Pockets

De meest onherroepelijke straf

Iedereen is tegen de doodstraf. Officieel althans, en in Europa. Maar waarom eigenlijk? Welke argumenten zijn doorslaggevend, en vooral: welke niet?

Op 9 oktober 1981 nam het Franse parlement een wetsvoorstel aan waarin de doodstraf werd afgeschaft. Frankrijk was het laatste West-Europese land waar deze straf nog voorkwam in het gewone strafrecht. In 1977 vonden de laatste twee executies plaats. Sinds het Verenigd Koninkrijk vier jaar geleden de doodstraf ook in het oorlogsrecht buiten de wet heeft verklaard, kan de doodstraf in heel West-Europa onder geen enkele omstandigheid meer worden opgelegd.

Dat is niet vanzelf gegaan en in grote delen van de wereld is van afschaffing nog lang geen sprake. In de zojuist verschenen Folio-pocket Réflexions sur la peine capitale worden 75 staten genoemd waar de doodstraf geheel verdwenen is en nog eens veertien waar dat alleen voor gewone misdaden het geval is. Dat is in totaal nog niet de helft van het aantal landen dat de wereld telt. Op het grootste gebied van het aardoppervlak is de doodstraf nog altijd van kracht. De Ver enigde Staten vormen daar alleen maar het meest in het oog lopende deel van. Veel animo voor afschaffing van de doodstraf lijkt er in de VS niet te bestaan. Daartegenover is afschaffing in Europa zo vanzelfsprekend dat het thema om omgekeerde redenen onbespreekbaar is geworden.

«In een beschaafd land is men tegen de doodstraf», schreef Gerrit Krol ruim tien jaar geleden toen hij terugkeek op de heftige reacties die het essay Voor wie kwaad wil, waarin hij de vanzelfsprekendheid van het antidoodstrafstandpunt ter discussie stelde, had losgemaakt. Krols stelling heeft iets van een dogma, waarnaast iedere twijfel automatisch klinkt als ketterij. Krol zette de stelling tussen aanhalingstekens. Hij gaf de publieke opinie weer, waarbij hij zichzelf inmiddels had aangesloten.

Waarom die publieke opinie tegen de doodstraf is, wordt zelden duidelijk, onder meer doordat het onderwerp met zoveel taboes is omgeven. Dat blijkt al uit het feit dat er in anonieme opiniepeilingen vaak heel andere geluiden klinken. Van de onaanvaardbaarheid van de doodstraf is menigeen in zijn hart kennelijk nog niet zo overtuigd, maar tegelijk houdt vrijwel iedereen dat zorgvuldig voor zich.

Waarom zijn we eigenlijk tegen de doodstraf? Réflexions sur la peine capitale is opgebouwd rond twee klassieke teksten die in de jaren vijftig het debat daarover hebben bepaald: Réflexions sur la guillotine van Albert Camus en Reflexions on hanging (Réflexions sur la potence) van Arthur Koestler. De laatste draagt vooral historische en politieke argumenten aan — naast een discussie over de vrije wil, altijd een geliefd onderwerp in de Angelsaksische filosofie.

Camus komt met breder wijsgerig geschut. Opvallend genoeg ontbreekt daarbij vrijwel geheel het argument dat in de discussies over de doodstraf gewoonlijk het pleit moet beslechten: de gedachte dat het menselijk leven onaantastbaar is omdat het een oneindige waarde vertegenwoordigt. De verdedigers kunnen zich daarbij beroepen op het derde artikel van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, dat iedere persoon het recht op leven garandeert. Veel helpt dat niet, want het antwoord op de vraag waarom iedereen het recht op leven gegarandeerd moet worden, is daarmee nog niet gegeven. Bovendien kun je je afvragen of dat recht nooit kan worden verspeeld.

Hetzelfde artikel garandeert ook het recht op vrijheid, maar de legitimiteit van gevangenisstraf is nooit aangevochten op grond van dat artikel. Er zijn kennelijk uitzonderingstoestanden waarin het artikel niet van kracht is. Wat geldt voor de vrijheid, geldt dan ook voor het leven.

