Ed van Thijn over politiek en pers

De media hebben het soms gedaan

De vier O’s van de informatievoorziening. Nederland is veranderd. Er is een nieuw type demo cratie ontstaan, een «inquisitie democratie» volgens sommigen, «drama demo cratie» zeggen anderen. De media en de politiek produceren aan de lopende band grote nieuws verhalen die de kijkers en lezers voor waar houden. De relatie tussen media en politiek is onder druk komen te staan.

«Hoe saaier de politiek, des te gelukkiger het land», schreef Frits Bolkestein in Woorden hebben hun betekenis. Intussen is het tegendeel gebeurd. De politiek wordt meer en meer gekenmerkt door een ongekende turbulentie. De ene affaire wordt gevolgd door de volgende. Crisisachtige situaties zijn aan de orde van de dag. Soms zijn het echte hypes. Maar té vaak gaat het om zaken van groot belang: Srebrenica, IRT, bouwfraude, Betuweroute, bolle tjes slikkers, vuurwerkramp in Enschede, hbo-fraude, falende jeugdzorg, ontsnapte tbs’ers, enzovoort. Het is een lange, ononderbroken reeks van beleidsfiasco’s en politieke drama’s. Nog nooit eerder in de parlementaire geschiedenis zijn er zo veel parlementaire enquêtes gehouden. Bovenop deze turbulentie hebben de moordaanslagen op Pim Fortuyn en Theo van Gogh zelfs een klimaat van ontreddering geschapen.

Nederland is veranderd. De politiek is veranderd. Volgens sommigen is er een nieuw type democratie ontstaan: de «inquisitiedemocratie», noemt de bestuurskundige Paul ’t Hart dat. Een type democratie waarbij het openbaar bestuur – regering en ambtenaren – in het defensief wordt gedrongen door de op incidenten beluste media en een ongekend activistisch parlement dat zich laat leiden door de waan van de dag. Het probleem van deze aanduiding is dat het een inquisitie is zonder (veel) slachtoffers. Het komt nog maar heel zelden voor dat het parlement een minister naar huis stuurt. Ministers bungelen wel, maar vallen zelden of nooit.

Treffender is de term «dramademocratie» van de Belgische politicoloog Marc Eichardus. Beeldvorming is – Eichardus spreekt van een symbolische samenleving – allesbepalend. De media en de politiek produceren in een onderlinge symbiose aan de lopende band grote nieuwsverhalen die de kijkers en lezers voor waar houden. De publieke opinie is daarvan het product. De media schrijven een overgedramatiseerd script en de politici spelen op basis daarvan een rol die vaak weinig te maken heeft met de maatschappelijke werkelijkheid maar meer met het beeld dat daarvan wordt opgeroepen. Politiek is verworden tot theater. De ingrediënten zijn vaak angst en onbehagen. Politici bieden tegen elkaar op met «spierballentaal» en stapelen beleidsvoornemens op beleidsvoornemens die dikwijls in de praktijk onuitvoerbaar zijn. Het onbehagen neemt toe. De volgende «affaire» wordt geboren. Een kettingreactie.

In die maalstroom is ook de relatie tussen media en politiek onder druk komen te staan. Enerzijds is er sprake van een grote, onderlinge afhankelijkheid. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling spreekt in Medialogica van een «politiek-publicitair complex» en een «prisoner’s dilemma». Anderzijds waren de verhoudingen nog nooit zo slecht. In NRC Magazine van september 2004 schrijft Gerard van Westerloo over «de oorlog tussen pers en politiek». Hij interviewt een aantal hoofdredacteuren en enkele personen die dicht bij de politiek staan. En, inderdaad, de verwijten over en weer zijn niet mals. Van de kant van de hoofdredacteuren vallen termen als vertrouwenscrisis, een waterscheiding, een gevaarlijk paternalistische houding, een onbenaderbare overheid die de kaarten het liefst tegen de borst houdt en de media vooral nog wil bedienen als zij als spreekbuis functioneren. «Het lijkt hier wel de DDR», zegt Folkert Jensma. Omgekeerd overheerst het dédain. De media geven zich en masse over aan halve waarheden, hele leugens, hypes, roddel, sensatiezucht, nieuwsjagerij en reputatieschade. «De pers gedraagt zich als een dronkeman die telkens de verkeerde steeg in wankelt», zegt Jacques Wallage, voorzitter van de commissie Toekomst overheidscommunicatie.

