Essay: Normaal gedrag als overlevingsstrategie

De mens als speelgoedauto

Het produceren van sociaal wenselijk gedrag is vooral een kwestie van imitatie, schrijft Arnon Grunberg. In de zomer van 2012 wordt hij opgenomen op de psychiatrische afdeling van het UMC. Aan wie zal hij zich assimileren?

Medium grunberg voorplaat

IN DE ZOMER VAN 2009 logeerde ik tien dagen lang bij negen verschillende gezinnen in de Utrechtse Vinex-wijk Leidsche Rijn. Zoals een auto wielen nodig heeft, zo heeft de schrijver werkelijkheid nodig en bij voorkeur een andere werkelijkheid dan die men tegenkomt op schrijverscongressen, festivals, signeersessies, prijsuitreikingen en symposia, hoe eervol ze ook mogen zijn of worden gevonden.

In een van de gezinnen bij wie ik logeerde, werkte de vader als kinderpsychotherapeut; ik kreeg een bed in zijn behandelkamer. Onlangs ontmoette ik hem in New York. Hij was daar om een workshop te geven voor hulpverleners met de titel De angstfabriek. Hij had een therapie ontwikkeld die raakvlakken had met art therapy en die redelijk succesvol was. Op een gegeven moment zei de psychotherapeut: ‘Soms slaat de behandeling natuurlijk niet aan. Dat ligt misschien ook aan mij. Zo had ik een kind met wie ik geen contact kon maken, wat ik ook probeerde. Het enige wat de jongen tegen mij zei was: “Jouw oor is van plastic.”’

'Iets anders heeft hij nooit tegen je gezegd?’ vroeg ik.

'Nee’, zei de psychotherapeut. 'Alleen maar: “Jouw oor is van plastic.” Meer niet.’

Het enthousiasme van de psychotherapeut over zijn therapie was nu verdwenen. Even werd hij een sombere, oudere man. En hoewel ik dat eigenlijk niet wilde, keek ik toen naar zijn oor, alsof ik me ervan wilde verzekeren dat het kind zich vergist had. Beschamend, vond ik.

Het gesprek stokte; gelukkig moesten we allebei nog ergens anders heen.
Mensen produceren gedrag, vermoedelijk is dat het belangrijkste en meest veelzeggende wat zij produceren. Meer dan uiterlijk is het gedrag datgene waarmee wij onze medemensen menen te typeren. Fantasieën en verlangens vallen eronder. En hoort iemand stemmen, dan maken die stemmen eveneens deel uit van zijn gedrag.

In zijn essay De mens als speelgoed, opgenomen in een essaybundel uit 1995 met dezelfde titel, citeert Rudi van den Hoofdakker uit de inaugurale rede van René Kahn, de psychiater die de scepter zwaait over de psychiatrische afdeling van het Utrechts Medisch Centrum. Dat weet ik zo precies omdat ik van de lente pogingen heb ondernomen om mij op te laten nemen op de psychiatrische afdeling van het UMC, en het was onder anderen René Kahn die daar toen een stokje voor heeft gestoken. Maar daarover later meer.

Van den Hoofdakker citeert Kahn, die stelt: 'De hersenen produceren naast hormonen een nog belangrijker goed: zij produceren gedrag.’

Kahn hield die rede in 1994, dus de vraag in hoeverre wij ons brein zijn, een discussie die nieuw leven werd ingeblazen door het succes van het populair-wetenschappelijke boek van Dick Swaab, is al minstens twee decennia oud.
Van den Hoofdakker reageert daarop. Hij schrijft: 'Maar zodra het over de processen gaat die die interacties mogelijk maken, stelt men zich op het standpunt dat de mens geen persoon meer is, maar een ding, zoiets als een speelgoedauto. Hoewel ook de speelgoedauto voor mij als een kind een persoon was - ik herinner mij er een die de vervelende persoonlijkheidsstoornis had nooit rechtuit te “willen” rijden.’

