M. Februari & Marjolijn Drenth

De mens als republiek

M. Februari & Marjolijn Drenth,
Een pruik van paardenhaar &
Over het lezen van een boek.
Uitg. Querido, 220 blz., ƒ39,90

Het bekendste geval van meervoudige-persoonlijkheidsstoornis (mps) uit de geschiedenis was Miss Beauchamp (1906). Haar stoornis openbaarde zich in een - ongewild - samenleven met ene Sally. Was Miss Beauchamp zelf een ietwat flegmatieke dame, Sally bruiste van energie. Haar levenslust voerde haar de paden op en de lanen in, waar ze lange wandelingen placht te maken. Met veel plezier. Maar jammer genoeg tot ongenoegen van haar levensgezellin Miss Beauchamp. Die hield namelijk niet zo van wandelen. «Soms liep Sally mijlenver de wijde vlakte in en verdween dan, zodat Miss Beauchamp tot haar onthutsing het hele eind terug moest lopen.»
De meervoudige-persoonlijkheidsstoornis is sinds de jaren tachtig in de mode. Of het een «stoornis» is of niet, de schrijfster M. Februari, gedebuteerd in 1989 met De zonen van het uitzicht - wat écht een «on-Nederlandse» roman was - is een deel van een meervoudige persoonlijkheid. Als alter ego van Marjolijn Drenth von Februar schreef ze mee aan een fascinerend boek, academisch proefschrift en literair proza tegelijk. De meervoudige persoonlijkheid van Drenth is in dit geval geen stoornis, in elk geval niet voor de lezer, want Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek is een zegen.
Drenth von Februar is filosofe, Februari schrijfster. Filosoof en schrijver zijn hier als dag en nacht: anders maar onscheidbaar. Als links en rechts, twee zijden van hetzelfde wezen. Als mens en schaduw. Wetenschapster en kunstenaar. In haar voorwoord schrijft Marjolijn Drenth: «Denk niet dat ik het formele onderscheid tussen dag en nacht nodig heb gehad om te beseffen dat er verschil is tussen de methodologie van de wijsbegeerte en de methodologie van de roman. (…) In feite wist ik al jarenlang dat de wetenschap haar tegenhanger heeft in de antimonde van de literaire kunst.»
De symbiose van filosoof en schrijver is ook onderwerp van het proefschrift: in haar poging het mensbeeld te bekritiseren dat de economische wetenschap hanteert, belandt Drenth na verloop van tijd op het kruispunt waar literatuur en wetenschap elkaar snijden.
Het individu is een verzameling zelven. De meervoudige persoonlijkheid is ook een meervoudige besluitennemer. Maar hoe neemt hij besluiten? Wie kampt met verscheidene zielen in één borst, wie wordt verscheurd door tegenstrijdige verlangens moet een keuze maken op basis van alle afzonderlijke keuzes van al zijn afzonderlijke zelven. «Zoals in de maatschappij een sociale keuze wordt afgeleid van alle individuele keuzes van de burgers, zo moet ook in de innerlijke republiek een overkoepelende beslissing worden genomen na afweging van alle voorkeuren van het individu in zijn verschillende rollen», schrijft Drenth. (Het was Bismarck die klaagde over niet Zwei Seelen maar over een hele kibbelende menigte in zijn borst. «Het gaat eraantoe als in een republiek», liet hij optekenen.)


