Een nieuw Oranje-tijdperk

De Maximale Monarchie

De geheime strijd van republikein Kok was tevergeefs: de monarchie blijkt anno 2002 opeens springlevend. Met podiumdier Máxima als de Evita van Oranje is er een nieuw hoogseizoen ontstaan voor de monarchistische gedachte.

«Hoe moet het nu verder met de republikeinse gedachte, nu negentig procent van de bevolking in devote katzwijm ligt na Máxima’s tranen bij de Tango Nonino?» Dat vroeg een zorgelijk kijkende interviewer van de Ikon-radio zich afgelopen zondag in De Balie af. Willem Oltmans, beoogd minister van Buitenlandse Zaken in het eerste zakenkabinet-Fortuyn, reageerde venijnig. «Sukkels zijn het, allemaal! Het land zit vol gebrainwashte idioten.» Maar ook ’s lands meest gevreesde debater en antimonarchist kon deze keer niet door het ijzeren gordijn van Oranje-liefde heen breken, dat sinds 02-02-02 over de natie is gespannen.

Máxima maakte haar bijnaam «Evita van Oranje» meer dan waar. Ze is met stip het meest getalenteerde podiumdier dat de BV Oranje-Nassau ooit in de gelederen heeft gehad. Moeiteloos bespeelt zij alle emoties van de massa, waarin zij met huid en haar op lijkt te willen gaan — net als haar grote voorbeeld Evita.

Treffend was de balkonscène aan het eind van de historische dag, toen Máxima een handkus wilde werpen naar het publiek op de Dam, maar daarvan werd afgehouden door een hand (van de prins, of Eef Brouwers?) die haar snel naar achteren trok. Máxima’s spontane huldebetuiging aan de massa die haar op de schouders draagt, was protocollair kennelijk niet toegestaan: een prinses werpt geen handkussen, die ontvangt alleen maar.

Zelfs Máxima’s nobele Inca-afkomst verloochende zich niet: op haar trouwdag speelde zich zowaar een zonnewonder af. De gure Amsterdamse winter maakte één dag plaats voor een mediterraan lenteweertje, dat wegtrok nadat de licht bekladde gouden koets terug in de stalling was gereden.

De pakweg 1500 laatste republikeinen van Amsterdam, die zich op het Witte Plein hadden verzameld, hadden het bepaald niet gemakkelijk en hun redevoeringen kwamen er op bescheiden preveltoon uit. Alsof ze bang waren te worden gehoord door de vlaggetjeszwaaiende meute langs de kant van de feestroute en de honderden militairen te paard die daar langstrokken. De grootste vernedering was wel de oranje rookbom die de gemeente Amsterdam als organiserende partij liet ontsteken toen de koets voorbijkwam. Met deze gesubsidieerde «ludieke kunstenaarsactie» nam Job Cohen het anti-monarchistische verzet alle wind uit de zeilen. Zelfs de rookbom — het historische symbool van de republiek Amsterdam — was bestuurlijk ingekapseld. Wie dan nog zin had in een opstand, moest wel een stekeblinde fanaat zijn, en daarvan zijn er niet veel in Nederland, zeker niet in Amsterdam, en zeker niet onder republikeinen.

Premier Kok zal de dag met gemengde gevoelens hebben ondergaan. Kok is van oudsher geen monarchist. In zijn verleden als vakbondsman heeft hij ooit nog eens de heldenmoed betracht een lintje te weigeren. Hij heeft er de afgelopen tijd veel aan gedaan de monarchie verder te demonteren naar de methode-Thorbecke, langzaam maar vastberaden. Koks slijtageslag met de eerste familie over het bordesverbod voor Jorge Zorreguieta was daar natuurlijk het meest pregnante staaltje van. Zelden lag een eerste minister zo opzichtig op ramkoers met de majesteitelijke waardigheid. Het was een waar titanengevecht, waarin Kok tot het randje van de kloof ging en uiteindelijk als grote overwinnaar uit de bus kwam. Die overwinning moet zoet hebben gesmaakt. Strategisch gezien had Kok zijn grote voorgangers Drees en Den Uyl overvleugeld als het gaat om het oprekken van de sociaal-democratische controle over het vorstenhuis.

Heden, op de valreep van zijn laatste kabinet, sleutelt Kok aan een herziening van de wet op het koningshuis, waarbij hij niet alleen een hele rits prinsen hun congé wil geven, maar waarin ook de staatkundige macht van de majesteit verder moet worden uitgehold. En wel op zodanige wijze dat de vorstin daar zelf niets van merkt. Ergens in het brein van Wim Kok spookt nog wat karma van Pieter Jelles Troelstra rond, en hij had de laatste maanden van zijn premierschap dan ook gaarne in het teken laten staan van de finale wraak voor november 1918.

Na 02-02-02 is de verhouding tussen politiek en monarchie echter in een geheel nieuw vaarwater terechtgekomen. Niet langer is Oranje de onderliggende, zich verdedigende partij, wier doel het vooral is het leven als instituut zo lang mogelijk te rekken. In het charismatische kielzog van Máxima dienen zich opeens kansen aan voor een revitalisering van de monarchistische traditie in Nederland. In die zin zal 02-02-02 in de kronieken wellicht worden bijgeschreven als de dag waarop de monarchie in Nederland werd herboren, in gemaximaliseerde gedaante zelfs. Sterker, beter, sneller.

