Meer kwaliteit voor de klas?

De meester heeft een master

De overheid wil meer universitair geschoolde mensen voor de klas. Want goed onderwijs begint bij goede leraren. Maar is een academische opleiding de oplossing? ‘Dat betekent nog niet dat ze ook weten hoe ze een kind van dertien wiskunde moeten leren.’

Medium groene master

Voor het raam van het klaslokaal loopt een meeuw op en neer. Een jongen laat zijn hoofd op zijn handen steunen en staart naar de vogel. Zijn buurvrouw pakt plakband uit haar rugzak en begint de kaft van haar boek te repareren. ‘Waarom is het belangrijk dat je een goed betoog kunt schrijven?’ vraagt lerares Nederlands Eveline Pollmann aan de groep. Met een stift in de hand kijkt ze haar leerlingen uit vwo 4 aan. Die slaan hun ogen neer of beginnen afwezig in een schrift te krassen. Het blijft even stil. Dan steekt een meisje aarzelend haar hand op, en zegt: ‘Als je bijvoorbeeld gaat solliciteren en je schrijft een sollicitatiebrief, dan moet je brief wel goed zijn.’ Op haar etui staat in dikke letters ‘Nederlands is saai’. Een jongen bij het raam veert op en zegt: ‘Of als je een klacht hebt.’ Pollmann kijkt hem aan. ‘Leg eens uit.’ De jongen denkt even na en zegt dan: ‘Als je iets hebt gekocht en het is kapot, dan moet je iemand overtuigen dat je je geld terug moet krijgen.’ Hij laat zich achterover vallen op zijn stoel en tikt met een pen op de rand van de tafel.

Pollmann zet de opdracht voor deze les op het elektronische schoolbord: schrijf een kort betoog over je eigen spreekbeurt, met daarin een standpunt en argumenten. Zuchtend en steunend buigen de zestienjarigen zich over hun schriften. Het duurt niet lang of een kleine jongen met een schittering in zijn ogen roept: ‘Ik ben klaar. Mijn spreekbeurt ging goed, want iedereen moest lachen!’ Iemand anders kijkt op en roept naar de docent: ‘Wie moeten we nou overtuigen? Kunnen we u hiermee nog overtuigen om ons een hoger cijfer te geven?’

Als de lesdag voorbij is, loopt Pollmann door de gangen van het Christelijk Lyceum Delft naar de personeelskamer. Ze lacht. ‘Sommige klassen zijn best pittig, en dan is het extra leuk als je merkt dat de leerlingen iets geleerd hebben. Ik probeer altijd heel duidelijk te maken waarom we iets doen. Daar besteed ik soms bijna de hele eerste les van een blok aan.’

Pollmann is 26 en vorig jaar afgestudeerd in Nederlandse taal en cultuur. Ze neemt deel aan Eerst de Klas, een trainingsprogramma voor excellente academici die nog niet weten of ze in het onderwijs of in het bedrijfsleven willen werken. Tijdens de tweejarige opleiding staan de trainees iedere week drie of vier dagen voor de klas, behalen ze hun eerstegraads lesbevoegdheid en volgen ze een leiderschapsprogramma bij grote Nederlandse bedrijven. De hoop is dat jonge, talentvolle academici, die anders niet voor het onderwijs gekozen zouden hebben, nu op een uitdagende manier kennismaken met lesgeven op een middelbare school. En dat zij daar misschien ook na het programma willen blijven werken.

In 2020 moet tachtig tot 85 procent van de leraren in de bovenbouw van het vwo universitair zijn opgeleid. Dat spraken het ministerie van ocw en de VO-raad onlangs af in het Sectorakkoord VO 2014-2017. Op dit moment blijft dat percentage op zestig hangen. Ook voor andere opleidingsniveaus is de afspraak om meer docenten met een academische achtergrond aan te trekken. Waar nu 37 procent van de leraren een mastergraad heeft, moet dat in 2020 vijftig procent zijn. Het zijn ambitieuze doelstellingen, want er dreigt eerder een tekort dan een overschot aan academici, zeker bij talen en wiskunde.

