Han van Meegeren en Hitler: valse vrienden

De meestervervalser en de fascistische droom

De wereldberoemde kunstvervalser Han van Meegeren was erg gecharmeerd van het nationaal-socialisme. Hij maakte schilderijen voor nazi’s en droeg ze op aan Adolf Hitler. Bedrog, verraad en woede werden een tweede natuur.

De Amerikaanse historicus Jonathan Lopez werkt aan een biografie van Han van Meegeren, die naar het zich laat aanzien pas over twee jaar voltooid zal zijn. Tijdens zijn onderzoek is Lopez nu al op veel onbekend materiaal gestoten dat navrant licht werpt op Van Meegerens persoonlijkheid, zijn werk als kunstenaar en vervalser, én op zijn relaties – bijvoorbeeld met prominente leden van de Liberale Staatspartij. Eén daarvan, G.A. Boon, zou voor Van Meegeren in goed vertrouwen optreden als tussenpersoon, en de valse Emmaüsgangers introduceren bij de Vermeer-kenner Bredius.

Het biografisch onderzoek naar Van Meegeren is nog lang niet voltooid. Elders in De Groene Amsterdammer schrijft Lopez hoezeer de recente biografie van Frank Wynne gebaseerd is op het herkauwen van bekend Engelstalig materiaal – niet op grondige studie van de (Nederlandse) bronnen.

Van Meegerens beruchte collaboratieproces, onderdeel van de verwarde en gecompliceerde naoorlogse bijzondere rechtspleging, is nog altijd omgeven door raadsels. Centraal daarin staat de vraag in hoeverre Van Meegeren de nationaal-socialistische beginselen had omarmd. In onderstaand artikel toont Lopez aan dat Van Meegerens ziel veel bruiner was dan tot nog toe werd aangenomen.

Op 11 juli 1945 stond op de voorpagina van de kort daarvoor nog illegale ondergrondse verzetskrant De Waarheid een artikel van correspondent Jan Spierdijk met diens eerste indrukken van de stad Berlijn onder geallieerd bewind. Spierdijk beschreef de verwoeste Rijkskanselarij waar de marmeren vloer een grote puinhoop was, bezaaid met kapotte meubelstukken en papiersnippers: ‘Eens de trots van Berlijn, thans een trieste ruïne.’ In een klein kader bij dit hoofdartikel meldde de redactie dat Spierdijk in Hitlers particuliere bibliotheek een exemplaar had gevonden van Han van Meegerens boek Teekeningen I, met daarin een enthousiaste opdracht aan de Führer. Er stond geen foto bij, maar volgens het bericht was de inscriptie: ‘Dem geliebten Führer in dankbarer Anerkennung gewidmet, von H. Van Meegeren, Laren, Noord Holland 1942’.

Dit boek bevatte eveneens gedichten van de fanatieke nsb’er Martien Beversluis. Het commentaar van het communistisch gezinde voormalige verzetsblad was kort maar krachtig: ‘Mocht er tot nu toe nog twijfel over de politieke gezindheid van de heer Van Meegeren bestaan hebben, die twijfel is door dit bericht wel opgeheven.’

Lang heeft er groot verschil van mening bestaan over dit billet-doux aan Adolf Hitler. Volgens Van Meegeren had hij kort na de publicatie veel exemplaren van Teekeningen I gesigneerd en kon de inscriptie best op een later tijdstip boven zijn naam toegevoegd zijn, mogelijk door ‘een Duitse officier’ die de Führer dit boek cadeau wilde doen. Een vergezocht verhaal, maar het gaf Van Meegeren even adempauze in 1945 – meer had hij op dat moment niet nodig. Toen het nieuws van zijn Vermeer-vervalsingen een internationale sensatie werd, verdween zijn hommage aan de Führer al gauw van de voorpagina’s en werd tot de dag van vandaag slechts een voetnoot in de geschiedenis. Een van de curieuze artefacten uit een leven dat zich grotendeels in de schaduw afspeelde.

