De stand van de neurowetenschap

De mens als sociaal individu

De mens lijkt van nature egoïstisch en zo zag de wetenschap dat ook. Maar uit recent onderzoek blijkt dat we socialer zijn dan uit eigenbelang te verklaren is. Het zit in onze hersenen: als die beschadigd raken of krimpen, gedragen we ons steeds asocialer.

De valsheid, geslepenheid en agressie die mensen aan de dag kunnen leggen als het gaat om lijfsbehoud leek eeuwenlang automatisch het antwoord op de vraag of de mens in zijn diepste wezen sociaal of individualistisch aangelegd is: hij is de ander een wolf. Tegen die menselijke natuur is door grote denkers heel wat in stelling gebracht, van religie tot de Rede of de tucht van de staat. De moderne wetenschap ondersteunde het idee van de egoïstische mens, zeker toen vanaf de jaren zeventig de kennis over biologische processen en de rol van erfelijk materiaal sterk toenam. Maar recentelijk is er sprake van een kentering. ‘Tot een paar jaar geleden gingen wetenschappelijke modellen doorgaans uit van de mens als individu dat gericht was op eigenbelang’, zegt Paul van Lange, hoogleraar sociale psychologie aan de Vrije Universiteit. ‘De laatste jaren verschuift dat. In verschillende takken van wetenschap – in de psychologie bijvoorbeeld, maar ook in de neurologie en economie – is steeds meer belangstelling voor de coöperatieve instelling van de mens. Recent onderzoek wijst uit dat mensen veel sterker op het collectief gericht zijn dan voorheen werd aangenomen. Sommige sociale emoties worden veel sneller en sterker opgewekt dan we vroeger dachten, zoals empathie. We zijn snel geneigd tot medelijden.’

Een centraal probleem bij het onderzoek van sociaal gedrag is dat je de neiging tot samenwerken bij mensen kunt zien als eigenbelang: als mensen meer verwachten te krijgen door in een groep op te trekken, kan dat nog steeds uit egoïstische motieven zijn. Maar zo gemakkelijk blijkt onze sociale neiging niet weg te poetsen. Van Lange: ‘Uit onderzoeken naar samenwerking blijkt dat de mens snel geneigd is meer te doen voor een ander of een groep dan hij als beloning voor dat sociale gedrag terug kan verwachten. Hij is coöperatiever dan uit eigenbelang te verklaren is.’

En omgekeerd geldt het ook: mensen zijn boos als anderen zich niet coöperatief opstellen en zijn geneigd om asociaal gedrag te straffen, zelfs als dat hun eigen belangen schaadt. Zulk gedrag is bijvoorbeeld te testen in het zogeheten ultimatum game, waarbij een proefpersoon twintig euro krijgt en hem gevraagd wordt een deel af te staan aan een ander. Die ander mag weigeren, maar dan krijgt geen van beiden iets. Als de proefpersoon te weinig afstaat, zijn mensen geneigd zulk ‘asociaal gedrag’ te straffen met een veto, ook al beroven ze zichzelf daarmee van een paar euro.

Waarom dan al die oorlog en doodslag door de eeuwen heen, als de mens zo tot sociaal gedrag geneigd is? ‘Oorlogen worden vrijwel altijd veroorzaakt op een ander niveau van menselijke interactie: dat van de groep’, zegt Van Lange. ‘Waar individuen goed met elkaar omgaan, doen groepen dat juist heel slecht. Het onderlinge vertrouwen tussen groepen blijkt heel laag te zijn en de neiging tot rivaliteit groot.’

Het ligt voor de hand de neiging van mensen tot sociaal of asociaal gedrag in de evolutie te zoeken in de neiging van individuen, groepen of zelfs genen om zich voort te planten. Dat idee is nu zowel binnen de wetenschap als daarbuiten gangbaar geworden, maar dat ging bepaald niet zonder slag of stoot. Vooral bij de controverse over sociobiologie in de Verenigde Staten ging het er spijkerhard aan toe. Voorstanders van het idee dat menselijk gedrag wordt gestuwd door de genen moesten zich als herboren darwinisten verweren tegen verwijten als zouden zij racisme, verkrachting en kindermoord goedpraten, de burgerrechtenbeweging willen terugdraaien of een open weg bieden naar de gaskamers van het Derde Rijk. Het debat golfde over de randen van verschillende wetenschappen en werd vanwege zijn beladen termen breed uitgemeten in de pers.

De scherpe kantjes van dat debat zijn er inmiddels af en in recente ontdekkingen over sociaal gedrag zit ook weinig van dergelijk brisant materiaal. Grote stappen zijn gemaakt op het gebied van hersenonderzoek, maar die behelzen geen conclusie of de mens van nature egoïstisch is of sociaal: onze hersenen ondersteunen beide typen van gedrag. En dat geldt niet alleen voor mensen. ‘Sociaal gedrag ligt duidelijk niet in de omvang van de hersenen of in de verschillende typen hersenen die in het dierenrijk voorkomen. Dieren met een relatief klein brein, zoals ratten, of dieren met een heel ander brein dan zoogdieren, zoals vogels, kunnen heel sociaal zijn’, zegt Cyriel Pennartz, hoogleraar neurowetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Onderzoek wijst er veeleer op dat een groter of verder geëvolueerd brein geschikt is om meer stappen vooruit te denken. Dat geldt ook voor sociaal gedrag. Mensen zijn daarom niet per se socialer dan dieren met primitievere of kleinere breinen, maar zijn wel in staat om de sociale implicaties van hun gedrag verder te voorspellen.’

