Essay: Bestaat het kapitalisme wel?

De meest geweldige show op aarde

Meer dan ooit houden we ons bezig met geld en schuld, markten, groei en krimp – met wat doorgaans ‘kapitalisme’ wordt genoemd. Maar wat nou als dat alles onzin is, pure fictie?

Medium kapitalisme

Een vuistdik boekwerk wordt in de lucht geheven. Dit is hem: de laatste versie van de International Financial Reporting Standards, de bijbel van elke accountant. Drieduizend bladzijden vol voorschriften hoe ondernemingen hun cijfers inzichtelijk moeten maken. Ingewikkeld? Dit is nog maar het topje van de ijsberg, zo wordt het gehoor van een twintigtal financieel journalisten uitgelegd. Voor beursgenoteerde bedrijven gelden veel meer verplichtingen: jaarrekening, halfjaarbericht, winst- en verliesrekening. Er zijn waslijsten aan ingewikkelde definities, waar je al dan niet mee kunt spelen: goodwill, ebitda. En denk eens aan het personele apparaat dat hiermee gemoeid is: de verantwoordelijke afdelingen binnen de bedrijven zelf, de teams van tientallen accountants die een beursgenoteerde onderneming door het jaar heen begeleiden; of een toezichthouder als de Autoriteit Financiële Markten, die dit alles met een kleine vijfhonderd fte in de gaten moet houden.

Plaats van handeling is het nieuwe hoofdkwartier van kpmg. In 2010 heeft de accountants- en adviesorganisatie deze zestigduizend vierkante meter in Amstelveen betrokken. Op een steenworp afstand staat het eigenlijk nog nieuwe ‘oude’ kantoor leeg. Aan die voorbarige verhuizing schijnt kpmg goed te hebben verdiend – maar daarover gaat het vandaag niet. De journalisten die zich verzameld hebben in een smalle vergader­kamer komen voor de workshop ‘greep op jaarcijfers’.

Aan de muren hangen litho’s van Marlene Dumas, vergezeld van een gedicht over Antonio Gramsci, kopstuk van de Italiaanse communistische partij en een van de belangrijkste marxistische denkers van de vorige eeuw. Maar het onderwerp is kapitalisme. Of nauwkeuriger: de kapitalistische bureaucratie. Want hoe moet je die rompslomp anders noemen – de duizenden pagina’s vol voorschriften, de vele tienduizenden accountants, consultants en andere adviseurs, de meters aan rapportages, het uitdijende leger toezichthouders?

En waarvoor? Om een select groepje beursgenoteerde bedrijven transparant te maken, niet op de laatste plaats zodat beleggers vanuit een gelijke informatiepositie hun aandelen kunnen verhandelen (wat desondanks in de praktijk nauwelijks het geval is). Om, met andere woorden, een piepklein deel van de economie enigszins te laten functioneren als een ‘markt’. Zoveel voorschriften, rapportages en nijvere bureaucraten doen eerder denken aan de Sovjet-Unie. Maar deze organisatie is opgetuigd om de als ‘vrij’ en ‘spontaan’ geprezen markt haar werk te kunnen laten doen. Dit is onze eigen kapitalistische planeconomie.

Minerva’s uil vliegt pas uit bij het invallen van de schemering, heeft Hegel ooit geschreven. Pas als een historische toestand op haar einde loopt, kunnen we haar op waarde schatten. Nu zal vrijwel niemand verwachten dat ons economisch systeem, het kapitalisme, binnenkort ter ziele gaat. Maar met de aanhoudende crisis heeft zijn imago wel een flinke knauw gekregen. De verf begint af te bladderen. De keizer heeft nauwelijks kleren meer aan. En steeds vaker vangen we een glimp op van de naakte waarheid.

Het is als in films als The Truman Show (1998). Lange tijd leidt Truman Burbank, gespeeld door Jim Carrey, een zorgeloos leven. Hij woont op een eiland, in het pittoreske plaatsje Seahaven. Wat hij niet weet, is dat zijn leven zich eigenlijk afspeelt in een gigantische televisiestudio. Sinds zijn geboorte is hij de hoofdrolspeler in de immens populaire Truman Show, ‘the greatest show on earth’. Zijn vrienden en familie zijn acteurs. Overal hangen verborgen camera’s. Na een reeks foutjes – een studiolamp komt uit de hemel vallen, zijn vrouw maakt wel erg opvallend sluik­reclame voor huishoudelijke producten – begint dat besef tot Truman door te dringen. Hij leeft in een illusie. Uiteindelijk ontdekt hij de wand van de studio. Zelfs op dat moment wordt hij gewaarschuwd om zijn wereld niet te verlaten: dit hier kan wel nep zijn, maar het is comfortabel en veilig, en buiten is het gevaarlijk. Denk aan de fameuze woorden van Margaret Thatcher: ‘There is no alternative.’

