DE THUISKOMST VAN DE ZWIJGENDE MEERDERHEID 

De meerderheid zwijgt niet langer

De zwijgende meerderheid, een rusteloos zwervend volk dat nu eens bij deze, dan weer bij die partij aanhaakt, groeit steeds meer uit tot een electoraal blok op rechts. Bij het begin van het politieke seizoen drie stukken over het onbegrip tussen de kiezer en de politieke partijen.

TERWIJL WIJNAND DUYVENDAK door een zijdeur afging, krabde het progressieve commentariaat zich verbaasd op het hoofd. Wat hier gebeurde, zou in een beschaafd land als het onze toch onmogelijk moeten zijn. Wij doen immers niet aan ‘mccarthyisme’, aldus bijvoorbeeld ChristenUnie-fractieleider Arie Slob op zijn persoonlijke weblog. Wie het Nederlandse publieke debat volgt, weet echter dat die veronderstelling niet correct is. Verdachtmakingen van het type waarop ‘Tailgunner Joe’ het patent had, worden ook in ons land wel degelijk met enige regelmaat gebruikt. Zij vormden de inspiratie voor de moord op Pim Fortuyn door een extreem-linkse milieufanaat en waren de directe aanleiding voor het voortijdige vertrek van Ayaan Hirsi Ali uit de Tweede Kamer en uiteindelijk ook uit ons land. Links heeft overigens niet het patent op politieke heksenjacht. Ad Melkerts zorgvuldig geplande mars naar het Catshuis eindigde bijvoorbeeld in een verpletterende verkiezingsnederlaag en een overhaaste vlucht naar Amerika nadat hij door rechts als zondebok voor de moord op Fortuyn was aangewezen.
De vraag is nu hoe dit mogelijk is. Hoe kan het dat het ogenschijnlijk gemoedelijke Nederland veranderd is in een koortsig moeras waarin fatsoen en wederzijds respect kansloos lijken weg te zinken? Natuurlijk, schofferingen, heksenjachten en polarisatie horen ook in Nederland al sinds mensenheugenis bij het politieke bedrijf. Net als periodieke uitbarstingen van consensus en gezelligheid, overigens. Toch lijkt er nu wel iets bijzonders aan de hand. De slinger die van polarisatie naar consensus zwaait, lijkt uit het lood geslagen. De perioden van consensus worden steeds korter, de uitbarstingen in perioden van polarisatie steeds heviger. Er is een kracht aan het werk die het debat op magnetische wijze richting polarisatie trekt. Die kracht is de zwijgende meerderheid.

HET BEGRIP ‘ZWIJGENDE MEERDERHEID’ werd in november 1969 geïntroduceerd door de Amerikaanse president Richard Nixon in een televisietoespraak tot het Amerikaanse volk. Het woord ‘zwijgend’ had een drievoudige betekenis. Om te beginnen was het bedoeld om het contrast te schetsen tussen de luidruchtige Vietnam-demonstranten en de ‘grote zwijgende meerderheid’ die inzag dat een land als Amerika de ‘hoop op vrede en vrijheid van miljoenen’ niet zomaar kon laten vertrappen door het totalitaire Noord-Vietnamese regime. Het gebruik van de term ‘meerderheid’ diende er daarnaast ook toe om Nixons eigen positie te rechtvaardigen. De demonstranten, zo wilde hij duidelijk maken, spraken alleen namens zichzelf en niet namens het Amerikaanse volk.