In primitieve breinen, bijvoorbeeld die van krokodillen, wordt wel gedrag aangestuurd wat wij ‘asociaal’ of ‘impulsief’ zouden noemen, zoals agressie. Ook bij mensen zijn de lagere hersendelen – zowel lager gelokaliseerd in het hoofd als lager in de ontwikkeling van het brein – actief bij dergelijk gedrag. De kennis over welke hersendelen bij welk soort gedrag betrokken zijn, is de laatste jaren sterk toegenomen door imaging, waarbij mensen horizontaal een hersenscanner in geschoven worden. Die scanner kan zien welke hersendelen actief zijn, een ander apparaat kan met een kleine elektrische lading aparte hersendelen uitschakelen.

Bij dergelijke tests lijkt gedrag dat wij ‘sociaal’ noemen vooral in twee hersengebieden te zitten: in de hersenschors (cortex, aan de buitenkant van het brein), en dan vooral vooraan (in de prefrontale cortex), en in de amygdala, een centraler hersendeel. ‘In die hersendelen is activiteit te zien als mensen sociale taken of vragen voorgelegd krijgen. Bij spijt, eerlijkheid, gezichtsinterpretatie of empathie bijvoorbeeld’, aldus Cyriel Pennartz. ‘Als je ze uitschakelt, gaan mensen zich ook minder sociaal gedragen.’ Bijvoorbeeld bij het ultimatum game met twintig euro dat ook door Paul van Lange als voorbeeld werd gebruikt. Pennartz: ‘Zonder gebruik van de prefrontale cortex zie je dat mensen sneller geneigd zijn een klein deel van die twintig euro te accepteren. Ze straffen asociaal gedrag niet meer af, maar gaan voor de kleine beloning.’

Asociaal gedrag is ook het gevolg als de prefrontale cortex beschadigd raakt; mensen met zo’n beschadiging vervallen bovendien vaak in crimineel gedrag. Het tijdstip van beschadiging is ook belangrijk. ‘Als de prefrontale cortex op latere leeftijd beschadigd raakt, dus als de hersenen al zijn uitgegroeid, gedragen mensen zich socialer dan wanneer dat vroeg in de jeugd gebeurt’, aldus Pennartz. ‘De prefrontale cortex lijkt daarom een soort “trainer” in sociaal gedrag te zijn die andere hersendelen dat gedrag aanleert.’

De opvatting in de psychologie dat sociaal gedrag evolutionair bepaald is, maakt de bevindingen in hersenonderzoek dubbel interessant. ‘De ontwikkeling van individueel naar sociaal, die volgens de theorie in de menselijke evolutie heeft plaatsgevonden, zou je ook moeten zien in de levensboog van mensen zelf’, zegt Huub Middelkoop, hoogleraar klinische neuropsychologie aan de Universiteit Leiden. ‘En dat klopt ook. Bij baby’s zie je uitermate egoïstisch gedrag, volledig op directe behoeftebevrediging gericht. Als hun brein groeit en rijpt, raken mensen steeds meer op hun omgeving gericht. En als de hersenfuncties weer afnemen, bijvoorbeeld door een ziekte die de hersenen aantast, zoals de ziekte van Alzheimer, zie je dat mensen zich weer meer in zichzelf terugtrekken. Ze gedragen zich tegenover de buitenwereld asocialer: ze praten door anderen heen of pakken dingen af. Ze vertonen het gedrag uit hun kindertijd.’

Diezelfde ontwikkeling van individueel naar sociaal, die nu zowel in de evolutie als in de menselijke levensboog wordt verondersteld, zie je ook in de groei en ontwikkeling van het brein. De hersenen groeien als een kool, van de basis steeds verder naar buiten. De hoogste delen worden dus ook als laatste aangelegd. Middelkoop: ‘De hersendelen die vitale functies, instinct en egoïstisch gedrag lijken aan te sturen, de lagere delen, worden dus eerst aangelegd, daarna de hogere delen die betrokken zijn bij sociaal en intellectueel gedrag. De prefrontale cortex, die cruciaal is bij sociaal gedrag, rijpt pas in de puberteit.’

De buitenste hersendelen raken logischerwijs het eerst beschadigd bij een slag van buitenaf. Zo’n beschadiging, of een groeiverstoring, heeft ingrijpende gevolgen voor sociaal gedrag. ‘Bij schade aan de voorzijde van de hersenen, bijvoorbeeld na een brommerongeluk, is vaak een echte karakterverandering waar te nemen’, zegt Middelkoop. ‘Mensen worden impulsief, egoïstisch en kinderlijk. Ze dringen ongegeneerd voor en worden boos als ze niet het grootste stuk krijgen.’

De paradoxale situatie is dus dat mensen die het meest afhankelijk zijn van anderen – baby’s, dementerenden, mensen met bepaalde hersenaandoeningen – zich het asociaalst gedragen, terwijl de sociale functies het sterkst zijn bij mensen die zich het best zelf kunnen redden. Middelkoop: ‘Het illustreert dat “sociaal gedrag” vooral afhangt van wat voor definitie je eraan geeft, en hoe een samenleving dat ziet. Het voortbestaan van de soort hangt af van het overleven van het individu. Evolutionair gezien moet sociaal gedrag daarom uiteindelijk een egoïstisch oogmerk hebben.’

Sociaal psycholoog Paul van Lange ziet het liever anders: ‘Het is een oud filosofisch thema: is coöperatief gedrag uiteindelijk niets meer dan een groep calculerende individuen die zien dat samenwerken loont? Je kunt sociaal gedrag zo eigenlijk altijd ombuigen, bijvoorbeeld door te zeggen dat mensen goed doen om een goed gevoel over zichzelf te krijgen. Maar zo’n interpretatie vereist zoveel aannames over berekening en heimelijk of onbewust eigenbelang, dat die voor mij zijn doel verliest. Uiteindelijk kies ik er dan liever voor het te zien als sociaal gedrag.’