Opheffer

De mens als blad

Je ziet het regelmatig: iets begint met een noodzaak, een behoefte. Bijvoorbeeld: behoefte aan vrede tijdens de Tweede Wereldoorlog, de behoefte aan elektrisch licht, de noodzaak een automobiel te berijden of de noodzaak een computer snel alles uit te laten rekenen. Vervolgens zet men iets kleins op: een blad of een zaak. Trouw, Het Parool, Ford, Microsoft. Dat blad of die zaak groeit. Er komen mensen bij. Maar opeens heb je voldaan aan de behoefte of verdwijnt de nood zaak. Er is geen Tweede Wereldoorlog meer, er is geen gebrek meer aan gloeilampen, er komen zelfs te veel auto’s en iedereen heeft al een computer en het nieuws zie ik wel op televisie.

Dan hoor je dat je twee dingen moet doen: innoveren, wat een ander woord is voor vernieuwen, en adapteren, wat een ander woord is voor aanpassen, wat dus ook eigenlijk vernieuwing inhoudt.

Beide hebben de consequentie dat de groei nooit meer zo snel zal gaan, anders dan door toeval.

Iets — een blad of een zaak — heeft dus op een bepaald moment zijn noodzaak verloren en je moet dus naar een nieuwe noodzaak of zin zoeken of je moet jezelf opheffen.

De mens weet dat al.

De mens was ooit noodzakelijk en er was behoefte aan, maar we weten niet meer waarom. We zijn een zaak die eigenlijk niets nuttigs meer te verkopen heeft, een blad zonder abonnees. We hebben ons vernieuwd en we passen ons voortdurend aan en met grote regelmaat doet zich de vraag voor: kunnen we onszelf niet beter opheffen?

Ons antwoord is nee. Waarom weten we niet. Waarschijnlijk zien we de mogelijkheid dat we ons kunnen aanpassen en vernieuwen als een verrijking en zijn we «het proces» als de zin van ons leven gaan beschouwen.

Overleven is een kunst, zeg maar.

Zo ver zijn we met onze bedrijven nog niet.

Het kost bijvoorbeeld PCM — het bedrijf dat alle belangrijke kranten beheert — geen enkele moeite om op een achternamiddag dagblad Het Parool te laten sterven, wat ze onlangs hebben gedaan. Het blad groeit, er komen nieuwe abonnees bij, het heeft een bepaalde vernieuwing tot stand gebracht die ook weer navolging vindt, maar… het past niet in het grote bedrijf dat PCM heet.

Dat moet je zo zien: een mens is ziek. Eerst heeft hij pijn in zijn hoofd, dan in zijn been, dan in zijn maag, dan in zijn hart. Maar tegen de tijd dat hij pijn in zijn hart heeft, is de pijn in zijn hoofd genezen en voelt hij zich daar beter dan ooit. «Sorry», zegt dan de dokter, «we gaan eerst nu het hart genezen. Daarvoor moeten we het hoofd opgeven, want dat bespaart ons bloed.»

Dat kan toch niet, zult u zeggen.

Daarin heeft u gelijk, maar bedrijven zien dat niet.

Wij weten dat je beter het hoofd op een lichaam kunt laten zitten en het hart moet genezen door een dieet, of een operatie of training. Als het hoofd nog goed is, zelfs beter, kun je bijvoorbeeld het hoofd iets laten bedenken dat het hart helpt.

De mens wil het liefst andere mensen om zich heen hebben. We zijn tenslotte sociale wezens. We zijn met ons tweeën sterker dan alleen. Maar soms zijn we alleen.

Ik ben bijvoorbeeld alleen.

Het is dan heel moeilijk om je zin, je behoefte of je noodzaak te zien.

Je moet alles — letterlijk en figuurlijk — opnieuw inrichten. Je moet weten waarom je leeft. Zo kan het voorkomen dat je enorm moet bezuinigen op je gevoelens, op je aspiraties, je ambities, op je vreugde bijvoorbeeld en je geluk. Je moet jezelf niet opheffen. Je doet je best een nieuwe noodzaak te vinden. Je laat je troosten en inspireren door de kunst: je leest een gedicht om ooit weer poëzie te vinden.