Op een dieper niveau appelleerde de term ‘zwijgende meerderheid’ ook aan een diepgevoelde overtuiging onder Amerikaanse kiezers, namelijk dat de gemiddelde Amerikaan een stille kracht bezit die niet wordt opgemerkt door de spraakmakende klasse. Franklin Roosevelt tapte als eerste uit deze bron door zijn beleid af te stemmen op de ‘forgotten man’, de man die door Wall Street en Washington in de steek was gelaten in de donkere dagen van de Grote Depressie. Verheffing van deze klasse van vergeten Amerikanen was het expliciete doel van Roosevelts New Deal, een programma dat ook de inspiratie vormde voor de naoorlogse opbouw van onze eigen verzorgingsstaat. Nixons gebruik van de term ‘zwijgende meerderheid’ was een bevestiging van zijn gewaagde electorale strategie, namelijk om FDR’s oude New Deal-coalitie om te vormen tot een nieuwe Republikeinse meerderheid.
De maatschappelijke ontwikkelingen van het voorgaande decennium boden daar overigens alle ruimte toe. Toen de emancipatie van de arbeidersklasse begin jaren zestig voltooid was, ontstond een kloof tussen de nieuwe middenklasse van voormalige arbeiders en de progressieve elite die zich altijd had ingezet voor verbetering van hun lot. Het proces van embourgeoisement speelde ongetwijfeld een belangrijke rol. Met de nieuwe materiële welstand kwamen ook nieuwe zorgen en nieuwe aspiraties die niet altijd overeenkwamen met de zorgen en aspiraties van de sociaal-democratische beweging. Wie weinig heeft, denkt vooral in termen van solidariteit. Hij hecht aan klassieke sociaal-democratische idealen als herverdeling van schaarse middelen en de creatie van een effectief vangnet van sociale verzekeringen. Eenmaal toegetreden tot de bezittende klasse heeft diezelfde persoon echter heel andere zorgen. Vrijheid wordt belangrijker, met name de vrijheid om in alle rust van het eigen bezit te kunnen genieten. Dat bezit moet daarbij tegen bedreigingen van buitenaf worden beschermd – bedreiging door de medemens in de vorm van criminaliteit en bedreiging door de overheid in de vorm van hoge belastingen en opdringerige regelgeving.
Terwijl de arbeidersklasse zo in rap tempo verburgerlijkte, groeide in sociaal-democratische kring het onbehagen over dezelfde welstand die de arbeidersklasse zich met graagte liet aanleunen. De kritiek op het consumentisme zou in de loop van de jaren zestig meehelpen om de kloof tussen sociaal-democratie en voormalige arbeidersklasse nog verder te verbreden. Een derde constituerende factor van deze nieuwe kloof was de tegencultuur, die in de kern een ontkenning vormde van alles waar de verburgerlijkte arbeiders in geloofden: recht en orde, een gezond arbeidsethos, vaderlandsliefde, anticommunisme.
De groeiende kloof tussen de nieuwe middenklasse en haar oude politieke beschermheren schiep de ruimte voor een Republikeinse strategie om dit grote kiezersblok naar zich toe te halen. In The Emerging Republican Majority schetste een van Nixons adviseurs, Kevin Phillips, de contouren van deze strategie. Het nieuwe Republikeinse electoraat, zo stelde hij, woonde in de buitenwijken in plaats van de binnensteden, was afkomstig uit de geëmancipeerde arbeidersklasse en lagere (nieuwe) middenklasse in plaats van de hogere (oude) middenklasse en was mannelijk in plaats van vrouwelijk. De geografische locus van dit nieuwe Republikeinse electoraat was het zuiden en westen, niet de voormalige Republikeinse bolwerken in het verstedelijkte noordoosten. Met behulp van een op deze uitgangspunten gebaseerde strategie slaagden de Republikeinen erin de New Deal-coalitie te versplinteren. Ervoor in de plaats kwam een op de geëmancipeerde arbeidersklasse gebaseerde ‘laat me met rust’-coalitie – de zwijgende meerderheid.

