HORST JANSSEN EN DE VERGANKELIJKE WERELD

De meester van het verval

Het Rembrandthuis wijdt een tentoonstelling aan het enorme en indrukwekkende oeuvre van Horst Janssen, de grootste tekenaar van de twintigste eeuw. Centraal staan de relatie met de Nederlandse kunst en de thematiek van verval en dood.

DE TEKENAAR-GRAFICUS Horst Janssen (1929-1995) was in Hamburg een cultfiguur, op straat van verre herkenbaar aan zijn morsige uiterlijk en onvaste gang. Zijn lichaamsverhoudingen klopten niet helemaal: het hoofd leek te groot, zodat zijn zoontje hem der Riesengroße Zwerg noemde. Voedsel- en alcoholopname deden hem opzwellen tot honderdtien kilo. Hij werd regelmatig verliefd op broodmagere meisjes, die soms op zijn avances ingingen, doch het slechts korte tijd met hem uit konden houden. Doordat hij zijn gebit niet onderhield was hij op zijn 45ste al tandeloos, en doordat hij zijn huis niet onderhield, stortte hij op een kwade dag met balkon en al naar beneden en verloor bijna zijn gezichtsvermogen doordat er uit een meegesleurde fles salpeterzuur spetters in zijn ogen kwamen.
Wanneer hij redelijk nuchter was, kwam een niet geringe verbale begaafdheid aan het licht. Hij liet geen gelegenheid voorbijgaan om voor de Norddeutscher Rundfunk op het scherm te verschijnen en daar meeslepend over zichzelf te spreken, waarbij hij niet onder stoelen of banken stak dat hij in leven en werk werd voortgedreven door zijn angst voor de dood. Menigmaal werd de ontroering hem te machtig en dreigde zijn bril door tranen weg te spoelen. Wat vond het publiek hiervan? Men keek vertederd toe, want men werd bevestigd in de opvatting dat een kunstenaar zich zo hoorde te gedragen.

Zulke types zijn nu zeldzaam geworden, maar een halve eeuw geleden kwam je ze in de Amsterdamse binnenstad nog volop tegen, harige levensvormen in manchester broeken op sandalen, die hun best deden de burger te verontrusten. Horst Janssen was een van de laatsten van dit soort. Toentertijd zou ik hem afgeschreven hebben als de zoveelste poseur die al zijn energie in zijn verschijning stopte en dus niets kon overhouden voor zijn werk. Dan zou ik het lelijk mis gehad hebben. Hij heeft een oeuvre geschapen van waarlijk picassiaanse omvang. Het aantal etsen is al meer dan duizend, en de hoeveelheid tekeningen moet een veelvoud hiervan bedragen. Het tekenen noemde hij kritzeln, krabbelen; het ging de hele dag door, zelfs in zijn slaap, beweerde hij.
Zijn vroegste houtsneden en etsen waren abstract en/of modernistisch gestileerd, maar toonden meteen al superieur vakmanschap. Ze hadden onmiddellijk succes bij de prentenverzamelaars. Aan waardering heeft het hem nooit ontbroken. Maar tevreden was hij niet. Na 1970 begon hij meer naar de natuur te tekenen en dan begint wat wij zouden noemen het eigenlijke werk. Hier treedt een merkwaardig verschijnsel op. Je kunt de natuur niet letterlijk kopiëren. Er is veel te veel te zien. Je moet een keuze maken tussen wat je op wilt nemen en wat je weg zult laten, en die keuze wordt in hoge mate bepaald door voorbeelden van vakgenoten. Janssen heeft zich door vele voorlopers laten beïnvloeden, het meest door Rembrandt, naar wie zijn grootste bewondering uitging. De huidige tentoonstelling van zijn werk in het Rembrandthuis is dan ook precies op haar plaats. De directie stelt in haar uitnodiging dat dit de primeur van Horst Janssen in Nederland is. Dat is niet zo: in 2006 werd hij in museum De Buitenplaats te Eelde met een solotentoonstelling geëerd. Dat maakt de huidige show allerminst overbodig; van de grootste tekenaar van de twintigste eeuw krijgen wij niet gauw genoeg.