Het denken over de meervoudigheid van het individu staat in een lange filosofische traditie die teruggaat tot Plato. «Filosofen hebben aandacht gevraagd voor het conflict tussen de rede en de passies, voor de afweging van een hoger versus een lager principe; al is het niet een filosoof geweest maar Sigmund Freud die de innerlijke verdeeldheid tot dagelijkse gespreksstof heeft verheven.»
Echter, in de economie, en dat is waar Drenth naartoe wil, wordt het individu weergegeven door «één enkele, complete, transitieve voorkeursordening; als er al ‘veel zielen’ zijn, als er innerlijk conflict en tegenspraak zijn geweest, dan is dat overwonnen en het individu wordt weergegeven door de uiteindelijke verenigde ordening ».
Dat economische mensbeeld is veel te beperkt. Toch wordt het aanvaard, al sinds lang, soms met de erkenning dat het een wetenschappelijke fictie is. Een van de critici van de breed aanvaarde definitie van de homo economicus is Amartya Sen. De Nobelprijswinnaar voor economie in 1998 valt de gedragsbasis van de economische theorie aan. Niet als eerste, noch als laatste: waar hij de homo economicus een «social moron» noemt is dat, schrijft Drent, een instantie van het optreden van de homo economicus als «the universal bogey man» van Machlup, of de Unmensch van Lutz, de losbol van Frankfurt of de Erfolgsmensch van Tietzal.
Wat wil Amartya Sen?
Sen valt de notie aan dat alle menselijk gedrag wordt gemotiveerd door eigenbelang. Binnen een (theoretisch) model is dat houdbaar, maar empirische toetsing zou direct anders bewijzen. De mens is niet zo eenvoudig.
Wat wil nu Marjolijn Drenth?
In haar onderzoek naar de verhouding tussen economische en ethische drijfveren concludeert ze met Sen dat de mens complexer is dan de wetenschap hem voorstelt, complexer in elk geval dan de economische wetenschap die gebouwd is op het fundament van de veronderstelling dat de mens altijd uit is op eigen gewin. Zij wil Sens benadering in haar proefschrift vertalen naar een «meer filosofische thematiek», wat ze bereikt door de hulp in te roepen van M. Februari.
Wat wil M. Februari?
M. Februari wil een verhaal vertellen. Over de bankier Jakob Herzbeer die het verhaal vertelt over zijn achttiende-eeuwse voorzaat Julia Cacouault de la Mimardière. «Ze is gepoederd en draagt een pouf au sentiment: een pruik van paardenhaar waarin zangvogeltjes zich hebben verstopt achter de porseleinen vaasjes met seringen en waarin met vlechten en linten een eerste druk van De bijenfabel is vastgezet, zodat je nog net de moraal kunt lezen wanneer Julia haar hoofd naar links draait en je toeknikt.»
(Het economisch mensbeeld kan, door wie kwaad wil, worden teruggevoerd op Mandeville. Aan het begin van de achttiende eeuw schokte hij zijn tijdgenoten met De bijenfabel: in een «ruime korf, met bijen volgepakt» leeft iedereen in welvaart en overdaad. Alle bijen zijn zondig, egoïstisch en uit op persoonlijk gewin. Dat leidt niet tot economische malaise: de privé-zonden blijken juist in het voordeel van het algemeen nut. Het wordt pas crisis wanneer Jupiter besluit de ondeugd uit te bannen. Dan treedt de deugd aan en verdwijnt de welvaart. Werkloosheid stijgt en bijen sterven van de honger.)
Jakob Herzbeer vertelt de vertelster verhalen over het landgoed, over de liefde, over Julia en de vermaarde schilder Fuseli. En over het paard Eclair IV, Julia’s dierbaarste bezit.
Waar Julia in het verhaal van Jakob Herzbeer in het verhaal van M. Februari haar liefde voelt voor het paard Eclair gaat Marjolijn Drenth een pagina verderop op academische wijze in op «de liefde». Zij, de filosoof, hanteert kortheidshalve de wetenschappelijke definitie van de liefde die David Collard gaf: «Love is altruism or something very like it.»
Wat wil Drenth met de liefde?
Via Sens «de Onmogelijkheid van de Paretiaanse liberaal», via het Prisoner’s Dilemma, het Pareto-criterium en de casus van Lady Chatterley’s Lover, wil ze een discussie voeren over Sens kritiek op de gedragstheorie van de economische wetenschap.
Dat in Een pruik van paardenhaar geen pure wetenschap wordt bedreven, bewijst het empathische intermezzo dat de auteur hier plots presenteert: «De lezer die romantisch is ingesteld kan dit hoofdstuk maar beter overslaan. Hij kan ernaar terugkeren als hij voelt dat hij iets mist - zonder daarvoor aan de schrijver een verklaring schuldig te zijn. 'Het gaat erom, zoals wij al hebben gezegd, een nieuwe manier van lezen te vinden en niet een nieuwe manier van schrijven.’ De geïnteresseerde lezer staat het vrij om dit hoofdstuk te nemen voor wat het waard is; de academische lezer wordt verwezen naar de noten. En omdat ieder van die lezers zichzelf slechts ten dele zal kunnen terugvinden in de tekst, geldt voor dit boek eens temeer wat in het algemeen geldt voor literair en wetenschappelijk proza: 'Alle lezers van dit boek zijn volkomen fictief.'»


Net als de homo economicus, aan wie de studie «eigenlijk» is gewijd. Inderdaad, Een pruik van paardenhaar is net zo goed als een sprankelend en erudiet proefschrift een onderzoek naar de verhouding tussen schrijver en lezer, tussen feit en fictie, tussen kunst en wetenschap. In het «literaire» verhaal van Jakob Herzbeer duiken telkens elementen op uit het academische betoog, en andersom. Elkaar aanvullend en becommentariërend, verklarend en mystificerend vlechten de twee verhalen, de twee visies, de twee extreme manifestaties van dezelfde persoonlijkheid zich dooreen. Het blijkt dat het niet juist is om a priori een «rationele», «wetenschappelijke», «economische» visie op kunst uit te sluiten. Net zoals het niet juist is om a priori elk «fictioneel», «literair » perspectief op wetenschap uit te sluiten.
Kunst en wetenschap gaan hier samen. Als dag en nacht. Als linker- en rechterhand. Als mens en schaduw. Als Marjolijn Drenth von Februar en M. Februari.
Een pruik van paardenhaar is ook het betrokken werk van een modern filosoof. De tweede titel, Over het lezen van een boek, verwijst naar het ambacht van de filosoof als wetenschappelijk onderzoeker. Hoe bescheiden het boek ook is waar het de omvang van zijn onderwerp betreft, schrijft Drenth, de keuze voor de aard van het onderwerp is niet bescheiden. De auteur verwijst naar de discussie rond maatschappelijke besluitvormingstheorie, die al jarenlang wordt gevoerd. «Na lezing van deze breed uitwaaierende discussie ziet de filosoof zich gesteld voor de vraag welke bijdrage de filosofie kan leveren, hoe de filosofie zich in haar benadering kan onderscheiden van andere disciplines. De vraag raakt aan de meer fundamentele kwestie of een filosofische bijdrage überhaupt ooit wenselijk kan zijn. Of - zoals Stefan Themerson het een filosoof laat denken: 'Why should he add another book about books written about books about books?'»
Een pruik van paardenhaar is het antwoord op die vraag.

Wij, de lezer, blijven verwonderd achter. De auteurs ook, weten wij. Zij hebben elkaar opgezocht aan het begin van het boek, en kunnen aan het slot niet meer uiteen. De epiloog: «Alles wat is gebeurd, is volmaakt, omdat het gebeurd is. Toen het boek uit was, konden de filosoof en ik elkaar niet meer vergeten. (…) Omdat het boek uit was, konden de filosoof en ik elkaar niet meer verlaten.»