Grote ideologieën, deel 2: De sociaal-democratie

«De meeste mensen willen meer»

Grote ideologieën - deel 2: De sociaal-democratie

Dit is de tweede aflevering van een drieluik over de grote ideologieën. In april volgt nog het confessionalisme.

De verzorgingsstaat, een belangrijke verworvenheid van de sociaal-democratie, is lang en breed gerealiseerd. Gevolg: een verwende bevolking die enkel nog oog heeft voor rechten en niet voor plichten.

Omdat het sociaal-democratisch beginsel program uit 1977 al was verouderd op het moment dat het werd gepresenteerd, besloot de Partij van de Arbeid zich ten tijde van de ideologische verwarring onder Paars te gaan toeleggen op een nieuw verhaal. Was het immers niet al te zot dat partijleider Wim Kok zijn ideologische veren afschudde, terwijl de partij op papier nog pleitte voor radicale nationalisatie van indu strieën en banken? De tekst die tot stand kwam aan het eind van het kabinet-Den Uyl was duidelijk nogal gedateerd.

Na de verkiezingen van 1998 werd derhalve een commissie ingesteld waarin zo’n beetje alle stromingen van de moderne PvdA waren vertegenwoordigd. Voorzitter Willem Witteveen, senator en hoogleraar te Tilburg, kwam eind 2000 met het conceptstuk Tussen droom en daad, waarin overduidelijk gepoogd was de uiteenlopende visies op één gematigde lijn te krijgen. Maar, zei Witteveen voortdurend, het discussieproces dat aan het nieuwe beginselprogram vooraf ging, was misschien wel nuttiger dan het afgescheiden opstel zelf. Niettemin distantieerden de commissieleden Kalma en Hajer zich van het verhaal. Zij kwamen met hun beginselen. Ook het partijcongres kon niet met Witteveens concept uit de voeten. Het werd nogal flets bevonden en voorlopig niet aangenomen. Van de nieuwe beginselen voor de sociaal-democratie is sindsdien nog maar weinig vernomen.

Formeel gesproken is de PvdA op dit moment geen beginselpartij: het vorige program, dat van 1977, is door het congres als verouderd terzijde geschoven en het nieuwe program is nog niet aangenomen. Dat is in de naoorlogse sociaal-democratie niet eerder het geval geweest.

Voor de oorlog lag dit iets anders. Pas in 1937 werd immers het eerste werkelijke beginselprogramma, toen nog voor de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), gepubliceerd. De voorgangers van dit document (uit 1895 en 1912) handelden niet over beginselen, maar pretendeerden een wetenschappelijke analyse van de maatschappij te bieden, waaruit vervolgens de noodzakelijke marsroute naar het socialistische einddoel werd afgeleid. Beginselen suggereren een persoonlijke keuze, alsof de socialistische samenleving een kwestie van individuele voorkeur zou zijn. Een dergelijke subjectiviteit was de zich marxist noemende sociaal-democraten altijd een gruwel geweest.

De droom van een socialistische maatschappij ontstond te midden van de mensonterende ellende die de Industriële Revolutie met zich meebracht. Over hoe de alternatieve samen leving eruit moest zien bestond bij de bonte stoet idealisten met utopische fantasieën geen overeenstemming. Het was de eeuw van de wetenschap en Karl Marx en Friedrich Engels besloten dat die vroege socialisten onverantwoordelijke dromers waren en dat de ideale samenleving slechts langs wetenschappelijk verantwoorde weg bereikt kon worden. Hun «wetenschappelijk socialisme» beschreef niet hoe het toekomstige paradijs eruit moest zien, maar het analyseerde de maatschappelijke wetmatigheden die met ijzeren noodzakelijkheid tot het socialisme zouden leiden.

Hoewel er een forse kloof gaapte tussen Marx’ economische analyse en de politieke werkelijkheid, beriepen de Nederlandse socialisten die in 1894 de SDAP hadden opgericht zich vol overtuiging op zijn werk. Dat wilde niet zeggen dat elke letter van de grote profeet sacrosanct was. Het was niet de letter van de leer die telde, maar de wetenschappelijke methode, de overtuiging in het bezit te zijn van een uiterst geavanceerd, zo niet onfeilbaar instrument om de maatschappelijke verhoudingen en economische ontwikkelingen te analyseren. En met dergelijke wetenschappelijke analyses zou het slechts een koud kunstje zijn om de juiste politieke keuzes te maken.