De felle filippica van minister Donner op de 120ste verjaardag van de NVJ (3 mei 2004) dreunt nog na: «De persvrijheid wordt niet bedreigd door een gebrek aan vrijheid, maar door een teveel aan vrijheid, waar u dames en heren van de pers, zo’n onverantwoord misbruik van maakt. (…) Uw berichtgeving schept een eigen wereld die de echte wereld verdringt. U breekt reputaties, U maakt levens kapot. U bent een bron voor onrust en oorlog.»

Een betoog de dramademocratie waardig met de minister van Justitie in een glansrol, maar is het ook waar? Is het waar dat, als het om de symbolische samenleving gaat de media het gedaan hebben en dat de overheid geen blaam treft? Laat ik met het laatste beginnen.

In het boek De informatieparadox, een blinde vlek in het openbaar bestuur (Cardoso Ribeiro/Van Thijn) wordt, op basis van vier jaar onderzoek, gesignaleerd dat de informatievoorziening van de overheid structurele gebreken vertoont. Steeds vaker komt het voor dat de informatievoorziening gekenmerkt wordt door de vier O’s, berucht van de Bijlmer enquête. Toen bleek dat in 28 gevallen de Kamer (en dus ook de pers) Onvolledig, Ontijdig, Onzorgvuldig en Onjuist was voorgelicht. Inmiddels zijn de vier O’s, die in alle enquêtes aan het licht traden, aan de orde van de dag. Je kunt geen krant opslaan – en dat bedenkt geen enkele journalist zelf – of die vier O’s steken weer de kop op. Als het gaat om de veiligheid op scholen, over de relatie tussen AIVD en politie of de uitvoeringsproblemen van de UWV, of noem maar een dwarsstraat: de informatie van ambtenaren aan hun minister of van de minister aan de Kamer heeft gehaperd.

Het is geen incident maar regel, niet alleen bij onbenullige wissewasjes of hypeachtige gebeurtenissen maar ook (juist daar) bij grote infrastructurele projecten, zoals de commissie-Duivesteijn op indringende en ontluisterende wijze heeft aangetoond. Willens en wetens is aan de Kamer op beslissende momenten relevante informatie onthouden. Tijdens de enquête over de val van Srebrenica, toen bleek dat de top van de koninklijke landmacht op het punt van de informatievoorziening te kort was geschoten (met name op zo’n wezenlijk punt als de massa-executies), kwam de vraag op of dit een kwestie van onwil of van onkunde was. Tot opluchting van velen koos de commissie voor onkunde, maar dat is nauwelijks een geruststelling.

In ons onderzoek hebben we, mede op basis van interviews, dertig motieven gevonden waarom ambtenaren, soms op goede gronden, hebben gemeend hun minister (nog) niet te moeten informeren. Ze variëren van nog niet rijp, te complex, problemen eerst zelf oplossen, geen slapende honden wakker maken en de minister in de luwte houden tot het «need-to-know»-principe dat bekend is van de IRT-affaire en nog altijd in zwang is bij de veiligheidsdiensten en andere delen van de overheid.

Informeren is per definitie selecteren. De overdaad aan informatie binnen de overheid is zo immens dat elke ambtenaar elk uur van de dag daaruit een selectie moet maken. Een minister, en dan hebben we het over een heel goeie, kan hooguit vijf procent van de beschikbare informatie verstouwen. Bij dit strenge selectieproces moet de ambtenaar krachtens het Rijksambtenarenreglement alle informatie die relevant is voor de ministeriële verantwoordelijkheid aan de minister doorgeven. Doet hij dat niet, dan maakt hij zich schuldig aan plichtsverzuim en dat kan leiden tot disciplinaire maatregelen. Het gaat dus niet om niks. Maar wat is relevant? Kon een ambtenaar belast met een vuurwerkdossier vóór de oerknal in Enschede weten dat dit dossier relevant was als nog nooit een bewindspersoon (of kamerlid) dat onderwerp had aangesneden? Ons onderzoek wijst uit dat er voor het begrip relevantie geen criteria bestaan. Elke ambtenaar moet handelen naar bevind van zaken. Het criterium waarop in de praktijk het meest wordt gelet, is afbreukrisico en mediagevoeligheid.

