Arnon Grunberg, Huid en Haar

De mens als markt

Literaire personages, door de bank genomen zijn het neurotici. Ze lijden onder hun ongelukkige jeugd, hun ontaarde moeder of meedogenloze vader, een vernietigende liefde - en anders lijden ze wel wanhopig aan het leven of aan zichzelf.

Medium arnon grunberg

Het mag dan ook ronduit ambitieus heten dat Arnon Grunberg voor zijn nieuwste roman Huid en haar gekozen heeft voor een hoofdpersoon die immuun lijkt voor de menselijke, al te menselijke neiging gebukt te gaan onder ongeluk. Alle harstocht is in zijn ogen pathetisch. Geen drama’s, dat is zijn levensinstelling. Afstand is zijn passie. Hij is gelukkig omdat hij niets wil wat hij niet kan krijgen. ‘Wat hij wil kan hij krijgen. Wat hij niet kan krijgen, wil hij niet. Zo eenvoudig is het recept voor geluk. En dat geluk uiteindelijk wellicht weinig meer is dan welbehagen, tevredenheid, de afwezigheid van lijden, stoort hem allerminst.’

Een gewetenloze maar kleurrijke schelm is deze Roland Oberstein ook al niet, eerder een lichtelijk autistische droogstoppel. Hij is 41 jaar, econoom (een van de veertig belangrijkste Adam Smith-deskundigen ter wereld), gescheiden vader van een zoontje van vijf, en werkzaam aan de Universiteit van Fairfax, een slaapstad in de buurt van Washington. Hij woont in een Best Western Hotel en heeft een langeafstandsrelatie met zijn vriendin in Amsterdam, en dat is wel zo rustig ook, want de liefde en relaties zijn maar een inbreuk op waar het hem werkelijk om te doen is in zijn leven: economisch onderzoek, zijn grote boek over de geschiedenis van economische bubbels. 'Een econoom met ambities heeft andere prioriteiten.’

Grunberg laat niet na te benadrukken hoe onaangedaan Roland Oberstein in het leven staat. Hij laat hem tegen vrouwen opbotsen die door zijn pantser heen willen breken, die hem willen laten voelen ('Wat is voelen?’), hem pijn willen doen. Zijn vriendin pleegt overspel, maar jaloezie of wanhoop voelt hij niet. 'Wanhoop kost tijd en als hij iets niet heeft is het dat: tijd. Hij zou er ruimte voor moeten maken in zijn agenda. Misschien kan hij van de winter een weekend inruimen voor wanhoop.’ En als Lea Ranzenhofer, de vrouw die hij op een holocaust-conferentie heeft leren kennen, hem een etentje weet te ontlokken, met overduidelijk een vrijage als inzet, zegt hij 'Ik verheug me’ op dezelfde toon als hij tegen studenten zegt dat hij uitkijkt naar hun paper. Grunberg wrijft het nog eens in: 'Misschien verheugt hij zich net zo op een vrouw als op een paper.’

Roland Oberstein is zo'n onhartstochtelijke, flegmatieke figuur dat het bijna weer intrigerend wordt. Grunberg verlustigt zich zo in zijn geur-, kleur- en smaakloosheid dat je je lang afvraagt wat de schrijver zelf in zijn creatie ziet. Daar zijn verschillende antwoorden op te geven. Oberstein ziet alle menselijke relaties door een economische bril, en dan ook nog de hardcore neoliberale bril van de ongebreidelde vrije markt en laisser-faire, waardoor Grunberg de liefde langs een economische meetlat kan leggen. Uiteindelijk draait het ook in de liefde allemaal om schaarste; liefde is een supermarkt waar je koopt naar je gading en ruilt waar je genoeg van hebt; het huwelijk is een cyclisch instituut; overspel is een vorm van diversificatie (spreiding van risico); jaloezie is ofwel een interventie in de vrijmarkteconomie (zijn neoliberalen tegen), of simpelweg kapitaalvernietiging. Mensen maken rationele keuzes, niet alleen als het om dingen gaat, maar ook wat betreft de bindingen die ze aangaan, uiteindelijk zijn ze overlevingsmachines, en als het met die overleving wel snor zit, zijn ze machines die er op uit zijn hun genot te maximaliseren. Wat rest is het spel op de vrije markt, en dat spel zo spelen dat je zo min mogelijk kleerscheuren oploopt. Bijtend willen al die economische metaforen helaas niet worden, ze zijn vooral clichématig.

Misschien is het Grunberg dan ook om iets anders te doen. De econoom met zijn grote liefde voor de werkelijkheid snapt niets van de werkelijkheid en schopt alles met zijn economische geloof flink in de war. De vrouwen die hij tegenkomt verlangen allemaal naar diep gevoel, naar echte ervaringen, naar huid en haar. Het ontbreekt in hun levens aan liefde. (Economisch terzijde: in de roman is sprake van een strikte arbeidsdeling: de mannen leven voor hun werk, de vrouwen zoeken gevoel.) Het zijn de vrouwen die hun toevlucht zoeken in de literatuur, in geloof, hoop en liefde. Maar ook het vrouwelijke streven naar liefde wordt door Oberstein economisch gedetermineerd: het is net als met economische bubbels: mensen willen er graag in geloven, ze willen graag bedrogen worden.

Behalve de economie is er nog de holocaust. Lea Ranzenhofer werkt aan de biografie van kampcommandant Rudolf Höss; voor Oberstein is de holocaust 'een hobby’ naast de bubbel. Soms lijkt het of Grunberg de shoah alleen maar inzet om harde grappen te kunnen maken ('Is het niet een beetje onkies? (…) Dat jij vreemdgaat terwijl ik op een conferentie over de holocaust ben’; 'Jezus Christus, Roland (…) Je hebt een verhouding met een Höss-deskundige’), maar bij Höss ligt toch ook een sleutel. Hij had in het kamp een relatie met een gevangene. Een relatie waarin het ging om macht. En laten nu net de liefdes in Huid en haar waarin het schrijnend wordt, waarin de gevoelloosheid verdwijnt, gedrenkt zijn in macht en machtsmisbruik.

Grunberg heeft in Huid en haar een net van verwikkelingen om Roland Oberstein geweven, hij springt behendig van scène naar scène, schrijft dialogen waarin mensen prachtig langs elkaar heen praten (met regelmaat) en maakt goede grappen (soms), maar zijn personages zijn vlakke zetstukken van het spel dat de schrijver speelt - ze deren je niet. Dat Oberstein zijn ondergang tegemoet gaat, is te verwachten, maar het raakt niet. En de inzet van het spel, de genadeloze kijk op de liefde bezorgt de lezer nergens een genadeklap.


Beeld: Keke Keukelaar