De belangrijkste politieke eisen van de SDAP vóór 1918, invoering van het algemeen kiesrecht en de achturige werkdag, waren niet specifiek socialistisch. Nadat deze waren ingewilligd, zag de partij zich geconfronteerd met het feit dat ze de twee belangrijkste onderdelen uit haar agitatie had verloren. Er werden commissies benoemd die met rapporten kwamen waarin nieuwe eisen werden geformuleerd. Socialisatie van de belangrijkste productiemiddelen en medezeggenschap in de bedrijven, dat zouden de nieuwe speerpunten van de sociaal-democratische strijd worden. Een probleem was dat de pleidooien voor socialisatie en medezeggenschap electoraal niets opleverden, en de partij in de jaren twintig en dertig bleef steken op iets minder dan een kwart van de stemmen. Bovendien leek ook de eigen achterban niet overdreven warm te lopen voor deze eisen, en sloeg de, niet typisch socialistische, propaganda voor eenzijdige ontwapening veel meer aan.

Tijdens de economische crisis van de jaren dertig, die ook nog eens gepaard ging met de schijnbaar onstuitbare opmars van het fascisme, leek de partij met lege handen te staan. In Marx’ in feite liberale economische theorie hoorden crises er nu eenmaal gewoon bij. Ze vormden de noodzakelijke barensweeën van de nieuwe maatschappij. Een jonge, veelbelovende econoom als Jan Tinbergen, die met ideeën over werkloosheidsbestrijding kwam, werd aanvankelijk dan ook de oren gewassen omdat hij er niets van had begrepen. En dat arbeiders en middenstanders voor het fascisme kozen, dat was toch ook onbegrijpelijk, die hoorden toch thuis bij de SDAP?

Vanaf 1933 maakt de partij in enkele jaren een enorme ideologische heroriëntering door. Van het marxistische geloof in de wetmatige ontwikkeling van de maatschappij wordt afstand genomen; het socialisme is een zedelijk doel in plaats van de uitkomst van een noodzakelijk proces; de exclusieve oriëntatie op de arbeidersklasse moet plaats maken voor het streven een echte volkspartij te worden; nieuwe economische inzichten zoals die van Keynes leveren veel meer resultaat op dan het vertrouwen in de gestage ontwikkeling van de economie; nationale tradities dienen niet langer te worden genegeerd met een beroep op een vaag en in de praktijk onwerkbaar internationalisme; en gezien de steeds dreigender wordende internationale ontwikkelingen is het onverantwoord nog langer te pleiten voor eenzijdige ontwapening. Deze koerswijziging wordt vastgelegd in het Plan van de Arbeid uit 1935 en het twee jaar later aangenomen beginselprogramma. De «ingroei» van de sociaal-democratie in de liberale democratie lijkt hiermee voltooid, hetgeen wordt gesymboliseerd door het feit dat in 1939 twee SDAP-ministers worden opgenomen in de regering.

Na de Tweede Wereldoorlog gaat vrijwel alle energie van de sociaal-democraten, sinds 1946 verenigd in de PvdA, op aan de wederopbouw van de economie en de opbouw van de verzorgingsstaat. Dit laatste in eendrachtige samenwerking met de katholieken en zonder noemenswaardig verzet van de liberalen. Een stelsel van sociale zekerheid, betaalbare woningen, voor iedereen toegankelijke gezondheidszorg en onderwijs — het zijn zeer belangrijke verworvenheden, maar het oogt allemaal wel een beetje flets. Ook sociaal-democraten zijn gewone politici geworden, in plaats van profeten van een nieuwe tijd. Of zoals Simon Carmiggelt schreef in een gedicht over een oude sociaal-democratische politicus: «Partijgenoten, och gij zult het moeten doen/ met ’t rijk dat in zijn leven werd gewrocht./ Het is precies geworden waar hij altijd tegen vocht./ Maar nu is het van hem. Nu kan hij met pensioen.»