Die vergelijking is niet willekeurig. Lange tijd is het liberale kapitalisme voorgesteld als de beste, zo niet enige mogelijke wereld. De crisis heeft daar verandering in gebracht. De studiolampen vallen bij bosjes uit de hemel. Daar worden uiteenlopende conclusies aan verbonden. Veel Amerikanen, de Tea Party voorop, geven de overheid de schuld van alle problemen. Het échte kapitalisme zou nog altijd moeten beginnen. Anderen wijten de mankementen aan het ontstaan van een ‘virtuele economie’. Daarin verhandelen banken en andere financiële instellingen fictieve producten, waarmee ze al even fictieve winsten boeken. Sommige denkers, zoals John Gray en in eigen land Hans Achterhuis, hebben gewezen op het sterk utopische karakter van de ideologie van de vrije markt, van het neoliberalisme.

Dat laatste is een zeer interessante gedachte, maar je zou nog een stap verder willen gaan. De scheuren in het decor zijn niet enkel reden om te twijfelen aan de ‘echtheid’ van financiële instrumenten of de ideologie van het kapitalisme. Dat is pas het begin. Na een half decennium crisis doemt de uiterst ongemakkelijke vraag op of onze economie zélf geen fictie is. Of het systeem wel zo functioneert als wij, voorstanders én critici, sinds een eeuw of twee aannemen. Of de markt, de onzichtbare hand, de wet van vraag en aanbod – kortom, de hele kapitalistische rimram – wel bestaan.

Het intuïtieve antwoord laat zich raden: natuurlijk! Er komt toch maandelijks geld binnen op de bankrekening? Die schappen in de supermarkt lopen toch niet zomaar vol? Maar zo eenvoudig is het niet. Een verontrustend voorbeeld is de gebeurtenis die het afgelopen jaar de financiële wereld in haar greep hield: Liborgate. Libor staat voor London Interbank Offered Rate, de rente die banken elkaar onderling in rekening brengen. Libor is leidend voor onder meer de rente op veel hypotheken en ­bedrijfskredieten. Volgens sommige schattingen zijn hier financiële ­transacties ter waarde van vijfhonderd biljoen dollar aan gekoppeld. Een soortgelijk verhaal geldt voor de continentale evenknie van Libor: Euribor.

Deze zomer bleek dat er jarenlang op enorme schaal is gefraudeerd met beide ijkpunten van het financiële stelsel. Het eerste slachtoffer van die onthulling was Barclays. De Britse bank moest voor 450 miljoen dollar schikken met de toezichthouders. Een aantal topmannen ruimde het veld. Maar dat is pas het begin. Ook de meeste andere toonaangevende mondiale banken, waaronder de Rabobank, zijn in het vizier van de toezichthouders.

De grote vraag is hoe dit kon gebeuren. En daar wordt het pas echt interessant. Liborgate heeft namelijk de aandacht gevestigd op hoe de cruciale Libor- en Euribor-rentes tot stand komen. Het lijkt zo vanzelfsprekend: door middel van de wet van vraag en aanbod natuurlijk. De onzichtbare hand van Adam Smith doet zijn werk, en via dat prachtige mechanisme komt automatisch de juiste, optimale prijs tot stand. Dat geldt uiteraard ook voor de prijs van geld, rente dus. Zo is ons immers altijd verteld dat het kapitalisme werkt – toch?

De werkelijkheid ziet er compleet anders uit. De hand waar Smith over schreef, is helemaal niet onzichtbaar. Het zijn achttien paar, om precies te zijn, toebehorend aan medewerkers van evenzoveel toonaangevende banken. Elke ochtend geven deze mensen een getal door. Dat is hun schatting van tegen welke rente zij die dag geld kunnen lenen. De hoogste en de laagste waarden vallen af. Vervolgens berekent Thomson Reuters, een multinational die handelt in informatie, op basis hiervan de Libor-rente. De Euribor wordt op soortgelijke wijze berekend, maar dan op basis van informatie van 43 banken.