Hoe staat het met de absolute waarde van het menselijk leven, die aan niets mag worden opgeofferd? Geloven we daar werkelijk in en handelen we ernaar? Wie die waarde serieus neemt, komt tot vreemde conclusies — en daarbij hoeven we niet eens naar oorlogssituaties te kijken. De eenvoudige gezondheidszorg zou, wanneer het menselijk leven werkelijk een absolute waarde vertegenwoordigde, aanspraak moeten kunnen maken op een maximale aanwending van alle middelen van een samenleving. In werkelijkheid nemen we het daarmee niet zo nauw en geven we ons geld liever uit aan andere nuttige, maar ook onnuttige dingen.

De consequenties reiken verder. Het bezwaar van anti-abortusactivisten dat in de vruchtafdrijving menselijk leven wordt gedood, is nooit afdoende weerlegd. De wetgever heeft daarbij voor een pragmatische oplossing gekozen, en dat deed hij terecht, maar het principe van de absolute waarde van een mensenleven — als het zou bestaan — werd terzijde geschoven.

Het meest vreemde gevolg van de verplichte eerbiediging van het menselijk leven zou wel zijn dat die zich ook naar ieders eigen leven zou moeten uitstrekken. De absolute waarde van het menselijk leven zou, met andere woorden, in conflict komen met het principe van de zelfbestemming. Niet alleen hulp bij zelfdoding, maar ook suïcide zelf zou opnieuw het delict worden dat het ooit was. Bizar zijn de verhalen over zelfmoordenaars die niet in hun poging slaagden, maar wegens overtreding van de goddelijke wetten alsnog werden terechtgesteld.

Toch waren de autoriteiten in die vonnissen volstrekt consequent. Het leven werd beschouwd als een geschenk van God en gold daarom als onaantastbaar. Maar omdat de overheden handelden op goddelijk gezag, waren zij — als Gods plaatsvervanger — wel degelijk gerechtigd om het leven te nemen. Dat het christendom, als godsdienst van de barmhartigheid, met de doodstraf nooit veel moeite heeft gehad, wortelt in deze overtuiging die, hoe vreemd ze ook mag ogen, in ieder geval logisch is. Logischer in ieder geval dan de moderne opvatting die het mensenleven zowel een absolute waarde als een volledige autonomie wil toekennen en daarmee Gods attributen eenvoudigweg op de mens overdraagt. Dat die opvatting daarin vervolgens verstrikt raakt, is niet verwonderlijk.

Kennelijk is het mensen leven niet een volstrekt onaantastbare waarde en kan het dat ook niet zijn. Maar dan zijn er, minstens theoretisch, ook daden denkbaar waarmee een individu zijn recht op leven verspeelt. De onmenselijkheid van een individu kan zo groot worden dat de samenleving hem op de meest radicale manier wil afwijzen. Volgens Camus zou ze dat niet mogen doen. Alleen een samenleving die volstrekt zuiver op de graat is, zou het recht hebben een mens als reddeloos slecht uit te stoten. Het evangeliewoord dat «wie zonder zonde is, de eerste steen werpe» heeft echter geen staat of samenleving er ooit van weerhouden recht te spreken en vonnissen te vellen. Met de doodstraf neemt de samenleving het woord «onduldbaar» volkomen ernstig.

Een voorwaarde zou dan moeten zijn dat de doodstraf publiekelijk wordt uitgevoerd, niet onzichtbaar op de binnenplaats of in de executiekamer van een gevangenis. Ook Camus is daarvan overtuigd. Een heimelijk uitgevoerde executie is een halfslachtigheid die de doodstraf pas werkelijk absurd maakt. Het voorbeeld dat de terechtstelling het volk wil voorhouden, is immers geen voorbeeld wanneer de terechtstelling wordt onttrokken aan de ogen van degenen die juist moeten worden gesticht. Dat veronderstelt overigens wel dat de doodstraf een unieke afschrikwekkende werking heeft. Camus ontkent dat, en daarin heeft hij een overmaat aan gelijk en bewijs aan zijn zijde. Maar hij concludeert te haastig dat de terechtstelling daarmee als publiek spektakel (en vervolgens als straf in het algemeen) haar legitimiteit verliest.