Voor journalisten moet er nu een lampje gaan branden. Als iemand weet wat selecteren is, zijn zij het wel. Uit een overdaad informatie uit binnen- en buitenland kiezen zij elk uur van de dag die feiten waarvan zij menen dat zij nieuwswaardig zijn: belangwekkend, in het oog springend, nog niet eerder vertoond. In feite doen ambtenaren hetzelfde maar dan omgekeerd. Kiezen journalisten die feiten waarvan zij vinden dat die het waard zijn om te worden gepubliceerd, ambtenaren selecteren dossiers die naar hun eerlijke overtuiging nog maar even niet in de openbaarheid moeten komen. Het gaat, zo signaleert de commissie-Wallage, om een voortdurende keuze tussen de noodzaak van transparantie en het belang van, wat zij noemen, beleidsintimiteit. In dat afwegingsproces bestaat de neiging om op beslissende momenten de beleidsintimiteit als doorslaggevend belang te zien. Zolang dat in een te ruime mate en met onvoldoende onderbouwing gebeurt, is van een «recht op openbaarheid van bestuur» (zoals geregeld in de wet) geen sprake. Het (pro-)actief openbaar maken van zo veel mogelijk informatie, gebruikmakend ook van de digitale media, zoals voorgesteld, lost dit probleem niet op. Integendeel. Als tegelijkertijd de juist zo relevante, beleidsintieme informatie wordt achtergehouden, wordt alleen maar verder voedsel gegeven aan de informatieparadox: een tekort aan relevante kennis te midden van een over dosis aan feiten, gegevens en statistieken. De geïnteresseerde burger raakt dan gauw het spoor bijster, en soms is dat ook de bedoeling.

Het is een zorgelijk feit dat de overheidsvoorlichting in toenemende mate plaats heeft moeten maken voor het containerbegrip overheidscommunicatie. De commissie-Wallage maakt tussen deze begrippen een duidelijk onderscheid. Bij overheidsvoorlichting gaat het om mondelinge en schriftelijke informatie aan de burger die feitelijk en zakelijk van aard is. De normen waaraan overheidsvoorlichting moet voldoen liggen in ons land, aldus de commissie, traditioneel hoog: niet alleen moeten de feiten kloppen, de presentatie moet evenwichtig en volledig zijn. Er mag wellicht op een zakelijke wijze begrip worden gewekt voor de overheidsmaatregelen, maar de producenten van dit materiaal worden geacht het er niet te dik bovenop te leggen. Zodra de uitingen een propagandistisch karakter krijgen, wordt dit in strijd geacht met de eis van volgehouden zakelijkheid.

Dat geldt blijkbaar niet voor het bredere begrip overheidscommunicatie die beoogt de publieke opinie te beïnvloeden in een maatschappelijk gewenste richting. Dan vallen plotseling de beperkingen weg die aan de voorlichting worden gesteld. Maar dan gaat het ook om hoge belangen: het beschermen van reputaties van overheidsinstellingen of de politieke leiding daarvan, aldus nog steeds de commissie-Wallage. In de turbulentie van de mediaomgeving worden de grenzen van dit beschermen van reputaties van tijd tot tijd opgerekt. Het bewust lekken van informatie, het ondershands verslag doen over vertrouwelijke gesprekken op een wijze die de minister er goed doet uitkomen, het tippen van journalisten en/of pogingen tot politieke regie («spindoctoring») zijn mogelijk mits binnen de grenzen van authenticiteit en integriteit. Een omineuze afbakening.