Een deel van de partij zit dit niet lekker. Op de linkervleugel roeren zich wat malcontenten, en een deel van hen verlaat de PvdA voor de in 1957 opgerichte PSP. In de jaren zestig begint vooral een jongere generatie zich te roeren. De pijlsnelle opmars van Nieuw Links door de partij-instituties wijst erop dat er onder nogal wat sociaal-democraten de behoefte leeft aan een nieuw socialistisch élan. De verworvenheden uit het tijdperk-Drees zijn niet zaligmakend. «De meeste mensen willen meer», zo valt er regelmatig te horen. Maar wat de meeste mensen nu precies willen? Voorlopig blijkt het nieuwe socialistische élan voornamelijk uit de rücksichts lose guerrilla tegen het partij-establishment, die oude, uitgezakte partijfunctionarissen die dezelfde kleur- en vormloze colbertjes dragen als andere politici. Alles moet democratischer, wat er in de praktijk op neerkomt dat de macht in de partij wordt overgenomen door lieden die, in tegenstelling tot de arbeiders die ’s ochtends vroeg de wekker horen, tot ver in de nacht kunnen vergaderen, om dan snel de meest verstrekkende besluiten te nemen. Hierdoor kan men zich uitleven in weinig om het lijf hebbende maar radicaal ogende actiepunten als de erkenning van de DDR en de Vietcong en het uittreden van Nederland uit de Navo. De strijd tegen het door de VS gedomineerde imperialisme en de identificatie met bevrijdingsbewegingen in de Derde Wereld — dat komt tegemoet aan de behoefte naar radicalisme en socialistisch élan. De PvdA moet niet langer een club zijn van grijze bestuurders die stukje bij beetje werkten aan de vervolmaking van de verzorgingsstaat. De PvdA moet een «actiepartij» worden.

In dat opzicht werd voor het radicale deel van de partij het kabinet-Den Uyl, waar later met zoveel nostalgie op werd teruggeblikt, een forse teleurstelling. De klassieke sociaal-democratische verworvenheden werden door dit meest linkse kabinet uit de Nederlandse geschiedenis verder uitgebouwd, maar met de omvorming van de maatschappij in socialistische zin werd, ondanks het nieuwe beginselprogramma van 1977, zelfs geen begin gemaakt.

Het programma was bedoeld als kroon op het radicaliseringsproces van de partij, maar kwam juist op het moment dat het linkse tij aan het verlopen was. Confessionelen en liberalen namen het roer over en de economische recessie begon steeds meer om zich heen te grijpen. Werkloosheid, bezuinigen, de buikriem — in geen enkel gesprek over politiek ontbraken deze woorden. De idealen van de jaren zestig en zeventig, toen de bomen nog tot in de hemel schenen te groeien, leken idiote hersenspinsels. Nadat de PvdA op onfortuinlijke wijze eventjes had meegeregeerd in het tweede kabinet-Van Agt, waarbij uitgerekend Den Uyl het mes in de ziektewet dreigde te zetten, leek de verwarring binnen de sociaal-democratie compleet.

De kritiek op het beginselprogramma van ’77 werd halverwege de jaren tachtig steeds scherper. Gestimuleerd door de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, deden historici en politicologen onderzoek naar de sociaal-democratie uit de periode 1930-1960, het tijdvak dat door de generatie van Nieuw Links altijd zo was verguisd. Het wethouderssocialisme van Drees, de technocratische aanpak van Tinbergen en Vos, het cultuursocialisme van Banning en De Kadt — het bleek allemaal heel wat inspirerender dan het quasi-radicale geschreeuw van Han Lammers, André van der Louw en Jan Nagel. Er werd een aantal commissies ingesteld die het gedachtegoed en de organisatie van de partij moesten analyseren. Rapporten als Schuivende panelen en Bewogen beweging maakten voor het eerst sinds tijden een echte, inhoudelijke discussie in de partij los. Paul Kalma publiceerde in 1989 Socialisme op sterk water, waarin duidelijk afstand werd genomen van het niets kostende radicalisme. En er werd steeds meer gesproken over de noodzaak om tot een nieuw, realistischer beginselprogramma te komen.

Dit proces van ideologische heroriëntering, dat enigszins lijkt op wat er in de jaren dertig was gebeurd, verzandt echter al spoedig, hetgeen onder meer blijkt uit het gegeven dat er ook in 2002 nog steeds geen nieuw beginselprogramma is. Dit heeft een aantal oorzaken. In 1989 ging de partij eindelijk weer regeren, zodat de praktijk van alledag alle energie opslurpte en de behoefte aan inhoudelijke discussies sterk verminderde. Bovendien viel in datzelfde jaar de Muur. De triomfalistische discussie over «het gelijk van rechts» barstte los en het initiatief kwam te liggen bij Bolkestein en consorten. De PvdA, wier anticommunistische reputatie was verkwanseld door Nieuw Links, had hierop vrijwel geen antwoord, of het moest de nogal beteuterde speech van Wim Kok uit 1995 zijn, waarin hij pleitte voor het «afschudden van de ideologische veren». Directeur Paul Kalma van de Wiardi Beckman Stichting — hij had al veel eerder gepleit voor het overboord zetten van de oude illusies — was aanvankelijk geneigd Koks opmerking positief te duiden. «Vogels die hun veren afschudden zijn immers bijzonder gezond: die veren groeien daarna weer aan. Ik vrees echter dat Kok het niet zo opvatte en dat die veren afgeschud blijven», zegt Kalma nu.