In The New York Times kwam de bedenker van Libor aan het woord. Deze meneer Zombanakis is inmiddels 85 jaar oud en teruggekeerd naar zijn thuisland Griekenland. De eerste Libor-lening, zo herinnerde hij zich, was afkomstig van een aantal banken en bestemd voor Iran. ‘We moesten een rentetarief vaststellen’, legde Zombanakis uit, ‘dus ik belde alle banken en vroeg ze om mij uiterlijk om elf uur ’s ochtends hun geldkosten door te geven. We kregen de percentages, ik maakte er een gemiddelde van en ik noemde het de London Interbank Offer Rate.’

Kijkt er geen onafhankelijke instantie over de schouders mee of het er zorgvuldig aan toe gaat? Niet echt. Het toezicht op Libor ligt bij de British Bankers’ Association. Inderdaad: de Britse lobbyorganisatie van banken. De gevolgen laten zich raden. ‘Dude. I owe you big time!’ schreef een handelaar aan zijn collega nadat die zoals gevraagd had gesjoemeld met het rentecijfer. ‘Coffees will be coming your way’, stelde een ander opgetogen.

Nadat deze misstanden in de zomer waren uitgekomen, ging vrijwel alle aandacht uit naar het lakse toezicht en het gebrek aan moraal bij de betrokken bankiers. Maar het werkelijk schokkende van deze hele affaire bleef buiten beeld. Zoals gezegd: Libor en Euribor zijn hoekstenen van het financiële systeem. Het zijn ijkpunten bij de bepaling van tal van andere rentepercentages: van leningen aan bedrijven of hypotheken voor huishoudens tot complexe derivaten. Dat alles blijkt nu dus gebaseerd op koehandel. Op ordinair vooroverleg.

En het is niet alleen de interbancaire rente die op zo’n wijze tot stand komt. Ook de prijs voor andere financiële producten, zoals dollarswaps, schijnt behoorlijk arbitrair te zijn. Zelfs het vaststellen van de olieprijs blijkt nattevingerwerk. Met een vrije markt, waarin als vanzelf optimale prijzen tot stand komen, heeft het niets te maken. Voor wie bereid is daarover na te denken, is dat een verbijsterende waarheid. Leven we eigenlijk wel in een markteconomie?

Nieuw is die vraag niet. Een van de meest indrukwekkende pogingen tot een antwoord is te vinden in de economische antropologie van Karl Polanyi (1886-1964). Opgegroeid in Boedapest verhuisde hij later naar Wenen. Daar stuitte hij in de jaren twintig als financieel journalist op de ideeën van Ludwig von Mises en Friedrich Hayek, die probeerden het negentiende-eeuwse laissez-faire-liberalisme nieuw leven in te blazen. Later, na de machtsovername van Hitler in buurland Duitsland, emigreerde Polanyi. Eerst naar Engeland. Vervolgens naar de Verenigde Staten, waar hij na de oorlog economie doceerde aan Columbia University in New York.

In 1944 verscheen zijn belangrijkste boek, The Great Transformation. Daarin schuwt Polanyi de grote greep niet. Hij stelt zich niets minder tot doel dan een verklaring te geven voor het ontstaan van het fascisme en de Tweede Wereldoorlog; voor hoe het kon gebeuren dat de negentiende-eeuwse liberale samenleving ten onder ging; en, op deze plaats het belangrijkste, welke rol de vrije markt daarbij speelde.

De centrale these, schrijft Polanyi aan het begin van zijn boek, ‘is dat het idee van een zelfregulerende markt een krachtige utopie impliceerde’. Het kon niet bestaan: ‘Het zou de mens fysiek hebben vernietigd en zijn omgeving in een wildernis hebben veranderd.’ Op de honderden bladzijden die daarop volgen legt Polanyi uit waarom dat zo is.

Anders dan de klassieke economie suggereert, is het laissez-faire-­kapitalisme niet het vanzelfsprekende eindpunt van een lange evolutie. Economische activiteiten waren juist altijd en overal ingebed in de rest van de samenleving. Van een op zichzelf staand domein van de economie was nooit sprake, laat Polanyi overtuigend zien. Uiteraard werd er gehandeld, maar dat gebeurde vooral lokaal, en van ‘markten’ in de moderne zin van het woord was geen spoor te bekennen. Bij die handel speelde het individuele streven naar winst bovendien een ondergeschikte rol. Juist omdat de economie onderdeel was van een gemeenschap keek je wel uit om al te veel geld te verdienen ten koste van een ander. Voor je het wist, werd je uit het dorp verstoten. Wederkerigheid en herverdeling waren daarom veel belangrijkere motieven dan welvaart vergaren.