Op de diverse departementen heeft deze communicatie het de afgelopen jaren gewonnen van de klassieke voorlichting. Opmerkelijk in het rapport-Wallage is dat de woordvoering namens bewindspersonen tot het terrein van de overheidscommunicatie wordt gerekend. Het is een duidelijke reactie op de zogeheten inquisitiedemocratie. Het openbaar bestuur is in het defensief gedrongen en moet zich teweerstellen. Het belangrijkste staatkundige adagium voor elke ambtenaar is: hoe houden wij onze minister of staatssecretaris uit de wind. Dat geldt in het bijzonder voor het groeiende leger van communicatieadviseurs c.q. woordvoerders, voor wie deze vorm van persoonsbeveiliging dagelijks werk is. Niet het verschaffen van zakelijke informatie maar het weghouden of bagatelliseren van relevante informatie is daarbij hoofddoel. Dat communicatie in deze betekenis een professie is geworden, blijkt ook uit de krampachtigheid waarmee de regering vasthoudt – dit in weerwil van de aanbevelingen van de commissie-Duivesteijn – aan het verbod van ambtenaren om rechtstreeks met parlementariërs (laat staan de pers) te communiceren.

Heeft deze defensieve houding vruchten afgeworpen? Op het oog niet of nauwelijks. Het aantal affaires en bijna-crisissituaties neemt alleen maar toe. De krampachtige houding van de overheid, dit kaasstolpgedrag, is niet alleen in strijd met de roep om meer transparantie maar vormt ook de kiem van telkens weer nieuwe affaires die gekenmerkt worden door een hoog 4xO-gehalte. Bovendien, zo wordt er gezegd, maken in de dramademocratie de media toch de dienst uit. Daar lijkt geen kruid tegen gewassen. Dat het om een hopeloze strijd tussen media en politiek gaat lijkt ook de conclusie te zijn van het advies Medialogica van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. De opkomst en groei van de media (in het bijzonder de televisie), hun enorme impact op de publieke opinie, hun snelheid van werken (mede beïnvloed door de moordende concurrentie), hun fixatie op personen, conflicten en affaires beheersen in toenemende mate het toerental van de politiek en het karakter van het discours. Nieuwsgolven en nieuwscascades zetten de toon. Politici worden opgejaagd als konijnen op een militair oefenterrein. Dat is het beeld. Maar is dat ook de werkelijkheid? Want daar tussen bestaat in de dramademocratie, zo weten wij intussen, een groot verschil. En dat geldt ook hier.

Wie het rapport Medialogica goed leest, ziet een groot verschil tussen de werkwijze van de moderne media en de mate waarin zij beleidsbepalend zijn. Het rapport zelf maakt een onderscheid tussen de media als de decorbouwers van de publieke zaak en de politieke agenda, een belangrijk onderscheid. Nog afgezien van de vraag of de term decorbouw recht doet aan de turbulentie van het medialandschap (het gaat dan op z’n minst om schuivende, zelfs flitsende panelen) is het goed om de eigen verantwoordelijkheid van de media enerzijds en de politiek anderzijds goed in het oog te blijven houden. De veronderstelling dat de media in hoge mate de politieke agenda bepalen blijkt namelijk geen stand te houden. Uit de achtergrondstudies bij het rapport komt, op basis van gedegen onderzoek, juist de omgekeerde conclusie naar voren. Professor Kleinnijenhuis toont onbetwistbaar aan dat de politieke agenda onverminderd een grotere invloed uitoefent op de media-agenda dan omgekeerd. Van een mediacratie is in de verste verte geen sprake.