Inmiddels was Kok geen minister van Finan ciën en vice-premier onder Lubbers meer, maar gaf hij leiding aan het eerste paarse kabinet waarin voor het eerst zonder confessionelen de oude «klassevijanden» samenwerkten. Socialisten en liberalen, ging dat wel samen? Bleef er met al dat paars nog wel iets over van het socialistische rood?

Volgens Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), valt dat wel mee. De consensus over de verzorgingsstaat is immers van veel eerder. «We zijn heus niet allemaal liberalen geworden, zoals je de laatste tijd vaak hoort. De samenleving is in belangrijke mate vanuit een solidariteitsprincipe geordend. En niemand lijkt het daarmee oneens te zijn. Het proberen op te heffen van sociale achterstanden met gelijke rechten, plichten en kansen, uitkeringen als de AOW waar iedereen recht op heeft; dat alles is een belangrijke verworvenheid van de sociaal-democratie, en van de christen-democratie. Ook een partij als de VVD is niet geneigd de verzorgingsstaat aan te vechten.»

Tweede-Kamerlid Jet Bussemaker: «Dat wij als sociaal-democraten soms op zoek zijn naar een nieuwe strategie, is voor een deel natuurlijk te danken aan het enorme succes dat we geboekt hebben bij de opbouw van de verzorgingsstaat. Helaas zijn niet alleen de positieve dingen, maar ook de negatieve kanten altijd aan de sociaal-democratie verbonden. Christen-democraten willen doorgaans wel de medeverantwoordelijkheid voor de opbouw van de verzorgingsstaat, maar niet voor de hoge WAO-cijfers. Maar belangrijker is dat die verzorgingsstaat zo goed is georganiseerd dat die van iedereen is geworden. Mensen hebben niet meer het idee dat ze ervoor moeten vechten. Het is een vanzelfsprekendheid geworden.»

Die onbetwiste verzorgingsstaat, zo luidt het verwijt dikwijls, heeft geleid tot een verwende bevolking die alleen nog maar kijkt naar rechten en geen oog heeft voor plichten. Mensen die eenmaal een uitkering hebben, zouden onvoldoende prikkels krijgen om weer zelf voor de kost te gaan zorgen. Als ultieme uitwas wordt altijd naar het miljoen WAO’ers gewezen. En hoewel de PvdA hiervoor niet alleen verantwoordelijk is, krijgt zij toch meestal de schuld. Ten onrechte, vindt Bussemaker: «Juist de sociaal-democratie heeft de afgelopen jaren voorop gelopen bij de modernisering van de verzorgingsstaat. De flexibilisering van de arbeidsmarkt bijvoorbeeld. De manier waarop we daarmee omgaan, geeft goed aan hoe traditionele sociaal-democratische beginselen opnieuw invulling krijgen in een ander tijdsgewricht. Je moet niet alleen flexibiliseren, maar ook zekerheid bieden. Dat is ons klassieke uitgangspunt van gelijkheid en solidariteit.»

Ook zonder Pim Fortuyn was vorig jaar al duidelijk dat bij het paarse kabinet de rek er een beetje uit was. De euforie was na zeven jaar rood-blauwe samenwerking over. Wim Kok en de zijnen waren daarom enthousiast over het essay dat Paul Schnabel schreef als inleiding bij een serie Verkenningen voor een volgend kabinet. Volgens veel commentatoren was het stuk een poging om tot een gezamenlijke ideologie voor liberalen en sociaal-democraten te komen. Hoewel Schnabel dit altijd heeft ontkend, had het er veel van weg dat Kok zijn werkstuk gretig omarmde om de ideologische verwarring in eigen gelederen te maskeren.

In zijn essay Bedreven en gedreven probeerde Schnabel een nieuw evenwicht te vinden tussen het liberale vrijheidsbeginsel en het socialistische gelijkheidsbeginsel. Schnabel: «Voor wat betreft bijvoorbeeld de gezondheidszorg moet het uitgangspunt gelijkheid blijven, maar met een groter accent op vrijheid. We hebben de afgelopen vijftig jaar als samenleving in principe voor gelijkheid gekozen, dat is het meest succesvol gebleken. Dat is dus ook de meest realistische benadering. In de Verenigde Staten zie je het omgekeerde: daar is men uitgegaan van het principe van de vrijheid en moet men alle zeilen bijzetten om de verschillen niet al te groot te laten worden.»

Met de verkiezingen in zicht en het guurder worden van het politieke klimaat, lijken sociaal-democraten, maar ook de andere partijen, terug te vallen in oude reflexen. Schnabel: «Als het erop aankomt, dan blijkt het gelijkheidselement opeens weer belangrijker dan wat ook. Daar heb ik toch wat moeite mee. Enige keuzevrijheid kan toch geen kwaad?»

