Geloven zij er zelf nog in?

De mening van de Oranjes

Hoe denken de Oranjes over inperking van hun bevoegdheden, vooropgesteld dat het zo ver komt?

In De Groene Amsterdammer van 30 april 1997 schreef de historicus J.G. Kikkert, puttend uit zijn gevarieerde bronnen bij het Hof, dat de koningin het debat niet schuwt. Toen rond het huwelijk van Beatrix en Claus von Amsberg republikeinse geluiden opklonken, benadrukte de kroonprinses in kleine kring ‘hoezeer zij altijd discussies over het nut van de monarchie op prijs stelde’.


Zelf heeft zij zich echter nooit over haar grondwettelijke positie uitgelaten. Haar grootmoeder Wilhelmina was de laatste die in het goddelijk koningschap geloofde. Juliana deed hoogstens alsof, vooral omwille van haar moeder, maar Beatrix heeft een louter ‘professionele’ benadering. Verhalen uit de tweede hand over haar taakopvatting maken duidelijk dat die allerminst symbolisch is. Zo weten Oostenrijkse bladen te melden dat zij ook dezer dagen in Lech nog stukken signeert. Zij wordt geroemd als ‘moderne vorstin’ en politiek manager; haar dienstijver is volgens de Nijmeegse hoogleraar Maas zelfs tweemaal zo groot als nodig is. Anderzijds schroomt zij volgens oud-minister van Defensie Henk Vredeling niet om in huilen uit te barsten als ze haar zin niet krijgt.


Prins Claus zal zich weinig zorgen maken. Op de Duitse televisiezender ZDF zei hij vorig jaar: ‘Nederland is geen monarchie. Nederland is een republiek met een erfelijke vorst die in nauw contact staat met het volk. De ministers van Buitenlandse Zaken hebben op het Weense Congres in 1815 besloten dat Nederland een monarchie moest worden, waarschijnlijk tussen twee dansen door.’ De positie van zijn zoon Willem-Alexander is echter ronduit pikant. De kroonprins beschikt niet over zijn moeders gedrevenheid en ingewijden achten de kans reëel dat hij alsnog ‘nee’ zegt tegen de tijd dat zijn troonsbestijging aan de orde komt. ‘Ik vind het benauwend als je ziet hoe een goed voorbeeld het is’, zei hij eens: ‘Moeder werkt zo hard, elke nacht tot een of twee uur.’ Het ‘Zweedse model’ zou hem van die plicht ontslaan.


In 1993 zei prins Willem-Alexander nog dat het koningschap ‘absoluut’ inhoudelijk moest blijven: ‘Zonder inhoudelijke kant zou het een stuk moeilijker zijn voor mij om te aanvaarden. Zonder inhoudelijke kanten weet ik niet hoe ik er tegenover zou staan.’ Met die inhoud doelde hij vooral op ‘de contacten met de politiek, die natuurlijk een zwaartepunt hebben rond kabinetsformaties’. Later liet hij in een niet-gepubliceerd interview met NRC Handelsblad doorschemeren onverschillig te staan tegenover zowel het christelijk geloof als het voortbestaan van de monarchie. Als de Europese Unie zich ontwikkelt tot een bondsstaat, zodat het koningschap vanzelf naar de achtergrond verdwijnt, zou hij daar niet rouwig om zijn. Precies om die reden verbood Beatrix publicatie van het interview.



AB/SP