Het uitgangspunt dat goed onderwijs begint bij goede leraren werd vorige week nog eens benadrukt in de Troonrede. De grote vraag is of dit allemaal universitair geschoolde docenten moeten zijn. Een goede leraar heeft toch meer nodig dan alleen vakkennis, een kritische houding en het vermogen om boven de stof te staan? Is een universitaire scholing dan zo veel meer bepalend voor goed leraarschap dan een tweedegraads lerarenopleiding?

Allerlei scholingsprogramma’s zijn in het leven geroepen om academici ertoe te verleiden voor de klas te gaan staan (zie kader). Zo is er ook de academische pabo, want eveneens in het basisonderwijs is behoefte aan academici die zich niet alleen met onderwijs maar ook met onderwijsverbetering, schoolorganisatie of gedragsproblematiek bezighouden. Studenten halen daar in vier jaar een regulier pabo-diploma én een bachelor onderwijskunde of pedagogiek. In 2008 ging in Utrecht de eerste groep studenten van start, en de eerste alumni staan inmiddels voor de klas. Hoogleraar onderwijskunde Theo Wubbels, die de opleiding aan de Universiteit Utrecht oprichtte: ‘Academisch opgeleide leerkrachten brengen meer intellectuele capaciteit in het basisonderwijs. Zij kunnen wetenschappelijk onderzoek in de praktijk toepassen. Door hun pedagogische en onderwijskundige achtergrond zijn ze ook heel goed in staat om in te spelen op de individuele behoeften van kinderen.’

‘Als wij nu massaal eerstegraders gaan opleiden, moeten we ons ook afvragen: waartoe dan eigenlijk?’

Alice de Groot en Jessie van den Worm studeerden vorig jaar af aan de academische pabo in Leiden. De Groot werkt inmiddels vier dagen in de week op een basisschool, en voelt zich daar goed op haar plek: ‘Ik doe het met veel plezier. Als leerkracht in het primair onderwijs heb je een grote groep met enorm verschillende kinderen voor je. Je bent er steeds op gericht om hen allemaal het beste uit het onderwijs te laten halen. Dat is heel uitdagend. Ik denk ook dat het voor de school goed is om academisch opgeleide leerkrachten in het docententeam te hebben, want die brengen toch een andere kijk op het onderwijs en op de organisatie mee.’ Van den Worm is het met haar eens: ‘Wij zijn opgeleid om te reflecteren op wat we zien. We observeren de ontwikkeling van kinderen, en kunnen hen ondersteunen bij problemen.’

Er klinken echter ook andere geluiden. Niet iedereen vindt dat een academische opleiding van de leraar uiteindelijk bepalend is voor de kwaliteit van het onderwijs. Femke Geijsel, sinds 2009 lector pedagogische kwaliteit van het onderwijs aan Hogeschool Windesheim in Zwolle en sinds januari 2014 directeur van de Nederlandse School voor Onderwijsmanagement te Amsterdam en bijzonder hoogleraar aan de UvA, heeft grote twijfels bij het nieuwe beleid: ‘Mensen die een universitaire studie achter de rug hebben en die daarna een lerarenopleiding van een jaar doen, hebben de vakkennis en het analytisch vermogen van een academicus. Maar dat betekent nog niet dat ze ook weten hoe ze een kind van dertien wiskunde moeten leren. Je moet als leraar begrijpen hoe het leerproces bij kinderen verloopt, hoe je een groep verschillende leerlingen didactisch en pedagogisch kunt helpen om kennis uit te bouwen, en je moet ook weten hoe je daartoe op een goede manier kunt samenwerken met collega’s in je sectie en je team. Een eenjarige opleiding is daarvoor behoorlijk kort. Hbo’ers hebben in hun vierjarige opleiding meer aandacht voor praktijk, pedagogiek en didactiek, voor stages en voor het werken in een schoolorganisatie.’

Geijsel is in het algemeen wel blij met de aandacht van het kabinet voor de kwaliteit van leraren, en de wens om het niveau te verbeteren. ‘Het is alleen een beetje simpel om te denken dat je aan één knop zou kunnen draaien – alle leraren een masterniveau – en daarmee het probleem kunt oplossen. Daarvoor is de situatie veel te complex. Binnen ons onderwijsstelsel is de professionele ruimte voor docenten redelijk klein. Het onderwijs is ingedeeld in profielen en er is precies vastgelegd wat leerlingen moeten leren en wat er getoetst moet worden. Ook dat lijkt mij een belangrijke oorzaak voor het tekort aan academici voor de klas. Als wij nu massaal eerstegraders gaan opleiden, moeten we ons ook afvragen: waartoe dan eigenlijk? Om netjes binnen de lijntjes te werken die niet door de professional zelf bepaald worden? Of om een professional te zijn in de ware zin van het woord: om als leraar autonome keuzes te kunnen maken binnen een professionele schoolorganisatie, waarin leren en werken samengaan en waarin collega’s zich samen inzetten om de kwaliteit van het werk voortdurend te blijven ontwikkelen?’