De Frans-Amerikaanse filosoof René Girard heeft erop gewezen dat de terechtstelling ook een ritueel is waarin een gemeenschap een hernieuwd soort «sociaal contract» sluit. Ze herbevestigt haar waarden door collectief datgene uit te stoten wat daarvan de ontkenning is. In zekere zin ligt een dergelijke uitstoting, aldus Girard, aan de samenleving zelf ten grondslag. Het oude ritueel van de zondebok die, beladen met alle schuld van het volk, de woestijn in wordt gestuurd, is daarvan de bekendste uiting.

De ter dood veroordeelde misdadiger is ook zo’n zondebok, ook al is hij niet onschuldig (maar dat is de zondebok in de ogen van de samenleving nooit). Toch is executie geen eenvoudige doodslag. Wil ze niet een simpele gerechtelijke moord zijn, dan moet, zo lichtte Girard zijn stellingen in een interview toe, de samenleving als geheel daarvoor de verantwoordelijkheid dragen. Ze wordt in zekere zin collectief schuldig aan de dood van de misdadiger, maar juist die collectieve schuld smeedt haar aaneen, als een gemeenschap van medeplichtigen. Alleen dankzij die schuld kan de gemeenschap bestaan.

In dat licht is het niet vreemd dat bij de executie van Timothy McVeigh, ter dood veroordeeld voor de bomaanslag van Oklahoma, het plan ontstond de terechtstelling via internet uit te zenden. Als je voor de doodstraf bent, wat Camus en Girard geen van beiden zijn, dan is openbaarheid in hun ogen een onmisbare vereiste, hoeveel ongewenste en onsmakelijke neveneffecten die ook moge hebben. In het geval van McVeigh werd uiteindelijk besloten dat slechts een aantal nabestaanden ooggetuige mocht zijn. Dat was de slechtst denkbare oplossing, niet omdat wraakzucht en genoegdoening op die manier een rol in de rechtsgang gingen spelen, maar omdat datgene wat een zaak van de samen leving als geheel had moeten zijn naar de particuliere sfeer werd overgeheveld.

Van wraakzucht wil Camus niets weten. Hij noemt haar een gewelddadig sentiment («dus niet een beginsel»), dat ons «vanuit de primitieve wouden is overgeleverd». Zoals Michel Foucault in zijn prachtige studie Discipline, toezicht en straf heeft laten zien, is vergelding sinds de achttiende eeuw steeds verder uit het strafrecht verdwenen. Vanaf hetzelfde moment werd ook de strafpleging meer en meer aan de ogen van het publiek onttrokken. Heropvoeding van de misdadiger werd belangrijker dan vergelding en werd ten slotte bijna het enige motief voor de strafoplegging. Om voor de hand liggende redenen was de doodstraf daarmee moeilijk te verzoenen.

Intussen lijken we aan het einde van die ontwikkeling te zijn aangeland. Voorzichtig wordt er in de rechtspraak opnieuw gesproken over wraak en vergelding als legitieme elementen van straf.

Tegelijkertijd begint ook de twijfel over het rehabiliterende vermogen van het strafrecht te knagen. «Men hoeft geen politiek genie te zijn om te kunnen voorzien dat we steeds vaker te maken zullen krijgen met moordenaars die, eenmaal vrijgelaten, opnieuw zullen moorden», schreef Gerrit Krol tien jaar geleden. Er is blijkbaar een grens aan de heropvoedbaarheid, zoals er ook een grens is aan de mate waarin we de wraakzucht willen opgeven ter wille van het reclasseringsideaal.

Maar wanneer we daaraan een rehabilitatie van de doodstraf zouden willen ontlenen, loopt de redenering vast. Want de «onverbeterlijken», waarvan ook Camus het bestaan onderkent, hebben we inmiddels leren zien als pathologische gevallen op wie niet de rechtspraak maar de gezondheidszorg van toepassing is. Straf vraagt schuld, maar naarmate een dader meer onverbeterlijk wordt, wordt hij ook meer ontoerekeningsvatbaar, en iemand te straffen voor een gestoorde geest vinden wij terecht ontoelaatbaar. De terechtstelling van iemand die niet in de morele zin van het woord schuldig is aan wat hij heeft gedaan, is niet langer een juridische toepassing van de doodstraf, maar een radicale administratief-medische handeling die de meest rigoureuze oplossing heeft gekozen. Als een vorm van rechtspraak kan dat niet meer gelden.

