De meedogenloze neus

Het moet in haar tenen begonnen zijn. Zij lichtte allebei de hielen gelijktijdig van de vloer en niet langer dan een kwart seconde rustte haar gewicht op niets anders dan tien tenen. Firebrigadered gelakte nagels recht naar voren gestoken. ‘Hier leg ik mijn zakdoekje neer!’

Platvloerse petit rat in een netelige positie. Wie van tevoren begrip toont voor eigen daden is niet goed wijs, dacht ze. Slechts drie stappen waren genoeg.
De man nu, haar vriend dus, satraap op spekzolen, acrobaat onder de kersenbloesem, voorheen bordeelbezoeker in zowel Gabardi ne als Astrakhan, ooit driftig lezer van het allerlaatste exemplaar van Arts et Spectacles, lag inmiddels in zonnebadhouding gestrekt, onder de meedogenloze neus van de co-assistent die zijn eigen assistent is. Aan de andere kant van de deur waarop aan deze kant Hier wachten! staat. Beiden trachten hun knekels zoveel mogelijk in de goede volgorde te houden, terwijl de man in witte jas daarbij ook nog het uiteinde van een kleine stofzuigerslang hanteert.
Eventuele bierglasscherfjes dienen op die manier het veld te ruimen. Hij praat tegen zijn patiënt alsof hij een hok witte muizen aan het verschonen is. De man onder hem luistert niet. In de zelfbeheersing die hem aan zijn plaats knevelt, stelt hij zich voor dat hij in een park ín Saint Etienne achter een boom staat en een zak kersenbonbons leeg eet. Tegen zijn wil heeft die fantasie zich aan hem opgedrongen. ‘Zie je wel’, denkt hij, 'ik ben een surrealist pur sang, want wie komt er nu op Saint Etienne als het om kersenbonbons gaat?’ Later die avond zal hij haar dit in bed vertellen. Ze lacht. Opgelucht en ook zelfvoldaan. Het leven zit inderdaad net zo vreemd in elkaar als ze altijd zeker heeft geweten. Dan doen ze het met elkaar. Omdat ze iets bijzonders hebben meegemaakt. Ze snuift de matte geur op van het desinfecteermiddel dat over zijn voorhoofd is uitgesmeerd. Het doet haar aan het sap van uien denken. Hem resten de sporen van Cabochard en rode wijn. Denken doet hij niet.