Veel jonge leraren verlaten het onderwijs binnen een paar jaar, weet Geijsel: ‘Ik vermoed dat de specifieke organisatiecultuur van scholen ook een belangrijke reden is dat academici relatief weinig kiezen voor een baan in het onderwijs, of snel weer afhaken. Als je het heel zwart-wit stelt, zou je kunnen zeggen dat leraren die bereid zijn zich naar het schoolsysteem te schikken, blijven. En de rest vertrekt uit het onderwijs en gaat iets anders doen. Als er niets in de scholen verandert, gaat dat met de nieuwe hoos eerstegraders net zo hard gebeuren.’

Het is niet in iedere context het beste voor het onderwijs om exclusief met academici te werken, vindt Geijsel: ‘Belangrijk is dat leraren zich rechtstreeks verantwoordelijk voelen voor de ontwikkeling en het leren van hun leerlingen, en dat ze ook de vrijheid hebben om daarnaar te handelen. Pas dan is het onderwijs een prettige plek voor een leraar met een academisch denkniveau. En dan komt ook de kwaliteit van tweedegraads opgeleide leraren beter tot zijn recht. De schoolleiding speelt daarbij een belangrijke rol. Daarbij moet je ook wel zeggen dat het kennisniveau en inzicht in de onderwijspraktijk van lerarenopleiders steviger moet worden. En dat geldt mijns inziens voor zowel de universitaire als de hbo-opleidingen.’

Eveline Pollmann heeft inmiddels besloten het komende jaar fulltime in het onderwijs te gaan werken. Haar vrienden reageerden aanvankelijk verbaasd op haar keuze: ‘Mensen denken dat de doorgroeimogelijkheden beperkt zijn, de salarissen niet hoog en het is geen flexibele sector. Ik haal echter veel voldoening uit mijn werk en ik word heel enthousiast van mijn leerlingen. Ik wil nog wel iets erbij, om nog op een andere manier uitgedaagd te worden.’ Ze denkt aan een promotietraject, of toch een baan in het bedrijfsleven, voor ‘ernaast’. ‘Mensen zijn geneigd te denken: jij bent leraar, jij past niet in het bedrijfsleven. Maar als je dertig kinderen van zestien kunt motiveren, kun je dat ook met een groep medewerkers. Als leraar kun je goed presenteren, multitasken, je kunt leiderschap op je nemen: dat zijn in het bedrijfsleven ook heel belangrijke eigenschappen.’


Hoe krijgen we meer academici voor de klas?

Eerst de Klas is een van de initiatieven die meer academici naar het onderwijs moeten lokken, maar er zijn er nog veel meer. Afgelopen jaar ging bijvoorbeeld het Onderwijstraineeship van start: een trainingsprogramma dat de komende jaren vijftienhonderd universitair geschoolde docenten moet opleiden. Waar Eerst de Klas de samenwerking met het bedrijfsleven zoekt, ligt de nadruk in het Onderwijstraineeship op de onderwijskundige verdieping bij het lesgeven.

Studenten kunnen ook al tijdens hun bacheloropleiding op een laagdrempelige manier kennismaken met het onderwijs dankzij de Educatieve Minor, die in 2010 werd geïntroduceerd. Met die minor halen ze een tweedegraads onderwijsbevoegdheid waarmee ze direct als docent aan de slag kunnen in de onderbouw van havo, vwo en gymnasium. Voor leerkrachten die al in het onderwijs werken en zich verder willen ontwikkelen aan de universiteit zijn sinds 2011 speciale promotiebeurzen beschikbaar. Voor wie liever in het primair onderwijs wil werken is met de academische pabo een nieuwe, universitaire opleiding tot leerkracht basisonderwijs in het leven geroepen.