Bij de introductie van de nieuwe Trouw in compact formaat (tabloid mag niet) sprak Wouter Bos over fast journalism en fast politics en pleitte voor het tegendeel: slow journalism en slow politics. Slow journalism lijkt mij een illusie. Het is wezensvreemd aan de professie. Een journalist moet er beroepshalve als de kippen bij zijn als zich ergens, naar zijn oordeel of intuïtie, een belangwekkend nieuwsfeit aandient. Een primeur op zijn tijd hoort erbij. Liefst nog net voor de krant zakt. De concurrentie is immers moordend en dat is niet alleen maar slecht. Fast journalism is in deze turbulente tijd a fact of life. En niet per definitie in strijd met eisen van kwaliteit. Betekent dit ook dat zorgvuldigheid het kind van de rekening wordt? Soms wel. Het aantal keren dat smeuïge berichten onvoldoende gecheckt worden of dat hoor en wederhoor is nagelaten, is te groot. Maar dat, zoals de WRR onlangs schreef, de kwaliteit van de journalistiek over de hele linie achteruit gaat («Focus op Functies») moet nog worden bewezen. Er zijn uiteraard journalisten die de stelling huldigen: liever vandaag een incorrecte primeur, dan morgen een correct bericht.

Zulke zaken zijn ook langsgekomen bij de Raad voor de Journalistiek, waar ik nu al enkele jaren deel van uitmaak. Maar juist vanuit die ervaring wijs ik elke vorm van generalisatie af. Zeker, het aantal klachten dat ons bereikt neem van jaar tot jaar sterk toe (van zeventig naar honderd in de periode 2003-2004). Maar in iets minder dan de helft van die zaken luidde, na ampel beraad, het oordeel gegrond of gedeeltelijk gegrond. Natuurlijk is er op zo’n getal veel af te dingen: lang niet alle klachten bereiken ons. Soms lopen klagers bovendien direct naar de rechter. Maar voor generaliserende oordelen over een achteruit kachelende kwaliteit van de pers is geen hard bewijs te leveren.

Onzorgvuldige journalistiek hangt overigens lang niet altijd samen met de grote tijdsdruk waaronder journalisten werken. Soms gaat het om breedvoerige reportages waaraan maanden is gewerkt, maar waar toch is verzuimd hoor en wederhoor toe te passen. Een sprekend voorbeeld vond ik de grootste scoop van de laatste jaren: het interview van Pieter Broertjes & co met prins Bernhard, na diens dood gepubliceerd. Maandenlang had dit vraaggesprek op de plank gelegen, maar blijkbaar had men toch niet de moeite willen nemen om de naar voren gebrachte feiten te checken. Over slow journalism gesproken: NRC Handelsblad kwam op 19 februari met het bericht op de voorpagina «Verzet bracht Campert om». Na een week van turbulentie in alle media kwam Piet Hagen in zijn rubriek De krant achteraf met een, tamelijk verholen, correctie: «Het beeld was evenwichtiger geweest als de tegengeluiden – die inmiddels gepubliceerd waren – al in het eerste verhaal tot hun recht waren gekomen.»

Een van de meest opmerkelijke voorbeelden vond ik De Telegraaf van zaterdag 22 januari, de dag nadat een automobiliste in Amsterdam-Oost een tasjesrover had doodgereden (een dag waarop alle media uit hun dak gingen, de dag van de waan). De Telegraaf kopte met grote chocoladeletters: «Donner waar was je?» Een kop die de krant later, na een interventie van de minister, moest terugnemen. Maar hoe neem je een kop terug? Overigens bewijst deze zaak, afgezien van deze extreme reactie, dat een hype lang niet altijd een mediacreatie is. De kwestie zelf was een majeure gebeurtenis. En, zoals bij de meeste hypes liet de politiek zich niet onbetuigd. Minister Verdonk en het kamerlid Wilders stonden al klaar met hun commentaar voordat de feiten goed en wel waren doorgedrongen.

Nu zijn deze twee rauwdouwers niet representatief voor het hele politieke spectrum, maar één ding staat voor mij vast: het overgrote deel van de zo vermaledijde mediahypes (enkele wissewasjes zoals Remkes in Thailand tijdens de tsunami daargelaten) hebben ten eerste een reële ondergrond en zijn ten tweede vaak vanuit de politiek ingestoken. De 180 parlementaire journalisten (een verzesvoudiging in veertig jaar) zitten hun tijd niet te verdoen. Als ergens de halve waarheid regeert, dan is Den Haag de hoofdzetel. De vier O’s steken dagelijks de kop op.