DEZELFDE SOCIALE EN POLITIEKE ontwikkelingen die in november 1968 Nixon het presidentschap bezorgden, vonden ook in Nederland plaats. In de dominante geschiedschrijving over de jaren zestig wordt aan deze ontwikkelingen over het algemeen weinig aandacht besteed. Historici als Hans Righart en James Kennedy richten hun lens vooral op de gebeurtenissen en trends die als beeldbepalend voor die periode gelden: de Provo-happenings, de rellen rond het koninklijk huwelijk in 1966 en de opkomst van Nieuw Links en (in mindere mate) D’66. Toch valt er wel degelijk een heel andere geschiedenis van diezelfde periode te schrijven, een die kijkt naar de rol van de zwijgende meerderheid als drijfveer voor ingrijpende sociale en politieke verandering. Zo’n alternatieve geschiedenis zou bijvoorbeeld moeten kijken naar het openbreken van het verzuilde omroepbestel door de nieuwburgerlijke Tros. Of naar de onstuitbare groei van de krant die zich wist op te werpen als spreekbuis van de zwijgende meerderheid, De Telegraaf. En naar de opkomst, bloei en ondergang van het eerste politieke voertuig voor de aspiraties van de zwijgende meerderheid, namelijk de Boerenpartij. Het is een niet minder revolutionair verhaal dan het gangbare verhaal, maar dan wel op een heel andere manier. De revolutie van de zwijgende meerderheid was erop gericht de eigen kernwaarden – vrijheid, zelfredzaamheid – op te leggen aan een in oude hiërarchische patronen vastgeroeste, verbureaucratiseerde samenleving.
Het verhaal van de Tros is vooral het verhaal van Cornelis Verolme, de boerenzoon die het schopte tot scheepsmagnaat. In de vroege jaren zestig richtte hij met succes zijn pijlen op een van de grootste haatobjecten van de zwijgende meerderheid: het verzuilde mediastelsel. Hij investeerde in het REM-eiland, dat na enkele maanden van illegale uitzendingen met een inval door mariniers en politie uit de lucht werd gehaald. In een van de laatste uitzendingen werd het publiek opgeroepen lid te worden van een nieuw op te richten Televisie Radio Omroep Stichting (Tros) die het systeem van binnenuit zou gaan bestoken. Binnen enkele weken hadden ruim driehonderdduizend mensen zich aangemeld, meer dan genoeg voor een succesvolle aanvraag van de C-status binnen het verzuilde systeem.
Het enkele bestaan van de Tros was al een uitdaging aan het verzuilde systeem, maar ook de programmering van de nieuwe omroep. Het niet-politieke karakter van de uitzendingen was een politiek statement aan al die media-activisten die de weinige beschikbare zendtijd wilden gebruiken om misstanden onder hun aandacht te brengen. De zwijgende meerderheid had geen behoefte aan dat soort wereldverbeteraarsgezeur. Ze wilde vermaak en niets meer dan dat. Het ‘laat me met rust’-credo gold wat haar betreft dus ook voor de televisieprogrammering.
Voor de politieke inhoud was er immers iedere morgen De Telegraaf. Terwijl de krant van de socialistische zuil, Het Vrije Volk, door de verburgerlijking van de voormalige arbeidersklasse haar oplagecijfers zag imploderen, groeide De Telegraaf als kool. De succesformule was simpel. De krant las de lezer niet de les, maar sprak hem aan op zijn instincten. De statutair vastgelegde onafhankelijkheid weerhield De Telegraaf er niet van openlijk partij te kiezen, niet zozeer voor deze of gene politieke partij, als wel voor haar eigen lezerspubliek, voor de zwijgende meerderheid en haar zorgen en verlangens. En dus voerde de krant openlijk campagne voor een strenge aanpak van criminaliteit, voor het behoud van het koningshuis, voor belastingverlaging, voor het afschaffen van bemoeizuchtige regelgeving en voor een pro-Amerikaanse, anticommunistische buitenlandse politiek. Dat daarbij vijanden werden gemaakt, was onvermijdelijk. De krant werkte dat ook in de hand door naar hartelust te polariseren. Hippies, provo’s en andere demonstranten werden weggezet als werkschuw tuig, pacifisten als landverraders en ambtenaren en politici als bemoeizuchtige betweters. Even onvermijdelijk was het dan ook dat de krant door progressief Nederland tot volksvijand nummer 1 werd uitgeroepen. Het oorlogsverleden van De Telegraaf werd dankbaar gebruikt om de krant buiten de publieke orde te plaatsen – zonder succes. Eind jaren zestig was De Telegraaf uitgegroeid tot de grootste krant van Nederland, een status die ze nooit meer is kwijtgeraakt.