Bij mijn research voor een Engelstalige monografie over Van Meegeren stuitte ik toevallig op een foto van de opdracht die nergens anders in boeken over hem te vinden is en nadere studie verdient. Zonder een afbeelding van de originele, met de hand geschreven tekst kon men nooit zeker zijn van de geloofwaardigheid van Van Meegerens alibi, en de meeste vermeldingen houden zich op de vlakte. Wanneer men het handschrift in de inscriptie – de lange neerhaal van alle g’s, bijvoorbeeld – vergelijkt met de tekst van een affiche van Van Meegeren voor de Haagse Dierentuin uit 1921 is het overduidelijk wie die lovende woorden aan de Führer had geschreven. Het was zeker geen Duitse officier.

Draai de klok terug naar 7 januari 1925 en naar de Van Meegeren van destijds. Die avond werd er een feestdiner gehouden in Den Haag ter gelegenheid van het zestigjarig jubileum van oud-minister dr. ir. C. Lely van de Liberale Staatspartij, in een zaal met eiken lambrisering, lange, met wit linnen gedekte tafels en heren in smoking. De voorzitter van de partij, mr. H.C. Dresselhuys, prees Lely’s aandeel in het enorme project van de drooglegging van de Zuiderzee waarvan de eerste fase – de dijk die Wieringen met het vasteland verbond – kort daarvoor was voltooid en hij kondigde een speciale verrassing aan: ‘Een van onze beste moderne kunstenaars, veel meer geleid door sympathie voor ons beginsel en onzen jubilaris dan door stoffelijk gewin, de heer Van Meegeren, mede gast aan onzen disch, heeft ons het voorrecht geschonken, door zijn kunst dit oogenblik vast te leggen op het doek.’

Tijdens de jaren twintig was Han van Meegeren de favoriete kunstenaar van de aristocratische Liberale Staatspartij. Hij maakte portretten van de partijbonzen, hun welgestelde donateurs, hun echtgenotes en kinderen en de liberalen namen hem maar wat graag in hun kring op. Van Meegeren, in Deventer geboren in een keurig, streng katholiek gezin, stamde niet uit dit milieu, maar eenmaal in de grote stad om zijn artistieke carrière te lanceren raakte hij al gauw gecharmeerd van de hogere kringen. Zijn werk uit deze periode vertoont bestudeerde élégance. Bij het zien van Van Meegerens razend populair geworden tekening van prinses Juliana’s lievelingshertje riep de recensent van de liberale krant Het Vaderland uit: ‘Welk een brooze voornaamheid, welk een aristocratie. Het is schitterend!’

Binnen het partijbestel had Van Meegeren het beste contact met Tweede-Kamerlid mr. G.A. Boon. Boon, conservatief inzake economische kwesties, maar ook voorstander van vrouwenrechten in de jaren twintig, stond later bekend om zijn felle antifascisme. In 1933, een jaar nadat Hitler aan de macht was gekomen, verklaarde Boon: ‘Ieder land neme de staatsvorm dien het zelf verkiest, maar Duitschland moet goed begrijpen, dat het de geheele beschaafde wereld tegen zich houdt, zoolang aan de smadelijke behandeling der kleine Joodsche minderheid geen einde is gekomen.’ Refererend aan de ambities van mannen als Anton Mussert en Alfred Haighton, die een totalitair regime voorstonden voor Nederland, vroeg Boon simpelweg: ‘Kan men zich iets onnederlandscher voorstellen?’

Juist door zijn verheven politieke ideeën raakte Boon betrokken bij de verkoop van Van Meegerens vervalsingen. Op vakantie in Nice in de zomer van 1936, na het verlies van zijn zetel in het parlement, kwam Boon zijn oude kennis, de portrettist van de liberalen, tegen. Van Meegeren was in 1932 verhuisd naar de Côte d’Azur en had Boon een tijdlang niet gezien. Net terug uit Berlijn, waar hij de Olympische Spelen had bijgewoond, was Van Meegeren ontsteld te horen dat zo’n integer man zijn positie kwijt was. En aangezien Boon een bekende van vroeger was, wilde hij hem wel een zakelijk voorstel doen.

