De medeplichtige lezer

Hoe vertel je een verhaal dat je eigenlijk niet wil vertellen? Niet alleen omdat het moeilijk, bijna onmogelijk te vertellen is, maar omdat je nu juist niet wil worden teruggeworpen naar vroeger, niet in de duistere draaikolk van toen je jong was, omdat je wil ontsnappen aan je biografie, althans aan het pijnlijke begin ervan. Omdat je altijd hartstochtelijk van verzonnen verhalen hebt gehouden en je van jongs af aan het grote verlangen hebt gehad iets toe te voegen aan dat grote bouwwerk van menselijke verbeeldingskracht.

De Nederlandse literatuur kent een flinke traditie van autobiografische romans, waarin schrijvers woedend of juist vol nostalgie over hun jeugd schrijven – zeg maar van Jan Wolkers tot Murat Isik – en de memoir is in het Angelsaksische taalgebied een genre dat de laatste decennia gretig beoefend wordt en gretig aftrek vindt. Kon Gerard Reve nog stellen ‘echt gebeurd is geen excuus’, tegenwoordig is ‘echt gebeurd’ een pre. Weerzin lijkt dus nergens voor nodig.

De tegenzin waarvan Manon Uphoff de lezer in de openingsalinea van haar boek – er staat geen genreaanduiding bij – Vallen is als vliegen deelachtig maakt, is allicht ingegeven door een werkelijk gevoel van aversie, maar het is ook een effectieve literaire ingreep. Je wordt als lezer medeplichtige; je bent bereid haar in haar tocht terug in de tijd te volgen en alle zij- en omwegen voor lief te nemen.

Het verhaal mag dan autobiografisch zijn, er worden volop fictieve middelen ingezet, waardoor Uphoff een volstrekt eigen vorm heeft gevonden. Voor het vertellen van een geschiedenis van misbruik zet ze sprookjes en mythen in, wisselt ze beeldende, nachtmerrieachtige passages af met encyclopedische uitweidingen, maakt razernij plaats voor lyriek, en omgekeerd.

MM is slachtoffer en uitverkorene tegelijk, geschonden en onschendbaar

Autobiografische boeken zijn maar al te vaak psychologisch-realistisch; Uphoff vangt de werkelijkheid uit haar kindertijd juist met de verbeelding. Dat heeft, maakt ze duidelijk, ook alles met seksueel misbruik te maken. Naast het ‘gewone’ leven van een mollig meisje dat van lezen en tekenen houdt, staat een nachtleven waarin ze wordt omgesmolten tot ‘een reuzen-Alice’, ‘groot als een berg’ ’duizendtietig, duizendkontig’. Er waren een dag- en een nachtleven waar geen enkele koppeling tussen bestond. Een leven dat helder van kleur was (overdag), en een wereld van soepachtig zwart (nacht). Het geheugen, schrijft Uphoff, gaat ver terug, ‘maar wat het ons brengt komt eerder in uitbarstingen van geuren, kleuren en beelden dan in taal of een samenhangend verhaal (weet ik nu)’. En in het nachtleven raken de zintuigen helemaal verward en met elkaar verstrikt.

In Vallen is als vliegen voert Uphoff de lezer mee naar een bovenwoning in Utrechts, waarin haar mooie moeder Anna Alida en haar vader ‘HEHH’ met hun vijf kinderen Holbein wonen. Over haar moeder is een lome verdoving gekomen, ‘als bij een zwerfkat die een toevallige rustplek heeft gevonden’. Alles draait om haar vader, statisticus en amateur-schilder, en ‘de briljante architect van onze angst en opwinding, en grootmeester en regisseur van onze momenten van extreme verrukking en vrees’.

Uphoff maakt prachtig voelbaar hoe die verrukking en vrees naast elkaar bestaan. HEHH maakt van het huis een ‘betoverende setting’, een ‘tovenaarspodium’, bijvoorbeeld met de overdadige zoete gerechten die hij kookt, maar vooral met de liefde voor taal, teken en boek die hij zijn lievelingsdochter ‘ondergetekende’ (ook wel MM) bijbrengt. In de nacht loste HEHH op in ‘de minotaurus’, een wezen dat een eigen universum vertegenwoordigde en zich vergreep aan zijn jonge dochters – al is ‘vergrijpen aan’ een veel te prozaïsche uitdrukking voor dat universum, dat MM ‘Katiqiwa’ doopte en waar zich momenten voordeden ‘die zich uitstrekkend over eeuwen niet in mensentijd en -ruimte lijken te hebben voorgedaan’.

Dubbelzinnig, dat was het leven op die bovenwoning. ‘Ondergetekende’ is slachtoffer en uitverkorene tegelijk, ze wordt geschonden en is onschendbaar. Ze kan de twee verschijningsvormen van HEHH niet tot een en hetzelfde wezen terugbrengen en ze stelt zich voor dat ook HEHH de splitsing tussen vader én monster niet kan opheffen. Ze wil die tweedeling zelfs koste wat kost vasthouden, omdat ze ook van haar vader houdt. ‘Er zijn’, schrijft Uphoff onderkoeld, ‘bewijzen dat hij een achtenswaardig man was’.

Aan het eind, nadat de zussen Holbein zich als een heksenkring om de dode vader hebben verzameld, en MM de hele geschiedenis in een smartlap vat (‘Incest, de musical’), keert Uphoff terug naar de lezer: het boek vertelt een verhaal dat ze niet wilde vertellen; wie wil er eigenlijk van weten? Waarna ze opmerkt dat haar geschiedenis allesbehalve uniek is; het is onderdeel van een conventie. Natuurlijk, dat doen alle familiegeschiedenissen, maar Uphoff heeft een unieke vorm en stijl gevonden. Ze heeft er een vlammend juweel van gemaakt.


Naast Uphoff noemde Xandra Schutte W.G. Sebald, Austerlitz; Zadie Smith, NW; Moshin Hamid, Exit West en Philip Roth, The Human Stain