Dat maakt de wraakzucht aan de andere kant nog niet illegitiem, en in gevallen waarin de dader in overgrote mate toerekeningsvatbaar is, vraagt zij terecht om erkenning. Dat die toerekeningsvatbaarheid, paradoxaal genoeg, ook een zekere mate van «verbeterbaarheid» met zich meebrengt, hoeft de zwaarste straf niet in de weg te staan wanneer de mogelijke rehabilitatie te zeer wordt overschaduwd door de ernst van het delict. Omdat de onaantastbaarheid van het menselijk leven nooit absoluut is, wordt de doodstraf daardoor ook niet volledig uitgesloten.

Op principiële gronden kan de afwijzing van de doodstraf zich dus niet beroepen. Ze moet het (net zoals dat bij de abortus- en euthanasiewetgeving is gebeurd) zoeken in de pragmatiek. Het doorslaggevende bezwaar is haar onherroepelijkheid. Niet omdat ze de misdadiger geen kans meer zou geven om het goede in hem alsnog te laten overwinnen, maar eenvoudigweg omdat ze zich niet laat herroepen bij een verkeerd vonnis. Hoe veelvuldig en gemakkelijk het gerecht dwaalt, is recentelijk, in het geval van de Paskamermoord en wellicht nu ook de Puttense moordzaak, opnieuw duidelijk geworden. Schrijnender nog is de situatie in de VS waar, zo berekende Juurd Eijsvoogel drie jaar geleden in NRC Handelsblad, «voor elk van de zeven uitgevoerde executies ten minste één geval van een verkeerde veroordeling is».

Wanneer het om zulke zware en onherroepelijke straffen gaat, zou men verwachten dat gerecht en politie met een meer dan normale zorgvuldigheid te werk gaan. In feite is de kans op gerechtelijke dwalingen groter dan bij mindere delicten. Juist bij zaken waarin de doodstraf tot de mogelijkheid behoort, gaat het over misdaden die de samenleving schokken en waarin politie en gerecht de druk van de publieke opinie voelen. De inzet om een dader te vinden is groter dan normaal, en dus is ook de wil om tot een veroordeling te komen sterker. Met de nonchalance die vooral in Amerika nogal wat onschuldigen in death row heeft gebracht, heeft dat niets te maken. Politie en gerecht werken misschien wel iets te hard.

Dit pragmatische inzicht in de beperktheden van de rechtspraak en de soms fatale noodlottigheden van het criminele onderzoek is het enige doorslaggevende argument tegen de doodstraf. Het wordt door een overweldigende hoeveelheid feiten ondersteund en mag zich tegelijk op een zekere principiële nuchterheid beroepen. Het zal gerechtelijke dwalingen niet voorkomen, maar juist de erkenning dat deze zich voordoen behoedt de feilbare rechtspraak voor haar meest noodlottige consequenties.

Voor wie jarenlang onschuldig een gevangenisstraf heeft moeten uitzitten, is dat een schrale troost, maar niettemin een troost. Hem kan in elk geval alsnog recht worden gedaan, en ook al geeft niemand hem zijn verloren jaren terug, hij heeft tenminste nog een toekomst. Daartegenover heeft het verzet tegen de doodstraf geen principiële argumenten meer nodig; het wordt er wellicht alleen maar door gehinderd. Het verzet heeft voldoende aan een open oog voor de beperkt heden van iedere menselijke beslissing, de juridische in de eerste plaats.