Wij zijn geen speelgoedauto die door een onzichtbare hand, de hersenen, wordt voortgeduwd, aldus Van den Hoofdakker. Het is evident, zegt hij bovendien, dat wij zonder chemische stoffen in ons hoofd sociale interacties niet zouden kunnen uitvoeren, maar dat die sociale interacties daarmee nog niet verklaard zijn. Wie zijn gedragingen probeert te legitimeren door te zeggen: 'Het zijn chemische processen in mijn hoofd’, verschuilt zich achter een drogreden.
Hersenen produceren gedrag zoals de teelbal sperma produceert, maar de wetenschapper die seksualiteit wenst te verklaren door de teelbal te bestuderen mist inderdaad iets fundamenteels. Wie gedrag wil bestuderen moet kijken naar een buitenwereld, een werkelijkheid waarin het gedrag van dat individu plaatsvindt. Zoals Van den Hoofdakker schrijft: 'Het centrale punt is dat de mens niet in een psychologisch of sociaal vacuüm leeft, maar in een context.’
Zonder context wordt elk gedrag een absurditeit, iets wat aan de orde was bij de uitspraak van het patiëntje van mijn vriend uit Leidsche Rijn. Overigens, als de psychotherapeut werkelijk een oorprothese had gehad, een oor van plastic, dan was de uitspraak door de herhaling nog steeds merkwaardig geweest. Maar de uitspraak was dan waar en niet meer absurd geweest en de patiënt had minder contactgestoord geleken.

De Franse toneelschrijver Eugène Ionesco haalde teksten uit een leerboek Engels en liet die uitspreken door personages op het toneel. Zo demonstreerde hij de werking van het absurdisme: wat abnormaal is, wordt door de context bepaald, niet door de producent van gedrag.

In de film The Hurt Locker komt een Amerikaanse militair thuis die in Irak bommen onschadelijk maakte. Hij loopt door een supermarkt en beseft dat hij terug wil naar Irak. Is hij ziek? Nee, hij is eraan gewend geraakt gedrag te produceren dat normaal is in Irak; hij kan of wil zijn gedrag niet meer veranderen, dus gaat hij terug naar de plek waar dat gedrag normaal is.
Bij het kampsyndroom denken wij dat het kamp het trauma is, maar dat is wellicht onjuist, de bevrijding is het trauma. Wie eenmaal onder extreme omstandigheden een bepaald soort gedrag heeft moeten vertonen kan zich niet of slechts met de grootste moeite aanpassen aan omstandigheden die normaal heten te zijn.

DE CONTEXT BEPAALT NIET ALLEEN HET GEDRAG, zij stuurt het gedrag ook. Wij zijn allemaal beïnvloeders van menselijk gedrag, al zullen wij ons daar vaak niet bewust van zijn of van willen zijn - beïnvloeding doet denken aan manipulatie en dat woord heeft een negatieve bijklank.

De psychiater is iemand die van een algemeen menselijke hobby zijn werk heeft gemaakt. Wat wij erbij doen, doet hij moedwillig, professioneel, en fulltime in de meeste gevallen. In de woorden van Van den Hoofdakker: 'Immers iedere arts is een beïnvloeder van gedrag. Nog algemener, wij zijn allemaal beïnvloeders van elkaars gedrag in ons dagelijks leven. Psychiaters zijn specialisten in het beïnvloeden van gedrag.’

Waarbij de psychiater uiteraard het gedrag van zijn patiënt zegt te beïnvloeden om de patiënt minder te doen lijden, hij heeft de eed van Hippocrates gezworen. Wij echter beïnvloeden doorgaans andermans gedrag om er zelf beter van te worden.

We steken vermoedelijk mede om er zelf beter van te worden enorm veel tijd in het beïnvloeden van andermans gedrag, zeg maar in het domesticeren van de ander. Een relatie kan bijvoorbeeld beschouwd worden als een spel waarbij twee personen pogingen doen elkaars gedrag te beïnvloeden, in veel gevallen tot ze het erbij laten zitten. En opvoeding is niets anders dan gedragsbeïnvloeding met uiteenlopende middelen, al zijn sommige van die middelen in onbruik geraakt, bijvoorbeeld het Spaanse rietje. Op grotere schaal: belastingheffing is niet alleen nodig om de brandweer, het leger en de sociale zekerheid te bekostigen, maar ook een middel tot gedragsbeïnvloeding van de burgers, denk aan accijns op drank. De overheid heft ook belasting om het gedrag van de burgers te sturen, iets wat je in het huidige tijdsgewricht bijna zou vergeten.
In de liefde wordt manipulatie slechts zelden als zodanig herkend, maar dat is omdat wij onverbeterlijke romantici zijn. En ook omdat wij, hoe naar wij het woord 'manipulatie’ ook vinden, het soms wel degelijk prettig vinden om te worden gemanipuleerd, al is het maar om tijdelijk te ontkomen aan ondraaglijke verantwoordelijkheden. Alleen als het de spuigaten uitloopt, zijn wij bereid toe te geven niet met liefde maar met emotionele chantage te maken te hebben.