De Telegraaf speelde ook een belangrijke rol bij de lancering van de eerste politieke partij die haar succes dankte aan de zwijgende meerderheid, namelijk de Boerenpartij. Het verhaal van de Boerenpartij begint in maart 1963 met de zogeheten ‘veldslag bij Hollandscheveld’. De lokale boerengemeenschap kwam in opstand tegen de inbeslagname van de bezittingen van drie boeren die weigerden de omstreden landbouwschapheffing te betalen. Het geweld waarmee de overheid de protesterende boeren tegemoet trad, wekte de woede van de zwijgende meerderheid – en van De Telegraaf, die in deze episode een schoolvoorbeeld zag van de overal oprukkende bemoeizuchtige, quasi-almachtige staat. Surfend op deze golf van verontwaardiging kwam de Boerenpartij twee maanden later vanuit het niets met drie zetels de Kamer binnen.
In Boer (Hendrik) Koekoek had de Boerenpartij een leider die gemaakt leek voor de nieuwe tijd. Zowel in vraaggesprekken als in de Kamer sprak hij de taal van het volk (zij het met een boerenaccent). Samen met zijn geneigdheid om op vragen een eerlijk antwoord te geven vormde dat een nadrukkelijk contrast met de stoffige, regenteske retoriek van de gevestigde partijen. Het zorgde er mede voor dat Koekoeks partij in de daaropvolgende jaren uitgroeide tot de voornaamste spreekbuis van de zwijgende meerderheid.
Koekoeks succes was ook te danken aan het feit dat hij een agenda wist te ontwikkelen die duidelijk verder keek dan alleen het boerenelectoraat. Thema’s als belastingverlaging en bestrijding van bureaucratische uitwassen, vaderlandsliefde en koningsgezindheid deden het goed bij de nieuwe middenklasse in de voormalige arbeiderswijken. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1966 haalde de Boerenpartij haar steun dan ook vooral uit de grote steden. In Rotterdam en Den Haag haalde de partij zeven procent, in Utrecht en Amsterdam bijna tien procent. In Amsterdamse volkswijken als de Pijp en de Jordaan kwam de winst van Koekoeks partij vrijwel geheel bij de PVDA vandaan. De zwijgende meerderheid was ook in Nederland aan de lange oversteek van links naar rechts begonnen.
Wat Nixon in Amerika wél lukte, namelijk de zwijgende meerderheid permanent voor zich winnen en zo een geslaagde greep naar de macht doen, zou Koekoek in Nederland niet lukken. De verkiezingsresultaten van 1966 bleken achteraf bezien het electorale hoogtij voor de partij. De ondergang van de Boerenpartij liet zien dat de Nederlandse zwijgende meerderheid anders dan de Amerikaanse een aantal structurele problemen kende. In de eerste plaats was van een hechte meerderheid bepaald geen sprake. Koekoek zelf speculeerde graag over de ondergang van het oude verzuilde bestel, maar op korte termijn bleken de politieke scheidslijnen waarop dat systeem was gebaseerd sterker dan gedacht. Tussen oude en nieuwe middenklasse bleek het daarnaast niet echt te boteren. De oude middenklasse was het antirevolutionaire, bezadigde tegendeel van de sociaal dynamische, op onmiddellijke radicale verandering gespitste nieuwe middenklasse. Zonder rugdekking van de keurig rechtse, oudburgerlijke VVD kwam de Boerenpartij op rechts steeds meer alleen te staan in haar roep om verandering. En op kritieke momenten gaf De Telegraaf niet thuis. De steun die na de veldslag bij Hollandscheveld verleend was, bleek geen garantie voor de toekomst.