Arthur Koestler/Albert Camus

Réflexions sur la peine capitale

Folio-pocket nr 3609, 283 blz., € 9,80

Michel Foucault

Discipline, toezicht en straf

Historische Uitgeverij, 445 blz., € 24,75

René Girard

De zondebok

Kok Agora, 256 blz., € 15,-

=====================

Leonard Cohen, The Favorite Game

Nog voor zijn succes met lijzige lyrics, opgenomen door een direct op de stembanden gemonteerde microfoon, debuteerde Leonard Cohen als romancier met The Favorite Game, een Bildungsroman over lijden en liefde van Lawrence Breavman, een joodse middle-class jongen uit Montréal. Portnoy’s Complaint was nog niet geschreven, maar Leonard Cohen (ook een joodse middle-class jongen uit Montréal) liep er in 1963 al op vooruit. Dat betekende bemoeizuchtige moeders, zwarte humor (bij voorkeur over nazi’s), geslachtshunker en veel joodse meisjes: «Jewish girls have very bad legs. Of course, this is a generalization. In fact, the new American Jewess is being bred with long beautiful legs.» Zeven jaar later publiceerde Cohen het erotische kwartet Beautiful Losers, met mobilisatie van alle stilistische en typografische hulpmiddelen die hij kon bedenken. Wat volgens de biografische noot geldt voor Cohens liedjes, geldt ook voor zijn romans: «With their themes of personal angst and longing, they caught the mood of a generation.» Decennia geleden, dat wel.

Beide pockets: Penguin, 244 blz., € 13,60

Victor Serge, Mémoires d’un révolu tionnaire

Geboren in Brussel uit Russische ouders werd Victor Serge een van de boegbeelden van het Franse anarchisme. Enthousiast geworden door de Oktoberrevolutie vertrok hij naar Rusland, werd partijlid en werkte voor de Komintern. Zijn kritiek op de eerste zuiveringen werd hem niet in dank afgenomen. Tien jaar later werd hij als trotskist uit de partij gestoten. Weer tien jaar later brak hij ook met Trotski. Hij schreef onophoudelijk: historische en politieke essays, romans, gedichten. Zijn bibliografie bevat een aparte afdeling «verloren gegane, onvoltooide en geconfisqueerde werken». Naast Serges Mémoires is in deze bloemlezing een groot aantal politieke geschriften afgedrukt, waaronder het appetijtelijke De coulissen van een algemene veiligheid: Wat iedere revolutionair over repressie moet weten. Het boek besluit met een interview dat Serge in 1947 in zijn ballingsoord Mexico werd afgenomen. «Het Westen heeft alleen maar toekomst als federatie, in samenwerking met de Verenigde Staten. Later, na de nodige rampen, zal Rusland erbij komen en verenigd zal Europa een hoogtepunt meemaken dat het verdeeld nooit had kunnen bereiken. Verre perspectieven, zegt U?» Een maand later verdween Victor Serge spoorloos.

Coll. Bouquins, 1047 blz, € 30,30

Angelus Silesius, Der cherubinische Wandersmann

Die Ros’ ist ohne Warum, sie blühet weil sie blühet. Dat is het mystieke antwoord op het laat-middeleeuwse, pessimistische Stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus (De roos van weleer bestaat als naam, naakte namen houden we over) uit De naam van de roos en op het nihilistische, twintigste-eeuwse A rose is a rose is a rose van Gertrude Stein. Angelus Silesius, die eigenlijk Johannes Scheffler heette, schreef in 1657 Der cherubinische Wandersmann als een verzameling piëtistische, meest tweeregelige epigrammen voor de alledaagse vroomheid. Zoals vaker bij mystici balanceren ze soms op de rand van de ketterij. Ich bin so grosz als Gott, er ist als ich so klein/ Er kann nicht über mich, ich under ihm nicht sein.» Met Angelus Silesius liep het niet goed af. Hij ruilde de poëzie in voor het religieuze strijdschrift en schreef in twaalf jaar tijd niet minder dan 55, steeds meer verkrampte polemieken. Hoe liep het af met de roos? Sie acht’t nicht ihrer selbst, fragt nicht, ob man sie siehet, luidt de tweede regel.

