Kunst: Emanuel de Witte

De meid boent de vloer

Het Stedelijk Museum Alkmaar wijdt een werkelijk voortreffelijke tentoonstelling aan de schilder Emanuel de Witte (1616/17-1691/92), die in Alkmaar geboren werd. De Witte durfde alles: grote historiestukken, portretten, marktscènes, maar hij specialiseerde zich met succes in interieurs van huizen en kerken. Het is eigenlijk onbegrijpelijk dat De Witte niet altijd in één adem genoemd wordt met Vermeer. Misschien speelde de diversiteit van zijn werk, het gebrek aan focus, hem parten; misschien heeft het te maken met zijn scabreuze levenswandel. De (sterk partijdige) biograaf Arnold Houbraken beschrijft hem als een man die ‘door zyn onbesnoeide tong’ zijn vrienden tot vijanden maakte, die overal schulden had, die meerdere bastaarden op de wereld zette – een waslijst van schurkerijen en pech.

Small 2313  ok
Emanuel de Witte, ‘Interieur met vrouw aan het virginaal’. © Studio Tromp / Museum Boijmans van Beuningen, bruikleen Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Het smeuïgste verhaal behelst de matpartij met de mismaakte schilder De Lairesse. Die mochten mekaar niet; in het café dreef De Lairesse openlijk de spot met De Witte’s begrip van het perspectief, waarop De Witte onmiddellijk repliek gaf: hij maakte met krijt op de tafel ‘een schets van ’t kanon, waar meê hy zeide dat [De Lairesse] zyn neus afgeschoten was. ’t Welk Lares euvel opnam; en Emanuel kwam niet ongeteistert daar van daan.’

De schilderijen staan daarmee in scherp contrast. De Witte specialiseerde zich in de weergave van kerken – al is ‘weergave’ precies het verkeerde woord: de schilderijen tonen gebouwen die grotendeels aan de artistieke fantasie zijn ontsproten. Hij kiest niet voor de ‘zuivere’ geometrie van het interieur zoals Saenredam dat deed, maar voor een diagonale blik, dwars door de ruimte, en hij trekt de kijker vakkundig die ruimte in. Met de gangbare onderdelen van het interieur, het koorhek, de zuilen, een open graf, de begrafenisborden en de orgelluiken speelt hij een spel van verbergen en uitnodigen, van verhullen en tonen. Aan de ene kant lijkt een beschaafde heer met dure rode mantel de blik van de kijker te wenken, en daarmee misschien diens religieuze gevoelens; die kijker ziet dan, bij nader onderzoek, dat rechts een hond tegen een van de gewijde pilaren staat te pissen.

Dat spel is wonderlijk. Het is ook uitermate virtuoos: die kerken zijn niet kaal, zoals bij Saenredam, maar vol met licht, dat diffuus door de zachtgetinte ramen valt, en door de ruimte dwarrelt, van de ene pilaar naar de andere, tot het ergens op de grond valt, of op die rode jas. De Witte had een voorliefde voor het perspectief, maar een broertje dood aan religie (hij had er bijzonder plezier in ruzie te schoppen over ‘Bybelstof’), dus je vraagt je af wat hij eigenlijk in die sfeerbeladen constructies zág.

Het moet meer geweest zijn dan alleen vernuftige scenografie. Ook in zijn Interieur met vrouw die op een virginaal speelt heerst op het eerste gezicht orde. Het perspectief bindt drie achter elkaar liggende kamers samen. Ze worden afgeperkt en ingedeeld door de strak parallel lopende zolderbalken en de rechte tegels op de vloer, van verschillende kleuren, waarover de zon krachtige rechthoekige vlakken licht legt. Een vrouw zit aan het spinet, een man ligt in bed, de meid boent de vloer. Dit is de zichtbare, tastbare wereld, maar het is tegelijk een wereld van onzekerheid, van vlakken die over vlakken liggen en verschuiven, een ruimte waarin het licht maar een fractie van een seconde zal stilstaan. De zichtbare wereld is niet de echte.

Emanuel de Witte: Meester van het licht. Stedelijk Museum Alkmaar, t/m 21 januari 2018; stedelijkmuseumalkmaar.nl