Terwijl Koekoeks opmars dus al was vastgelopen in een moeras van tegengestelde middenklassenbelangen, riep zijn succes van 1966 ook een linkse tegenreactie op die uiteindelijk tot zijn ondergang zou leiden. De zorg over Koekoeks succes onder het eigen oude kernelectoraat hielp de progressieve geesten te concentreren. Met geslepen pennen trokken ze ten aanval tegen ‘de fascistische reactie’, geholpen door het feit dat in Koekoeks vergaarbakpartij inderdaad enkele voormalige NSB’ers zaten. Koekoek, die zelf niets met extreem-rechts te maken had, werd weggezet als leeghoofdige leider van een staatsgevaarlijke club. Het linkse bombardement miste zijn uitwerking niet. Onder invloed van de spanningen van het moment brak Koekoeks partij in de late jaren zestig in meerdere delen. De door Koekoek voorgezeten romp zat nog tot begin jaren tachtig in de Kamer, vergeten door diezelfde zwijgende meerderheid die hem vijftien jaar eerder op het schild had gehesen.

WIE VANUIT DE ‘ANDERE’ JAREN ZESTIG lijnen doortrekt naar het Nederland van vandaag vallen onmiddellijk enkele zaken op. Een zo’n vaststelling is dat de zwijgende meerderheid nooit een permanent politiek thuis heeft weten te vinden. Het is altijd een rusteloos zwervend volk geweest dat nu eens bij deze, dan weer bij die partij aanhaakte. Na Koekoek zouden verschillende politici door de zwijgende meerderheid op het schild worden gehesen. Willem Drees jr., Hans Wiegel, Ed Nijpels, Ruud Lubbers, Frits Bolkestein en Pim Fortuyn mochten zich allen kortere of langere tijd verheugen in de steun van deze grillige kiezersgroep. Geen van hen slaagde er echter in deze kiezers blijvend aan de eigen partij te binden. CDA en VVD probeerden het wel, maar hun verzuilde reputatie schrok de zwijgende meerderheid uiteindelijk te veel af. De nieuw-politieke initiatieven DS’70 en LPF leken kansrijker, maar gingen uiteindelijk ten onder aan dezelfde problemen die ook Koekoeks Boerenpartij nekten – gebrek aan steun van De Telegraaf en van de oudburgerlijke rechtse partijen, onderlinge verdeeldheid en (vooral in het geval van de LPF) massale linkse aanvallen op hun stellingen.
Een tweede vaststelling is dat ongenoegen over progressief beleid en tegenculturele experimenten zich de afgelopen decennia heeft vermengd met frustratie over het onvermogen van de rechtse partijen om de revolutionaire aspiraties van de zwijgende meerderheid in daden om te zetten. Uit die cocktail ontstond een cynisme dat van de zwijgende meerderheid een instabiel element heeft gemaakt. Van tijd tot tijd leidt dat tot uitbarstingen, waarbij de Haagse politieke caleidoscoop grondig wordt opgeschud. Zo gebeurde het in 1994, in 2002 en opnieuw in 2006.
Dit cynisme wordt overigens ook gevoed door de progressieve smaakmakende klasse, die geen gelegenheid voorbij lijkt te willen laten gaan om de zwijgende meerderheid tegen zich in het harnas te jagen. De verwijdering tussen voormalige arbeiderspartij en voormalige arbeidersklasse lijkt wat dat betreft compleet. Het gemiddelde lid van de zwijgende meerderheid, de jongere blanke middelbaar opgeleide man, wordt in uitspraken en geschriften van de progressieve spraakmakende klasse steevast neergezet als een achterlijke, om niet te zeggen verachtelijke persoon wiens opvattingen met alle middelen bestreden dienen te worden. Voor een fatsoenlijk publiek debat is een dergelijke progressieve opstelling uiteraard niet bevorderlijk.