Diogenes Taschenbuch nr. 20644, 96 blz., € 10,30

Robert D. Putnam, Bowling Alone

Op 30 april 1999 kwam de Charity League van Dallas voor de laatste keer bijeen. De gemiddelde leeftijd van de leden lag rond de tachtig en al twee jaar lang was er niemand meer bijgekomen. «Een zinkend schip», concludeerde de voorzitter in zijn afscheidswoorden. Hij was de enige niet. Overal in Amerika staat het er met de vrijwilligersorganisaties slecht voor. En juist die zijn volgens socioloog Robert Putnam onmisbaar voor het vormen van gemeenschapsbanden en «sociaal kapitaal». In Bowling Alone luidde hij de noodklok over een samenleving op de rand van desintegratie. Wie alléén gaat bowlen, in plaats van zoals vroeger met vrienden en collega’s, moet volgens Putnam rekenen op minder succes, meer onveiligheid en een slechtere gezondheid. Als goede Amerikaan geeft Putnam er meteen de oplossingen bij: van gezinsvriendelijke arbeids omstandigheden tot een nieuw soort padvinderij, van meer voetgangerszones tot een religieuze awakening en van politiek engagement tot dansfestijnen (samen rappen mag ook).

Touchstone, 541 blz., € 19.10

Tom Hiney en Frank MacShane (red.), The Raymond Chandler Papers

Het leven van Raymond Chandler moet veel weg hebben gehad van dat van de privé-detectives uit zijn romans. In zijn brieven, schrijft Tom Hiney, komt een man naar voren «who had seen a lot, read a lot, drunk a lot, thought a lot and steered perilously close to insanity in the process». De brieven in deze bloemlezing wemelen van de wisecracks («Of course the lawyers always back each other up because they know that if they couldn’t hang together they’d hang separately»), maar ook van scherpe inzichten: «The really good detective picture has not yet been made, unless by Hitchcock (…) The reason is that the detective in the picture always has to fall for some girl, whereas the real distinction of the detective’s personality is that he falls for nobody.» Drie jaar later is hij niet meer zo zeker van Hitchcock. «I think you may be the sort of director who thinks that camera angles, stage busi ness, and interesting bits of byplay will make up for any amount of implausibility in a basic story», schrijft hij hem woedend. «I think you are quite wrong.»

Penguin, 268 blz., € 15,40

Hella Haasse, Fenrir: Een lang weekend in de Ardennen

Een landhuis, een excentrieke familie, een jongeman met speurderszin en een besnorde vreemdeling die een halfbroer blijkt te zijn: de korte roman Fenrir van Hella Haasse heeft onwillekeurig iets van Agatha Christie. Alleen het lijk ontbreekt, of het moest dat van een wolf zijn: een van de drie die pianiste Edith Walschade houdt op haar landgoed in de Ardennen. Wolven en Germaanse mythologie vormen de achtergrond van Haasses kunstig ineengevlochten intrige. De rol van Ediths vader in de nazi-tijd is onbekend en het vraagstuk van schuld en verantwoordelijkheid is de inzet van de intrige. Een verlossend antwoord komt er niet en is er misschien ook niet. Daarin verschilt Haasse dan weer van de grand lady of crime.

Querido, 163 blz., € 8,90

Kader Abdolah, Spijkerschrift

Tijdloos Iran: «In de dorpen worden meisjes geboren die de mooiste Perzische tapijtjes kunnen knopen. Tapijtjes waarmee je kunt vliegen. Echt vliegen.» Maar het is de twintigste eeuw. Nu, of bijna nu. Aga Akbar is doofstom. Hij ontwerpt een spijkerschrift om zijn gedachten op te tekenen. Het cahier gaat over op zijn zoon Ismaiel, vluchteling in Nederland. Dan is het echt «nu». Ismaiel probeert het spijkerschrift van zijn vader te ontraadselen, terwijl hij tegelijk de Nederlandse cultuur ontraadselt. P.N. van Eyck (De tuinman en de dood), J.C. Bloem (In memoriam) en de Grote Van Dale (Duin: heuvel van fijn zand). Kader Abdolah schrijft korte zinnetjes, even springerig en onvoorspelbaar als spijkerschrift. «De sjah heeft een zoon gekregen/ En er valt een dode papegaai uit de boom.» Heel even in het verhaal verschijnt een piepjonge Khomeini: «Op die avond kon zelfs de duivel niet vermoeden dat deze imam vijftig jaar later het koninkrijk van Reza Khan met wortel en al uit de grond zou trekken.»

De Geus, 379 blz., € 12,50