Dertig jaar geleden bestreden de West-Duitse christen-democraten hun sociaal-democratische tegenstanders met de leus «Freiheit statt Sozialismus». Socialisme en vrijheid waren twee begrippen die met elkaar op gespannen voet staan, vond men. Socialisten daarentegen beschouwen zichzelf wel degelijk als pleitbezorgers van de vrijheid. De gelijkheid, die volgens tegenstanders hun voornaamste doel zou zijn, is in werkelijkheid slechts een middel om het doel van de vrijheid te verwezenlijken. Belangrijk is de definitie die aan het begrip vrijheid wordt gegeven.

Isaiah Berlin maakte een onderscheid tussen «negatieve» en «positieve» vrijheid. Wie het concept vrijheid op een negatieve wijze definieert, trekt een duidelijke grens tussen het privé-domein en het publieke domein. Op dat duidelijk afgepaalde privé-domein kan de burger zelf zijn keuzes maken en mag de overheid niet interveniëren. Dit kan echter betekenen dat de burger keuzes maakt die negatief voor hem uitpakken. Voorstanders van een positieve invulling van het begrip vrijheid wijzen er daarom ook altijd op dat je pas echt «vrij» bent als je meester bent over je eigen leven, als je in staat bent tot «zelfverwerkelijking», als je een «full life» leidt. Socialisten hebben altijd gekozen voor dit positieve vrijheidsbegrip, en gezien de mensonterende toestanden waartoe de liberale nachtwakersstaat in de negentiende eeuw leidde, is dat ook zeer begrijpelijk.

De spanning tussen vrijheid en gelijkheid is binnen de Nederlandse sociaal-democratie de laatste jaren, vooral onder invloed van het uit Engeland overgewaaide Derde Weg-socialisme, een steeds terugkerend thema. Jet Bussemaker publiceerde onlangs samen met staatssecretaris Rick van der Ploeg het boekje Leven na Paars?, waarin een pleidooi wordt gehouden voor de PvdA als «radicale middenpartij» –— een variant op de Derde Weg.

Het idee van individuele verantwoordelijkheid binnen het systeem van collectieve regelingen spreekt Kalma wel aan. «Je biedt voorzieningen aan en daar mag heus iets tegenover staan. In de eerste plaats om die collectieve regelingen in stand te houden. Veel is wel in liberale richting doorgeschoten, met binnen het onderwijs en de zorg steeds meer het idee dat mensen hun zekerheid zelf moeten organiseren. Sommigen in de PvdA voelen hier steeds meer voor, maar mij lijkt dat zeer discutabel.»

Bussemaker: «Ik zie als een van de grootste uitdagingen van de verzorgingsstaat het geven van garantie van solidariteit en een garantie van goede zorg en onderwijs, in combinatie met keuzevrijheid die mensen willen.» Voor een deel van de PvdA-achterban is dit een nog verdere verwatering van het toch al zo sterk aangelengde socialisme. Volgens Bussemaker hebben deze «traditionalisten», waarbij ze met name oud-fractievoorzitter Thijs Wöltgens noemt, een bijna conservatieve opvatting als het om de verzorgingsstaat gaat. «Alsof we nog in 1950 leven in een samenleving waarin alle mensen nog dezelfde wensen hadden, waarin ze in een buurt leefden waar sprake was van sociale cohesie of controle, waar familiebanden nog sterk waren en families nog dicht bij elkaar woonden. Die traditionalisten noemen het begrip keuzevrijheid al heel snel liberaal, terwijl ik denk dat het juist ook een sociaal-democratische verworvenheid is om ook keuzes te kunnen maken. Individualisering is, zoals Alexis de Tocqueville al aangaf, een zelfbewustzijn van mensen waarin het kan gaan om het ontdekken van je eigen ik, van zelfontplooiing. Het hoeft dus niet alleen egoïsme en calculerend gedrag te zijn.»

Een volstrekt andere maatschappij, niet gebaseerd op het egoïstische marktprincipe, zit er bij de sociaal-democraten tegenwoordig niet meer in. Daarover hoor je zelfs GroenLinks en de SP niet meer. Volgens Kalma dient de vraag anders te worden gesteld: «De sociaal-democratie moet in mijn optiek de komende jaren vooral zoeken naar een compromis met het kapitalisme. De vraag is nu: welk kapitalisme wil je? En hoe zie je dat internationaal? Dat is op dit moment de kern van de sociaal-democratie.»