Kennelijk woonde er een Nederlandse familie in Italië die door Mussolini werd lastiggevallen en hulp behoefde. ‘Ze waren zeer anti-fascistisch ingesteld en zij werden voortdurend door agenten en fascisten bespionneerd’, zo herinnerde Boon zich het verhaal later. ‘De familie liep daardoor gevaar en wilde dolgraag naar Amerika vertrekken.’ Ze moesten een belangrijk kunstwerk uit hun collectie verkopen om de reis te financieren, maar vanwege Italiës strenge exportcontroles konden ze het nooit op de markt brengen. Als Van Meegeren het doek Frankrijk binnen kon krijgen, zou Boon dan bereid zijn een koper te vinden?

De nietsvermoedende Boon regelde de verkoop van de Emmaüsgangers namens deze gekwelde, maar fictieve familie en maakte Van Meegeren daarmee een zeer rijk man.

Vrij van financiële zorgen hoefde de meestervervalser geen portretten meer te schilderen van welgestelde liberalen. Hij aanvaardde daarentegen wel een iets andere opdracht in 1938. Alfred Haighton, de beruchte rechtse oproerkraaier en mentor van Martien Beversluis, wilde een schilderij ter nagedachtenis aan zijn overleden vader, en dat kreeg hij ook, heel snel. Na zijn exploitatie van de antifascistische sympathieën van G.A. Boon had Van Meegeren geen probleem om een persoonlijke gunst te verlenen aan een man die ooit in de Italiaanse pers werd beschreven (zij het met enige overdrijving) als il capo del fascismo hollandese. Er was nooit aandacht voor dit portret en het wordt ook nergens genoemd in de literatuur over Van Meegeren.

Helaas was er veel over Van Meegeren dat G.A. Boon niet wist of misschien liever niet wilde weten. Sinds 1928 had Van Meegeren bij tijd en wijle extremistische retoriek uitgekraamd. In dat jaar richtte hij – met hulp van journalist Jan Ubink – in Den Haag het kunsttijdschrift De Kemphaan op. In zijn venijnigste bijdragen hekelde Van Meegeren de moderne schilderkunst als ‘kunstbolsjewisme’, beschreef de liefhebbers ervan als ‘dat slijmige groepje vrouwen-haters en neger-aanbidders’ en gebruikte het beeld van ‘een jood met een handkar’ als symbool van de internationale kunsthandel. Hij legde de ‘geestelijke ziekte’ van het modernisme als volgt uit:

‘Er is geen kunst die zooveel proselieten en parasieten vormt als schilderkunst… Onder de vlag van eenige dronken waanzinnigen en enige kunst-anarchisten smeren zij kleuren op een doek en snoeren de mond der tegensprekers met een vloed van uit het hoofd geleerde termen, die in hun klank op philosophie en psychologie gelijken. Met het goedkope materiaal, hun ziel, bekladden zij het duurdere linnen; het product wordt door hun omgeving voor fijngevoelig gehouden, bang om anders zelf voor ongevoelig aangezien te worden.’

Van Meegeren was net zo’n onoriginele schrijver als schilder. In 1925 had een onbekende Duitse auteur – zelf een gefrustreerd kunstenaar – een soortgelijke antimodernistische tirade gehouden: ‘Men vreesde notabene, om door deze halve gekken of bedriegers voor “begriploos” te worden uitgescholden, alsof het een schande was, dat men de voortbrengselen van geestelijk gedegenereerden of van sluwe bedriegers niet begreep. Deze apostelen van het “enig ware geloof” op cultureel gebied hadden nu nog een uiterst eenvoudig middeltje, waarmee ze hun waanzinnigheden tot onoverzienbaar geweldige dingen wisten te maken; alles, wat volkomen onbegrijpelijk en kennelijk krankzinnig was, presenteerden ze aan de bewonderende goegemeente als een zogenaamde “allerpersoonlijkste emotie”, wat inderdaad een wel zeer goedkope manier was, om ieder protest van te voren reeds te laten verstommen.’ De auteur was Adolf Hitler, het boek was Mein Kampf.

