidelijke buitenwijken van Alger. Benhadj, vice-president van het Fis, die vier dagen eerder uit de Blida-gevangenis was ontslagen en in het centrum van Algiers onder huisarrest was geplaatst, beval aan 'de aanvallen op het regime uit te breiden, de wapens pas neer te leggen als alle doelen zijn bereikt en de druk te verhogen totdat het regime valt of er een staatsgreep plaatsvindt.’ Over de excessen waar het regime over klaagt, zegt Benhadj dat het regime daarmee 'alleen maar gekregen heeft wat het verdiende - zelfs al hebben er buitensporigheden plaatsgevonden, die doen niets af aan de goede zaak waar de moedjahedien voor strijden’. Die stellingname rechtvaardigt hij door erop te wijzen dat ook ten tijde van de profeet excessen aan de orde van de dag waren. Daar komt bij, zegt hij, 'dat het niet de moedjahedien zijn die met de agressie zijn begonnen, zij beantwoorden slechts de agressie van de criminelen’.
Deze opvatting is daarom zo desastreus, omdat hij afkomstig is van de man die de gewapende fundamentalisten beschouwen als hun spirituele leider. Met andere woorden, Ali Benhadj verordonneert dat de gruwelen moeten worden geïntensiveerd.
Maar hij is niet de enige politieke leider die tot escalatie aanzet. In feite was de gezamenlijke leiding van het Fis altijd al die houding toegedaan, ook al namen ze tegenover de westerse publieke opinie een standpunt in dat respect voor de democratie en de mensenrechten suggereerde. In juli 1995 maakte president Zeroual een deel van de documentatie openbaar die tijdens de politieke discussies met de leiding van het Fis was geproduceerd. De beginselverklaring waarin het Fis de condities opsomde voor een terugkeer naar vreedzame dialoog was door de ontoegeeflijkheid ervan in feite een volstrekt onmiskenbaar teken dat het gewapende conflict zou worden voortgezet. Die verklaring eiste dat nagenoeg de voltallige politieke elite zou terugtreden om het Fis de ongedeelde macht in handen te geven, zonder enig perspectief op machtswisseling.
Opmerkelijk is dat de druk van de wapens toenam telkens als er van overheidswege concessies werden gedaan aan de fundamentalisten. Alle fasen van de politieke dialoog sinds de bevrijding, in 1994, van de eerste fundamentalistische leiders uit de militaire gevangenis van Blida (Ali Djeddi en Abdelkader Boukhamkham), gingen vergezeld van een golf van geweld; de Algerijnse pers legt daarvan uitvoerig getuigenis af. Djeddi en Boekhamkham hebben hun bevrijding trouwens gebruikt om te proberen het GIA, de AIS en de andere kleinere gewapende groepen in één beweging onder te brengen.
De genoemde strategie werd nog duidelijker zichtbaar toen de president van de republiek besloot tot een tweede reeks fundamentalistische leiders uit de gevangenis van Blida vrij te laten (Abdelkader Omar, Kamel Guemmazi en Noureddine Chegara). Hetzelfde scenario ten slotte deed zich afgelopen maand juli voor, toen Abassi Madani in zijn woning in Algiers onder huisarrest werd geplaatst.
De gewapende groepen en de politieke leiders van het Fis hebben hun doeleinden nu voor een deel bereikt. Het onvermogen van het gezagsapparaat om de moordaanslagen een halt toe te roepen, heeft de autoriteiten in Algiers in grote moeilijkheden gebracht, politiek maar ook diplomatiek. Onder de bevolking heerst een enorme onvrede, en bijvoorbeeld in Algiers neemt men al zijn toevlucht tot noodmaatregelen (nachtwachten in de volkswijken, massale aanschaf van wapens, hoge percentages thuisblijvers bij verkiezingen, enzovoort). Op internationaal niveau is de impact minstens even groot, gezien de vele recente reacties, waaronder die van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties. Ook de non-gouvernementele organisaties protesteren tegen de rampzalige situatie van de mensenrechten in Algerije. Nog ernstiger, de internationale opinie heeft zelfs de mogelijkheid van een militaire interventie aan de orde gesteld. Het regime van Zeroual, dat vlak na de presidentsverkiezingen relatief gunstig was ontvangen, wordt voortaan met de vinger nagewezen en sommigen, vooral in de media, aarzelen niet om de betrokkenheid van dat regime aan te roeren bij wat meer en meer lijkt op een genocide.
Algerije in jaartallen
711: De islamitische Umajjaden-dynastie verovert Algerije 1518: Turken veroveren Algerije 1830: Frankrijk annexeert Algerije 1848: Algerije ingelijfd bij Frankrijk 1947: Oprichting Nationale Bevrijdingsbeweging FLN) 1954: Begin vrijheidsstrijd 5 juli 1962: Onafhankelijkheid, vestiging socialistische eenheidsstaat 1963: FLN-leider Ahmed Ben Bella tot president gekozen 1965: Ben Bella afgezet, kolonel Houari Boumédienne tot president benoemd 1967: Oorlogsverklaring aan Israel; toenadering tot Oostblok 1978: Overlijden Boumédienne 1979: Chadli Benjedid tot president benoemd 1986: Instorting olie-export; hevige islamistische rellen 1988: Volksopstand geleid door fundamentalistische islamieten Februari 1989: Afkondiging 'democratische’ grondwet Juni 1990: Fis wint gemeenteraadsverkiezingen December 1991: Fis wint eerste ronde parlementsverkiezingen 11 januari 1992: Chadli door het leger afgezet, Mohamed Boudiaf tot president benoemd 13 januari 1992: Parlementsverkiezingen opgeschort; begin van de burgeroorlog Februari 1992: Noodtoestand; installatie 'Speciale Gerechtshoven’ April 1992: Fis wettelijk verboden Juni 1992: Boudiaf komt bij een aanslag om het leven; Ali Kafi tot president benoemd Januari 1994: Defensie-minister Liamine Zéroual benoemd tot president met speciale volmacht om met het Fis te onderhandelen 13 januari 1995: Acht oppositiepartijen roepen in Rome op tot beëindiging van de burgeroorlog door onderhandelen November 1995: Presidentsverkiezing zonder deelname fundamentalisten; Zéroual gekozen Juni 1997: Parlementsverkiezingen zonder deelname fundamentalisten 18 juli 1997: Fis-leider Abassi Madani voorwaardelijk vrijgelaten 28 augustus 1997: Moord op 300 inwoners van Sidi Raïs 23 oktober 1997: Gemeenteraadsverkiezingen, geboycot door fundamentalisten 27 oktober 1997: Demonstratie van de oppositie tegen 'verkiezingsfraude’
Vertaling: Rokus Hofstede