Slow journalism lijkt te hoog gegrepen, maar hoe zit het met slow politics? Een van de gevolgen van de medialogica is dat de media politici creëren naar hun evenbeeld. Snel, hijgerig, televisiegeniek, communicatief, bedreven in oneliners en te bezichtigen op alle netten, ook als het gaat om infotainment. Daar is op zich weinig tegen. De tijd van de kaasstolp is voorbij. Maar is het nu echt nodig dat het politieke bedrijf zich zo door het tempo van de medialogica laat meeslepen? Kan het niet een tandje minder met «fast politics»? Uit het onderzoek over de informatieparadox bleek al hoe ministers en hun ambtenaren dagelijks gedreven worden door afbreukrisico en mediagevoeligheid. Paul ’t Hart heeft in zijn Inquisitiedemocratie aan de hand van een matrix laten zien hoe beleidsmakers voornamelijk bezig zijn met micromanagement en het blussen van (binnen)brandjes, ten koste van het strategisch beleid op langere termijn.

Maar het is vooral het exponentieel toegenomen parlementair activisme dat zorgen baart. Dat lijkt vloeken in de kerk van de democratie (en zelf heb ik mij in mijn Tweede-Kamertijd niet onbetuigd gelaten), maar nu maak ik mij grote zorgen. Waarom wordt bij elk media-event een spoeddebat aangevraagd? Waarom is het aantal vragen, interpellaties, moties en amendementen in twaalf jaar tijd meer dan verdrievoudigd (van 700 vragen in 1992 naar 2100 in 2004; van 419 moties in 1992 naar 1300 in 2004)? Waarom moeten ministers zich dagelijks in de Kamer komen verantwoorden? Waarom wordt elk opmerkelijk interview onmiddellijk afgestraft? Waarom vragen kamerleden een spoeddebat over krantenkoppen? Waarom heeft iedereen, als er een belangrijk rapport verschijnt, zijn mening klaar voordat de inkt droog is?

Een schrijnend voorbeeld waren de commentaren op het 2300 pagina’s tellende rapport van de commissie-Blok over het minderhedenbeleid in de afgelopen dertig jaar, dat al van alle kanten werd neergesabeld voordat men ook maar één pagina had kunnen lezen. Dit is een soort van lik-op-stuk-parlementarisme dat in de media grif aftrek vindt, maar dat de kwaliteit van de beleidsontwikkeling in Nederland niet ten goede komt. Het leidt tot een verkramping van de politiek-politieke en de politiek-ambtelijke verhoudingen en roept de informatieparadox, die men zou moeten bestrijden, juist op. Overdaad schaadt, ook hier. Het systeem draait dol.

Mijn conclusie is dan ook dat de politiek (vergeef mij mijn generalisatie) in haar kritiek op de media wat minder hoog van de toren moet blazen en er beter aan doet de hand in eigen boezem te steken. Zowel in het voortraject van de medialogica (informatievoorziening, openbaarheid van bestuur), als in het natraject (hijgerigheid van het parlementaire debat, populistisch gedrag, verwaarlozing van strategisch beleid) valt er een wereld terug te winnen.

Het vijandbeeld dat men in kringen van politiek en ambtenarij van de media heeft, is deels onjuist en in ieder geval contraproductief. Dat een kritische pers vooral oog heeft voor wat er verkeerd gaat en weinig oog heeft voor het goede nieuws (een veelgehoorde klacht) is een fact of life, zeker in dit oververhitte tijdsgewricht. Door om die reden systematisch afbreuk te doen aan het beginsel van openbaarheid van bestuur bindt men de kat op het spek. Juist nu is een maximale transparantie een gebiedende eis. Een oorlog tussen de media en de politiek is slecht voor de democratie. Het toenemende dédain over en weer heeft op den duur een verwoestende werking. Het politieke bestuur moet ervan doordrongen zijn dat voor de kwaliteit van de democratische besluitvorming een onafhankelijke pers even onontbeerlijk is als een vrij en onverschrokken parlement.

Media bashing is even verwerpelijk als antiparlementarisme.