Jan Spierdijk, de man van De Waarheid in Berlijn, was stomverbaasd toen hij het exemplaar met opdracht van Teekeningen I in de Rijkskanselarij ontdekte. Spierdijk was Van Meegeren tijdens de oorlog wel eens tegengekomen in Amsterdam op kunstenaarsfeestjes en had hem altijd voor een vrij onschadelijke, aangeschoten excentriekeling aangezien. ‘Als schilder was niemand in Van Meegeren geïnteresseerd’, zo herinnerde Spierdijk zich later. ‘Als mens kon hij amusant zijn door zijn scherpzinnig cynisme tot op zekere hoogte en dat was de hoogte van de drank. Kwam de bezetting ter sprake dan praatte hij “anti” en hield stijf en strak vol geen moffenvriend te zijn.’

Hoewel Van Meegeren geen lid was van de nsb – en dus geen officiële collaborateur – was hij de Duitsers uiterst welgezind. Tijdens de bezetting gaf hij aanzienlijke sommen geld aan het Duitse Rode Kruis en de Winterhulp. Hij nam deel aan door de nazi’s georganiseerde tentoonstellingen in Nederland en Duitsland en bij een dergelijke gelegenheid was zijn inzending voorzien van een publieke opdracht aan Hitler. In 1942 produceerde Van Meegeren een schilderij waarop de wolinzameling werd afgebeeld ten bate van het Oostelijk Front. Hij deed dit op verzoek van de gehate Ed Gerdes, de culturele smaakmaker van Reichskommisar Seyss-Inquart wiens taak het was de kunst te zuiveren van joodse invloeden en joodse kunstenaars. Van Meegeren was schatrijk en had daarom nauwelijks opdrachten nodig, maar toch dong hij naar de gunst van Gerdes, uit zucht naar het prestige dat bij officiële erkenning hoorde.

In het hoofdkantoor van het Nederlandse Arbeids Front – een nationaal-socialistische, antisemitische perversie van de vooroorlogse Nederlandse vakverenigingen – hing Van Meegerens heroïsch-symbolische schilderij Arbeid. Deze pompeuze hommage aan de corporatieve staat illustreerde een idee dat al lang populair was in Van Meegerens kringen. ‘In een dynamische samenleving speelt iedere functie haar eigen spel: de handel, de industrie, de landbouw, ook de oorlog’, verklaarde Jan Ubink nog vlak voor de Duitse invasie. De voormalige redacteur van De Kemphaan voegde eraan toe dat parlementaire democratie inefficiënt was voor het reguleren van die functies, maar hij suggereerde een alternatief: ‘In de z.g. totalitaire staten ziet men dit anders. Het parlementaire spel wordt daar niet meer gespeeld, maar krachtens de categorische imperatief verzorgt de staat daar den vrijen tijd van zijn burgers in spelen, die er naar streven het geheele volk te omvatten.’

Ubink, een vrij timide collaborateur tijdens de bezetting, verloor zijn enthousiasme voor het Führer-systeem in 1944, toen hij officieel werd berispt voor columns die ‘nationaal-socialistisch gezien, meer afbrekend dan opbouwend’ werden bevonden. Zijn ‘overtreding’ bestond uit een klacht over een verminderd theatraal aanbod in Groningen.

Van Meegeren had Arbeid in zijn Teekeningen I opgenomen – waarin hij zijn afbeeldingen niet met de cerebrale beschouwingen van Jan Ubink had gepaard, maar met de bloed-en-bodempoëzie van zijn meest militante vriend, Martien Beversluis. Ubink en Van Meegeren schroomden er nog voor bepaalde grenzen te overschrijden tijdens de bezetting, maar dat kon bepaald niet gezegd worden van deze overtuigde nazi. Ubink kwam tijdens de oorlog hogerop door zich wat op de vlakte te houden en dan stilletjes de plaats in te nemen van meer principiële journalisten die verwijderd waren. Daarentegen bestormde Beversluis de ether met vuurspuwende uitzendingen voor de regering-Seyss-Inquart. Hij werd de nsb-burgemeester voor de stad Veere en ontving een warme aanbeveling omdat hij op Dolle Dinsdag op zijn post gebleven was. Hij schreef zelfs een kinderboek dat bedoeld was om de jeugd van Nederland waardering bij te brengen voor de hun toegenegen Führer.