Met de industriële revolutie kwam daar, onder invloed van de opkomende klasse van fabrikanten, politiek economen en hun welgevallige politici, plotseling verandering in. De vrije markt was volgens Polanyi dan ook allerminst de uitkomst van een spontane en natuurlijke ontwikkeling die de klassieke economen ervan gemaakt hebben. Zij was een even abrupte als gewelddadige breuk met het verleden. Niet spontaan, maar geforceerd. Niet natuurlijk, maar kunstmatig. ‘De weg naar de vrije markt werd geopend en open gehouden door een enorme toename in aanhoudend, centraal georganiseerd en gecontroleerd interventionisme’, aldus Polanyi. Overheidsbemoeienis dus. Adam Smith had makkelijk praten met zijn ‘eenvoudige en natuurlijke vrijheid’. In de praktijk kwam er heel wat meer bij kijken. Zo werd de ontwikkeling van de katoenindustrie, waarmee de industrialisatie in Engeland begon, door de overheid bevorderd middels exportsubsidies, importtarieven en indirecte loonsubsidies.

Helemaal gevaarlijk werd het in de lezing van Polanyi toen niet alleen de handel in katoen of steenkolen tot een ‘markt’ moest worden gekneed, maar ook de zogeheten ‘fictieve goederen’: arbeid, land en geld. Dáár lag volgens Polanyi, die overigens geen tegenstander van het kapitalisme was, de kiem van alle ellende. Het betrof zoals gezegd een fictie. Een mens is immers niet hetzelfde als een auto die je produceert en naar willekeur verhandelt. De gevolgen waren dan ook desastreus. Op de ‘arbeidsmarkt’ werden mensen, zelfs kleine kinderen, gedwongen om voor een hongerloon werkdagen tot achttien uur te maken. Ook de natuur werd genadeloos geëxploiteerd. En zelfs de ondernemers bleken niet veilig voor de ontketende markt. Een reeks crises toonde in de negentiende eeuw aan dat zonder overheidsbemoeienis de kapitalisten hun eigen systeem om zeep zouden helpen – en de rest van de planeet erbij.

Gezien de omvang van de bedreiging die de vrije markt vormde, vond Polanyi het dan ook niet vreemd dat de samenleving hier­tegen in verzet kwam. Anders dan de opkomst van de markt gebeurde dat wél grotendeels spontaan en pragmatisch. Lokale gemeenschappen voerden vaccinatieprogramma’s in of gingen over tot inspectie van gasfabrieken. Niet uit ideologisch fanatisme, maar gewoon, omdat de veiligheid van hun burgers in het geding was. Andere initiatieven richtten zich tegen de om zich heen grijpende kartelvorming. ‘Laissez-faire was gepland’, concludeerde Polanyi, ‘planning niet.’

Bij de nadruk die Polanyi legt op ‘de’ samenleving, als een hecht sociaal weefsel dat eendrachtig reageert op bedreigingen, kunnen vraagtekens worden geplaatst. Dezelfde antropologie waarop hij zich baseert, heeft laten zien dat ook vroege of verre menselijke samenlevingen lang niet altijd harmonieus waren. Daar kwamen net zo goed belangentegenstellingen en -conflicten voor. Maar dat doet niets af aan Polanyi’s krachtige ontmaskering van de mythe van de vrije markt.

Het enige waarop je hem daarbij kunt bekritiseren, is dat hij zijn analyse niet consequent genoeg doorvoert. Polanyi noemt het idee dat arbeid, natuur en geld een ‘markt’ zijn een fictie. Maar waarom? Omdat de gevolgen desastreus waren. Níet omdat er in werkelijkheid op tal van gebieden niet of nauwelijks sprake is van een markt.

Zoals gezegd: sinds de crisis komen er steeds meer krassen op het imago van de vrije markt. Dat uit zich onder meer door een lawine aan kritische boeken over dit onderwerp. De eerste en meest prominente categorie beperkt zich tot de (aloude) vraag waarom markten falen. Een tweede groep, zoals het onlangs uitgekomen The Surprising Design of Market Economies van de Amerikaanse journalist en onderzoeker Alex Marshall, gaat verder. Hij schetst de enorme juridische, mentale, fysieke en internationale infrastructuur die nodig was én is om markten te laten functioneren. Het meest recente voorbeeld daarvan kennen we allemaal: de markt voor co2-uitstootrechten. Geschapen uit het niets.