Kortom, de mens mag dan geen speelgoedauto zijn, maar degenen die aan hem sleutelen gedragen zich wel degelijk als monteurs. Ik weet ook niet hoe zij zich anders zouden moeten gedragen.

Vrijheid kan worden begrepen als de mogelijkheid om gedragsbeïnvloeding af en toe succesvol te weerstaan. Dus meer te zijn dan waar de omstandigheden iemand toe dwingen. Het recht je te verzetten, al is het maar op symbolisch niveau, juist ook dan als gedragsbeïnvloeders beweren het beste met je voor te hebben en geen enkel ander belang zeggen te kennen dan jouw belang. Niets legitimeert manipulatie meer dan deze vermomming: ik doe het allemaal voor jou.

Maar wij weten nauwelijks wat goed is voor onszelf, laat staan dat anderen weten wat goed voor ons is. De omstandigheden zijn immers nauwelijks te overzien of te voorspellen, en het is de vraag of wij de grenzen van de zelfkennis aanvaard hebben. Hoe kun je jezelf echt kennen als je nooit helemaal zeker weet of je de mechaniek waarmee die zelfkennis tot stand komt echt kunt vertrouwen?

Van den Hoofdakker zegt met de nodige ironie dat psychiaters, net als de meeste andere mensen, personen zijn die weten wat goed is voor de ander. Waaruit een gezonde twijfel aan die professionele kennis spreekt. En de psychotherapeut Adam Phillips schrijft in zijn boek In onbalans dat wij, zoals Freud zegt, dieren zijn die nooit precies zullen weten wat onze fundamentele overtuigingen zijn.

De mens is daardoor noodzakelijkerwijs een producent van zelfbedrog. Dikwijls hebben wij preoccupaties om onze werkelijke preoccupaties mee te camoufleren. Anders gezegd: ons 'ik’ is gefragmenteerd, als we het over eigenbelang hebben weten we niet altijd over welk deel van ons ik wij spreken.
Van den Hoofdakker schrijft over het beroep van psychiater: 'Zijn ambacht staat in dienst van het waardenstelsel van deze maatschappij, dat hem voorschrijft om defecten te herstellen, pijn en ellende te bestrijden enzovoort.’ Hier wordt de psychiater opvallend genoeg voorgesteld als iemand die zich verhoudt tot de patiënt als de automonteur tot de auto. De auto wordt startklaar gemaakt. Patiënt produceert het juiste gedrag, de psychiater kan weer verder.

Wat concreet wordt in oorlogsgebieden, waar psychologen en indien nodig psychiaters proberen om militairen in geestelijke nood gereed te maken of gereed te houden voor het krijgsbedrijf. Zij stellen nadrukkelijk dat zij geen therapie uitvoeren, dat moet thuis gebeuren, maar dat zij slechts gericht zijn op het normaal laten functioneren van de militair, terwijl het er in feite om gaat dat hij zijn gevechtstaken naar behoren kan uitvoeren.

De geestelijke gezondheidszorg in het leger volgt de logica van de gezondheidszorg buiten het leger. Patiënten moeten zo snel mogelijk worden klaargestoomd voor effectieve deelname aan de maatschappij. Daar waar dat echt niet meer gaat worden de patiënten verzorgd en beziggehouden, naar we hopen onder betrekkelijk aangename omstandigheden.

Medium grunberg follow up

NORMALITEIT, HET PRODUCEREN van normaal gedrag - en dat is ons doel, want als we dat produceren zijn we normaal - is de bereidheid om je ten minste gedeeltelijk te laten manipuleren.

Ik heb wel eens tegen mijn vriendin gezegd: 'Ik laat me niet manipuleren.’ Aan haar reactie kon ik merken dat ze dat problematisch vond. Mensen die zich niet laten manipuleren zijn inderdaad een probleem; zij die consequent weigeren zich te laten manipuleren, bewust of onbewust, zijn abnormaal.

Een maatschappij heeft gedragscodes. Voor degenen met al te alternatieve gedragspatronen is er in uiterste gevallen de gevangenis, de psychiatrische inrichting en in veel landen uiteindelijk ook de doodstraf. Zij hebben zich niet tijdig laten manipuleren. Slechts bij uitzondering mag het individu gedragscodes ongestraft overtreden. Denk aan Steve Jobs. Dat hij af en toe zijn blote voeten in het bedrijfstoilet stak, wordt als aangenaam buitenissig beschouwd, als grappig, als bewijs van zijn genialiteit.