Weerzinwekkend als Beversluis was, zijn verzen vormden een anker voor het soms verwarrende beeldend repertoire dat Van Meegeren in Teekeningen ten beste gaf. In zijn idiosyncratische en enigszins ketterse benadering van het nazi-ideaal kon Van Meegeren in één enkel kunstwerk gemakkelijk van volkse kitsch omzwaaien naar meditaties à la Zarathustra. Met een opeenhoping van doodskoppen, naaktmodellen en vleesetende ratten ontaardde Van Meegerens werk in deze periode vaak in fantastisch nihilisme – of anders in ‘kinky soft-core’-pornografie.

In Graan, Petroleum, Katoen bijvoorbeeld toont Van Meegeren een groeiende globale crisis die de trouweloosheid van de vooroorlogse elite wegvaagt. Dit nachtmerrieachtige beeld bevat een vanitasmotief van een zeepbel die wordt voortgeduwd door een hoekige duivelsfiguur die rechtstreeks uit Jeroen Bosch zou kunnen komen. Binnen in deze glanzende bol ziet men een lange rij met sjerp getooide hoogwaardigheidsbekleders uit de jaren twintig bij een soortgelijke feestelijke gelegenheid als Lely’s jubileum. Ze worden, heel ongerijmd, begeleid door een rij schaars geklede danseressen. Dat Van Meegeren, die bij gelegenheid zijn voorliefde voor zowel patriciërs als dansmeisjes te kennen had gegeven, hen allen op de vuilnisbelt van de geschiedenis deponeerde, gaf blijk van een vreemde hersenkronkel.

De cabareteske sfeer van dit soort werken roept vragen op over de eerlijkheid, of op z’n minst de ware geestestoestand waarmee Van Meegeren zijn eigen verraad benaderde. Schilderijen maken voor nazi’s en ze aan Hitler opdragen wordt door de meeste mensen niet gezien als lichte ontspanning– maar Han van Meegeren behoorde niet tot ‘de meeste mensen’. Zelfs zijn vileine getier uit de jaren twintig bevatte een bizar element van Haagse bluf – het opgeblazen toneelspel van een doldrieste poseur. Zeker, zijn aanstellerij wordt veel sinisterder tijdens de oorlog, maar Van Meegeren zelf heeft mogelijk het verschil nooit opgemerkt. Voor de maker van de Emmaüsgangers waren bedrog, verraad en woede een tweede natuur geworden. Was hij verplicht zijn leven te veranderen alleen maar omdat de hel op aarde voortraasde?

In Teekeningen I laat Han van Meegeren een akelige reprise van zijn meest geliefde tekening zien: prinses Juliana’s hertje gevangen in de knellende greep van een enorme zwartgevlekte slang. Het element van ‘brooze voornaamheid’ heeft hij ver achter zich gelaten, evenals elk restantje monarchistische impuls. De volledige implicaties van deze sado-politieke dierentekening zijn ietwat onduidelijk, maar een analyse van de motieven achter Van Meegerens werk roept een gevoel op dat steeds weer terugkeert bij het bestuderen van Van Meegerens leven. Het is net alsof je de verkeerde deur in een hotelgang opendoet en iets heel vunzigs gadeslaat. Je doet de deur zo snel mogelijk weer dicht, maar als je wegloopt blijf je je afvragen hoe mensen zich in zulke barokke en perverse houdingen kunnen wringen.

‘Een gekke man was Han van Meegeren’, zo oordeelde Jan Spierdijk destijds en daarmee had hij het niet beter kunnen verwoorden.