Maar er is nog een derde, radicalere benadering mogelijk. Een vroege voorzet daarvoor is gegeven door de Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Herbert Simon. Hij voerde begin jaren negentig in een publicatie een denkbeeldige bezoeker van Mars op, die de aarde vanuit de ruimte nadert. Stel dat dit marsmannetje een telescoop heeft die sociale structuren laat zien, schrijft Simon. En stel dat bedrijven en organisaties er door die telescoop uitzien als groene vlakken, terwijl markttransacties rood zijn. Ongeacht of het de Verenigde Staten, stedelijk China of de Europese Unie is, het plaatje zou behoorlijk groen zijn. ‘Een bericht teruggestuurd naar huis dat het beeld beschreef’, aldus Simon, ‘zou gaan over “grote groene gebieden verbonden door rode lijnen”. Het is niet waarschijnlijk dat het zou spreken van “een netwerk van rode lijnen die groene vlekken verbinden”.’ Toch zijn we volgens Simon gewend dat laatste te doen. Of we nou voorstander van marktwerking zijn of er sceptisch over zijn, allemaal gaan we ervan uit dat we in een ‘markteconomie’ leven. Ten onrechte. ‘Organisatie-economie’ zou een treffender omschrijving zijn, suggereert Simon voorzichtig.

Markten vormen, samenvattend, slechts een beperkt onderdeel van onze economie. Op die terreinen waar er wel sprake van is, blijken ze in de praktijk niet spontaan en vrij te zijn, maar van bovenaf ontworpen en onderhouden. Toch zullen velen moeite hebben met het feit dat de term ‘markteconomie’ een bar slechte benaming is voor wat zich om ons heen afspeelt. Het wijkt simpelweg te zeer af van hoe we denken dat de economie functioneert.

Makkelijker is dat misschien bij andere steunpilaren van het kapitalisme. Zoals vrijhandel. Is dat nou wel of niet een goed middel voor landen om zich te ontwikkelen? Daar kun je eindeloos over discussiëren. Maar feit is dat vrijhandel voor jonge economieën nooit aan de orde is geweest. Markten, zo hebben we gezien, moeten immers eerst door de staat gecreëerd worden. Pas na verloop van tijd zijn ze opgewassen tegen de internationale concurrentie. Net als kleine kinderen zijn ze aanvankelijk te pril om te kunnen overleven in de harde buitenwereld.

Daar kunnen we ons ook met eigen ogen van laten overtuigen. China, India en Brazilië hebben hun opzienbarende groei te danken aan protectionisme, overheidsbemoeienis, industriebeleid en al wat god nog meer verboden heeft. Maar dat gold eind negentiende eeuw net zo goed voor landen als Engeland en de Verenigde Staten. ‘Binnen tweehonderd jaar, wanneer Amerika alles uit protectie heeft gehaald wat eruit te halen valt, zal het ook vrijhandel invoeren’, zo luidt een uitspraak van Ulysses Grant, president tussen 1869 en 1877.

We doen, kortom, niet alleen onjuiste aannames over de rol van ‘de markt’ in onze economie, maar houden er ook verknipte ideeën op na van hoe landen zich binnen het kapitalisme ontwikkelen. Daar komt, om een laatste voorbeeld te noemen, nog een buitengewoon merkwaardig mensbeeld bovenop.

Wat drijft de mens? Weinigen zullen ontkennen dat, zelfs in de economie, er uiteenlopende motieven zijn als beroepseer, kuddegeest, solidariteit en loyaliteit. Daar hebben ook veel economen oog voor. Zo spreekt Herbert Simon, die van het marsmannetje, van ‘bounded rationality’. Toch is er een luidruchtige stroming die hardnekkig blijft uitgaan van de mens als ‘rationele actor’, gedreven door nutsmaximalisatie. Dat cliché komt bovendien vaak terug in populair-wetenschappelijke boeken en bijdragen van journalisten.