Een derde vaststelling is dat de zwijgende meerderheid langzamerhand meer tot een aaneengesloten electoraal blok is uitgegroeid. De oude scheidslijnen, die voor Koekoek nog onoverkomelijk waren, hebben in de afgelopen veertig jaar duidelijk aan betekenis verloren. De oude middenklasse is gekrompen terwijl de nieuwe middenklasse sterk is uitgedijd. Daarnaast is ook de scheidslijn tussen christelijk en burgerlijk rechts langzaam aan het vervagen. De harde kern van verstokt christelijk of burgerlijk-rechtse stemmers is tegenwoordig niet meer dan 25 zetels. De andere vijftig rechtse zetels komen van kiezers die net zo makkelijk CDA als VVD of TON of PVV stemmen. In plaats van de oude scheidslijnen is een nieuwe scheidslijn ontstaan, grofweg die tussen progressief en conservatief (in de Angelsaksische betekenis van het woord), oftewel tussen spraakmakende minderheid en zwijgende meerderheid. Zwevende kiezers blijken zich vooral binnen beide blokken te bewegen. Zwevers die van het ene blok naar het andere overspringen, zijn een uitzondering.
Het ontstaan van deze electorale blokken vergroot de kans op duurzame polarisatie van het publieke debat. Met het verval van de PVDA en de nog niet door commentatoren opgemerkte maar daarom niet minder reële neergang van de christen-democraten (in 1963 nog goed voor 76 zetels, nu in de peilingen net iets meer dan dertig zetels) is het Nederlandse politieke systeem bovendien zijn belangrijkste schokbrekers kwijtgeraakt. Het schept niet alleen ruimte voor de wilde electorale slingerbewegingen binnen beide blokken die wij de afgelopen decennia hebben gezien, maar ook voor de politieke scalpenjacht waarover de in de openingsalinea genoemde commentatoren zich beklaagden. De frustratie over het ontbreken van een betekenisvolle keuze en het bijkomende gevoel dat er binnen het huidige meerpartijensysteem met zijn eindeloos wisselende coalities nooit werkelijk iets verandert, moet immers van tijd tot tijd worden afgereageerd.
De enige manier waarop deze neergaande spiraal verbroken zou kunnen worden, is als iemand het voortouw durft te nemen om het huidige vermolmde partijsysteem te vervangen door een stabieler tweeblokkensysteem. CDA en VVD zouden met elkaar in overleg moeten treden over een duurzame rechtse lijstverbinding om zo de zwijgende meerderheid eindelijk een thuis te bieden. Een hoge kiesdrempel moet er daarbij voor zorgen dat ook de eigenzinnige rechtse splinterpartijen (PVV, TON en, waarom ook niet, SGP) geen andere keuze hebben dan zich bij de lijst aan te sluiten. De scalpenjacht wordt er uiteraard niet voor altijd door uitgebannen – politiek roept nu eenmaal emoties op. Maar door de zwijgende meerderheid eindelijk een blijvend politiek thuis te bieden, is het wellicht wel mogelijk de krachten die deze klasse oproept enigszins te kanaliseren en in beleidsdaden om te zetten. Wie weet zijn dan op termijn zelfs Amerikaanse toestanden mogelijk, met een enthousiast electoraat dat in groten getale naar zijn politieke leiders komt luisteren omdat er – eindelijk – weer wat te kiezen valt.

Joshua Livestro is columnist en essayist. Hij is als buitenlandcolumnist verbonden aan De Telegraaf. Van zijn hand verscheen in 2006 De adem van grootheid: Nederland in de jaren vijftig (Bert Bakker)