De meer liefhebbende

Ik had me even teruggetrokken op het platteland, in een schrijversresidentie. Het Vlaamse platteland, dat is toch weer iets anders dan het Nederlandse platteland. ‘s Nachts hoorde ik uilen.

Ik neem tenminste aan dat het uilen waren, en geen lammeren die bij hun moeders vandaan werden gehaald. Of was het nou het omgekeerde waar Clarice Starling in The Silence of the Lambs niet van kon slapen: de moeders die bij hun kroost werden weggehaald? Er werd voor me gekookt in die residentie, zodat ik alle tijd had om aan van alles te gaan denken. Bijvoorbeeld hoe het kan dat schrijvers niet kunnen autorijden. En waarom filosofes hun dochters van die namen geven. Salomé. Rodante. Mag je nog een bestaan in de luwte leiden, als je zo heet. Of Cosima.
Ik heb m'n dochter naar een koe vernoemd, en dat heeft ze me nog steeds niet vergeven.
Nee, dat lieg ik. In het eerste jaar van m'n studie zat ik bij een vrouw in de werkgroep die onmiddellijk m'n hart stal. Het was haar leeftijd, veertig, in combinatie met haar tongval, Vlaams, haar jasje, een mottig bontje, en het feit dat ze drie mannen had, en tevreden hield.
M'n dochter boet nog dagelijks voor mijn betovering van destijds. Toen ik niet zo lang geleden in de supermarkt op het etiket van een wijnfles haar naam ontwaarde, laadde ik mijn kar helemaal vol en schoot ik de magazijnchef aan in de hoop dat hij achter nog wat dozen had liggen. Uit puur enthousiasme mailde ik de wijnboer, dat ook ik een … in mijn leven had, waarop hij antwoordde dat zij zijn lievelingszwijntje was. En dan heb ik dat -tje er zelf nog aan toegevoegd.
Het was een oude boerderij waar ik verbleef. Denk hoeve, denk Novecento. Zelfgeplukte peren, zelfgemaakte jam. De vrouwe des huizes had een woeste bos haar tot aan het middel. Ze kookte glutenvrij, omdat de Canadese schrijfster in het gezelschap een allergie had. En ze maakte beelden, en foto’s. In de verbouwde hooizolder stuitte ik per ongeluk op haar laatste werk: bustes van alzheimerpatiënten. Een heel wit, stil leger stond daar opgesteld; de koppen van mensen bij wie alle verzet afwezig was. Ik wist niet wat ik zag. Wel voelde ik onmiddellijk de tranen branden. Mijn moeder, en nu niet dat -tje eraan toevoegen. Zo argeloos en onbevreesd, zo weerloos vooral. Het idee dat ze belaagd zou kunnen worden, dat er niemand is die over haar waakt, ik kan er wakker van liggen. Alle mensen die haar kwaad zouden willen doen, ik zou ze op z'n langzaamst doodknuppelen.
’s Avonds aten we glutenvrij en heerlijk, aan de lange houten tafel buiten. De Amerikaanse schrijfster in het gezelschap zei dat een vriendin van haar altijd vroeg, zo gauw er een nieuwe liefde in het spel was, ‘who’s got the power?’
We waren er allemaal even stil van, wie heeft de macht, jeetje.
De Amerikaanse verbrak de stilte. Legde uit. Dat er altijd een meer en een minder liefhebbende partij was, en dat de laatste dus in het voordeel was. Dat zij het ook een kutvraag vond, maar wel altijd na even nadenken het antwoord wist.
De vrouwe des huizes, met een grote mand op schoot waarin zich de oogst aan walnoten van die dag bevond, schudde haar haren naar achteren.
'Daar heb ik nou nog nooit aan gedacht’, zei ze.
Zo Vlaams en zo lief.
Wie heeft bij mij de macht.
Dit lieg ik niet. Wat me nooit gebeurt, gebeurde me nu. De maan vertoonde zich nog niet eens, de jongste van de honden legde haar kop op mijn schoot, nog net zichtbaar in de schemering schoot er een konijntje over de grasvlakte voor ons, in de hoeve pingelden de lichtjes. En in mij welden spontaan dichtregels op.
If equal affection cannot be
Let the more loving one be me
Instant magie. Ik werd door het gezelschap rond de tafel aangekeken alsof ik ter plekke deze lamentade had bedacht, en niet W.H. Auden lang, lang geleden. De Amerikaanse verzuchtte: dat het inderdaad beter was om de meer liefhebbende partij te zijn. Dieper. Terwijl zij en ik allebei wisten: dat zij dat nooit zou zijn. En ik ook niet. De Canadese en de Vlaamse, zij wel.
Kijk om je heen. Je weet het meteen, wie welke partij is.
Het gekste vond ik toen mijn dochter net geboren was, dat ik haar gewoon mocht houden. Dat er niet eerst een inspectie over de vloer kwam, om te kijken of het allemaal wel vertrouwd was. Zo iets groots, zo'n baby. Zo aan je overgeleverd.
Diezelfde avond zocht ik een ander gedicht op. One art, van Elizabeth Bishop.
The art of losing isn’t hard to master
so many things seem filled with the intent
to be lost that their loss is no disaster…
Veel moeilijker uit het hoofd te leren dan The More Loving One van Auden. Je kunt je eindeloos laten liefhebben, op een dag heb je hoe dan ook het nakijken.