In zijn 23 dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme weerlegt Cambridge-econoom Ha-Joon Chang dit op vermakelijke wijze. Hij noemt het voorbeeld van Robert Merton en Myron Scholes. In 1997 kregen zij de Nobelprijs voor de economie voor het ontwikkelen van nieuwe methodes om de waarde van derivaten te bepalen. Beiden waren naast hun academische werk ook betrokken bij het hedgefonds ltcm. Uitgerekend die instelling deed met haar dreigende faillissement een jaar later Wall Street op zijn grondvesten schudden. In 2008 en 2009 vielen ook Mertons en Scholes’ nieuwe financiële hobby’s, pgam en de Trinsum Group, (bijna) om. ‘Wanneer Nobelprijswinnaars in financiële economie (…) laten zien dat ze niet begrijpen wat ze aan het doen zijn’, schrijft Ha-Joon Chang naar aanleiding hiervan, ‘hoe kunnen we dan economische theorieën accepteren die alleen werken omdat ze aannemen dat mensen volledig rationeel handelen?’

Datgene wat we doorgaans kapitalisme noemen, is een systeem van niet-bestaande vrije markten, die zich ontwikkelen volgens fictieve recepten, bevolkt door een (hopelijk) niet voorkomende menssoort. Dat kapitalisme bestaat niet. Wat is het dan wel, het economische systeem waarin we leven? De Duitse filosoof Walter Benjamin (1892-1940) schreef in een fragment over het ‘kapitalisme als religie’; ‘een niet vergevende, maar verschuldende cultus’. Iets soortgelijks beweert socioloog Willem Schinkel. In zijn eerder dit jaar verschenen boek De nieuwe democratie: Naar andere vormen van politiek heeft hij het over ‘kapitalisme als religie, met krediet als zijn geloof’. Toch schiet die verklaring te kort. De economie kan niet puur geloof zijn. Getuige de spullen die we dagelijks kopen, moet er wel degelijk zoiets als een ‘echte’ economie bestaan. Wie denkt bovendien serieus dat, om het systeem te doen instorten het voldoende is om massaal te stoppen met geloven? Probeer het eens uit, en je zult zien dat de economische en financiële macht in de wereld op heel wat meer is gebaseerd.

Het systeem waarin we leven, is niet de economie zoals die jarenlang bestudeerd is, namelijk zoals zij zou moeten zijn. Het gaat erom hoe de economie daadwerkelijk functioneert. Het reëel existerende kapitalisme dus. Erg fraai oogt het niet. In plaats van door elegante ‘spontane’ en ‘natuurlijke’ wetmatigheden wordt het Realkapitalismus gekenmerkt door brute macht. Het wordt niet gedomineerd door ‘de markt’, maar zit bomvol bureaucraten die een soort kapitalistische planeconomie in stand houden. En het wordt bevolkt door weerbarstige wezens – soms sociaal, dan weer egoïstisch – genaamd ‘mens’.

Om dat grotendeels nog onbekende terrein in kaart te brengen, is het nodig om de economische wetenschap te combineren met uiteenlopende disciplines als de antropologie, sociologie en geschiedenis. Dat is buitengewoon lastig, maar tegelijkertijd ontzettend belangrijk. Zo voorkomt het de schijngevechten die hand in hand gaan met bepaalde, al te gemakkelijke analyses van ‘het neoliberalisme’. Kiezen we voor de markt of de staat? Reguleren of niet? Chinees staats­kapitalisme of westerse vrijhandel? Wie beseft dat markten, voorzover ze al bestaan, inherent verstrengeld zijn met staten ziet dat die discussies de plank mis slaan. En alleen als we de economie daadwerkelijk doorgronden, kan zich iets als een ‘actief economisch burgerschap’ ontwikkelen, zoals de boven genoemde Ha-Joon Chang het noemt. Zonder zo’n actieve kennis van en bemoeienis met de economie stelt de 21ste-eeuwse democratie weinig voor.

In The Matrix uit 1999 (net als The Truman Show een film over leven in een illusie) wordt de werkelijkheid verhuld door een computersimulatie. Die vertoont echter steeds meer ruis. Beetje bij beetje wordt de echte, desolate wereld zichtbaar. ‘Welkom in de woestijn van de werkelijkheid’, zegt Morpheus, een van de karakters in de film. Het citaat is later gebruikt door Slavoj Zizek als titel van een boek. Maar het draagt ook de twee vragen aan waar het de komende jaren om zou moeten draaien. Hoe ziet onze woestijn, de economische werkelijkheid, eruit? En hoe komen we daar doorheen, op weg naar het beloofde land?


Beeld: Chris Steele-Perkins / Magnum / HH