Zijn Rembrandt-verering wordt zichtbaar in een reeks varianten van zelfportretten van de grote meester. Op één daarvan heeft Janssen een paar opmerkingen gemaakt: ‘Rembrandt: 1 mens; Rubens: 1 minister van buitenlandse zaken; Van Dijck: had de juiste adressen; Goya: had de juiste adressen, was hof-intrigant bij binnenlandse zaken en was mens.’ Het valt op dat Velázquez in dit rijtje ontbreekt, waarschijnlijk omdat hij geen tekeningen of etsen heeft nagelaten. Wat zou zijn plaats in de hiërarchie moeten zijn? Übermensch, zou ik zeggen.
De voorbeeldfunctie van Rembrandt en andere Nederlanders is uiteraard zichtbaar in het werk. Veel van zijn landschapsstudies hebben iets gemeen met de Lage Landen. Ten noorden van Hamburg strekt zich het Haseldorfer Marsch uit, een broekland met elzen, wilgen en riet dat door Janssen voorzien werd van diverse koosnamen: Froschland, Bobethanien, Liselottenland et cetera. De ets Eiderland doet aan de Loosdrechtse plassen denken, gezien in rembrandtiek licht-donker.
Behalve met de invloed der grote voorbeelden is Janssens natuurstudie ook gemengd met eigen fantasie. Hij kon bijna niets tekenen of er schoot hem een associatie of beeldrijm te binnen. De Haseldorfer knotwilgen in diverse stadia van vermolming deden hem door hun wringende vormen de titel Laokoon aan de hand, naar de bekende beeldengroep van de Trojaanse priester en zijn zonen die met een reuzenslang aan het worstelen zijn. De studies die hij buiten van die bomen heeft getekend, bestaan maar uit enkele lijnen. In de serie etsen keert het Homerische verhaal in alle hevigheid terug. Het is duidelijk dat hij de abstractie ook in het latere werk gebruikt. Let op de donkere plekken: in de onderste helft van de compositie zijn het de schaduwpartijen in het getourmenteerde hout, maar die zwarte plak bovenin heeft geen verband met de voorstelling en zit daar zuiver om de dramatiek te verhogen.

Een steeds terugkerend onderwerp is het zelfportret. Het schijnt dat er zo’n tweeduizend bestaan. Janssen was sowieso al niet moeders mooiste, maar al tekenend legde hij er nog menig schepje bovenop. Je zou van een monument van verval, of nog liever ontbinding mogen spreken. De meeste van die koppen zijn fascinerend. Zoals in een film de schurken doorgaans interessanter zijn dan de helden, zo kan in de kunst het lelijke meeslepender zijn dan het mooie.
Janssens etsen zijn behoorlijk doorwerkt. Zijn tekeningen zijn sneller gedaan, eveneens buitengewoon raak, maar je hoort daar wel eens de kritiek op dat hij te gemakzuchtig is. Hij gooit iets geniaals op papier, maar laat het bij een aanloopje. Het is een oud strijdpunt: is de kunstenaar verplicht alles door te zetten? Aan een vluchtige schets valt vaak veel te waarderen. Er is echter een ander probleem: sommige resultaten van het Gekritzel zien eruit alsof de maker er met zijn hoofd niet goed bij was, ofwel zijn blik door drank werd beneveld. Ik kan met geen mogelijkheid inschatten om hoeveel procent van zijn werk het gaat. Een stuk of twee, drie van zulke chaotische producten zijn in Amsterdam aanwezig, maar ze vallen in het niet bij de kwaliteit van de rest.
Deze tentoonstelling is gewijd aan twee aspecten: de relatie met de Nederlandse kunst en de thematiek van verval en dood, zoals de titel al aanduidt: de vergankelijke wereld. Het wemelt van de skeletten, dode dieren en verlepte planten. Nu is het zo dat Horst Janssen meer pijlen op zijn boog heeft. Hij heeft wel eens jonge vrouwelijke lichamen verbeeld, anorectisch slank, maar gaaf. Voorbeelden daarvan zijn niet op deze expositie. Zijn studies van onaangetaste bloemen in kleurpotlood en pastel, die in Eelde te bewonderen waren, ontbreken hier eveneens. De keuze van het Rembrandthuis is dus eenzijdig, maar dat is niet te vermijden. Het onoverzichtelijke gigantische oeuvre is in geen enkele expositie te vangen. Dan is het verstandig om je te beperken tot een paar thematisch samenhangende groepen. Erheen, want het zal niet gauw terugkomen.

De vergankelijke wereld van Horst Janssen, museum het Rembrandthuis, Amsterdam, tot 24 augustus