In vroeger tijden diende het gepeupel eerst te worden volgeladen met door de stadhouder verstrekte alcoholica, alvorens men een beetje in de stemming wilde komen voor een vreugdedansje in de straten of het lynchen van tegenstanders als de gebroeders De Witt. Tegenwoordig staat er een hele batterij televisiezenders en kranten klaar om de massa onder te dompelen in de grote Oranje-droom.

Dit aanhoudende clusterbombardement in de media, waarbij de landelijke pers van Telegraaf tot Volkskrant zowaar lijkt te zijn gelijkgeschakeld, heeft de laatste weken het onmogelijke bereikt: de monarchie bevindt zich niet langer in terminaal stadium, maar begint aan een Grote Stap Voorwaarts. In de verte gloeit het visioen van de Maximale Monarchie, met eerherstel voor het levende koningschap.

Begin jaren tachtig was de monarchie in Nederland zo goed als onzichtbaar. Met het verdwijnen van Juliana leek het koningshuis ook ontdaan van al zijn openbare activiteiten. De kranten besteedden geen woord aan het reilen en zeilen van Beatrix. Het laatste publicitaire levenslijntje van de monarchie bestond ironisch genoeg uit de communiqués over het ziekteverloop van Claus. Verder was het koningshuis een grote blinde vlek.

Sinds het aantreden van Máxima Zorreguieta is aan deze leemte voorgoed een einde gekomen. Op de televisie tuimelen de royalty-watchers over elkaar heen; geen journaal is compleet zonder monarchistisch toefje; de kranten plaatsen paginagrote posters van het prinselijk paar en weten niets anders meer te schrijven dan verliefd dagboekproza in de stijl van het gemiddelde vijftienjarige tienermeisje.

Deze publicitaire dronkenschap, die kan worden gezien als de definitieve capitulatie van de Vierde Macht, is overgeslagen op het publiek. Veeg teken was al de belangstelling voor de expositie Ja, ik wil, die weken voor de trouwpartij dag na dag massaal werd bezocht. Rijen dik trotseerden al die voorheen zo kritische Nederlanders de urenlange wachttijden om maar een glimp op te vangen van Wilhelmina’s hermelijnen mantel of desnoods een servetje van prins Hendrik.

Deze onverhoeds opgestoken fascinatie gaat ook aan paleis ’t Loo — een van de weinige Oranje-paleizen die voor het publiek zijn opengesteld — niet onopgemerkt voorbij. Ook daar vindt men tegenwoordig elk weekend een grote menigte Oranje-bedevaartgangers. Het waren tekens aan de wand van de collectieve hysterie die zou uitbreken op de koninklijke bruiloft zelf. Tot diep de volgende dag stond de Amsterdamse binnenstad nog vol met duizenden Oranje-fans, die weer uren in de rij stonden om een blik te mogen werpen op het interieur van de Nieuwe Kerk, waar Máxima met haar tranen de nieuwe almacht van de monarchie had geproclameerd.

Bij de achteruitgang van het Paleis op de Dam speelden zich wonderlijke taferelen af toen de lakeien van dienst witte anjers begonnen te werpen naar het publiek. Er ontstond zowaar een stampede van graaiende en elkaar verdringende mensen, allen met de verdwaasde blik van de totale devotie in de ogen.

Nederland krijgt niet alleen een Latijns-Amerikaanse koningin, het volk zelf lijkt ook over tropisch aandoende passie en hartstocht te beschikken.

De BV Oranje-Nassau heeft strategen genoeg in huis om de vruchten te plukken van dit publicitaire hoogseizoen. Wie ook de volgende premier van Nederland wordt, hij of zij zal een harde dobber hebben aan het in toom houden van de monarchistische machtshonger. Het koningshuis heeft een natuurlijke partner gevonden in de pers, ooit zelf «de koningin van de aarde» genoemd, en verwierf zich in «ge-endemolliseerde» vorm, als onovertroffen reality-soap, een geheel nieuw uitgangspunt. De renaissance van het monarchistische model, dat in het voormalige Oostblok tegenwoordig zo manifest is, lijkt ook in het polderland nadrukkelijk tot de mogelijkheden te behoren. In de virtuele werkelijkheid van de postmoderne mediamens blijkt de monarchie juist door zijn karikaturale ongerijmdheid plotseling weer een levensvatbare onderneming.

Met een totalitair aandoend mediabombardement, met veel meer beeld dan woord, blijkt het sprookje zeer goed aan de man te brengen. Beter dan ooit zelfs. De politiek lijkt onder deze druk te bezwijken. Pim Fortuyn, el caudillo van Leefbaar Nederland, koos al eieren voor zijn geld. Liet hij zich vroeger, net als zijn goeroe Henk Westbroek, nog geregeld van zijn republikeinse kant zien, sinds 02-02-02 laat hij nadrukkelijk na uit dit vaatje te tappen. Hij was zelfs de eerste politicus die verklaarde dat het nu maar eens afgelopen moest zijn met het «krampachtige» weren van pa Zorreguieta tijdens de ceremonies van de BV Oranje-Nassau.

Alle moeite die Wim Kok zich dienaangaande heeft getroost, lijkt nu al tevergeefs. Het tijdperk van de Maximale Monarchie kan beginnen.