Wanneer de geijkte middelen om mensen te manipuleren falen, is het de vraag of het traditionele, humanistische mensbeeld, zoals Van den Hoofdakker dat voorstaat in zijn essays over de psychiatrie, nog wel houdbaar is. Niet omdat ik me niet kan verenigen met dat mensbeeld, integendeel, maar omdat ik mij afvraag of wij daarmee niet veeleer een toestand beschrijven zoals die zou moeten zijn in plaats van de toestand zoals die is.

Ik sympathiseer met Van den Hoofdakker als hij schrijft dat hem de rillingen over de rug lopen als 'menselijke ellende wordt teruggebracht tot farmacologisch manipuleerbare gedragsvormen’. Inderdaad schuilt er iets vreselijks, want onmenselijks, in het idee van de mens als fabriekje dat dankzij de farmaceutica in bedrijf kan blijven. Wij willen geen speelgoedauto zijn. En wij zijn het vermoedelijk ook niet, althans niet voor onszelf, maar wel voor de ander.

Empathie is in wezen goed noch slecht, stelt Van den Hoofdakker. Als voorbeeld geeft hij de beul die empathisch zal moeten zijn om beter te kunnen martelen. De neutraliteit van empathie zou best weleens tot ons door mogen dringen aangezien christenen en de humanisten empathie tot een van hun belangrijkste afgoden hebben gemaakt.

De farmaceutica is net zo neutraal als empathie, misschien zou je farmaceutica zelfs kunnen omschrijven als empathie in een tabletje. Maar het mag duidelijk zijn dat de definitie van machthebbers wat abnormaal gedrag is niet altijd hoeft overeen te stemmen met de definitie die psychiaters hanteren. De geschiedenis heeft dat ook bewezen. De norm die gesteld wordt gaat altijd ook over macht.
Alle bedenkingen ten spijt, het lijkt me onvermijdelijk dat in de toekomst oorlogen met behulp van farmaceutica zullen worden uitgevochten. Want waarom zou je met veel moeite soldaten vernietigen als je met behulp van farmaceutica hun gedrag wezenlijk kunt beïnvloeden? En waarom zou je allerlei risico’s lopen door een bevolking in een vreemd en vijandig gebied of land voor je proberen te winnen door wegen en scholen te bouwen als je die bevolking ook sneller, effectiever en goedkoper met behulp van farmaceutica op andere gedachten kunt brengen?

Iets soortgelijks zien wij al in de technologie: een computervirus, Stuxnet, is met succes ingezet om de vermoedelijke pogingen van Iran om een atoombom te produceren te saboteren.

GEDRAG EN IDENTITEIT zijn niet van elkaar los te koppelen. Identiteit zal aan gedrag voorafgaan maar gedrag is ook een bouwsteen om identiteit te creëren. En identiteit wordt met behulp van literaire technieken geconstrueerd om eenheid en samenhang te suggereren.

De constructie van identiteit, in de meeste gevallen een onbewust proces, is dus een talige aangelegenheid, wij bestaan uit feitjes en weetjes over het verleden van onze opvoeders of onze ouders en ons eigen verleden. Van die weetjes hebben wij een coherent verhaal gemaakt. Alleen al daarom is het zo onzinnig mensen te reduceren tot hun chemische processen. Dat is net alsof je over een roman beweert: dat is bedrukt papier. Niet onwaar maar je zegt er niets mee. Mensen zíjn een verhaal. De constructie van ons ik bestaat uit een verzameling anekdotes met dezelfde hoofdpersoon. Met behulp van die verhalen produceren en legitimeren wij gedrag, waarmee wij weer het gedrag van andere mensen beïnvloeden. Anders gezegd, wij zijn dragers, ontvangers en verspreiders van informatie.

Het produceren van sociaal wenselijk gedrag, en uiteindelijk is het dat waarover we het hebben als we iemand normaal of juist niet normaal noemen, is vooral een kwestie van imitatie. Hoezeer wij ook hechten aan de illusie van uniciteit, als wij een origineel gedragsfabriekje zouden zijn zouden we niet normaal zijn.
Ook onze opvattingen, onze opinies, onze esthetische voorkeuren, die wij voor uiterst individueel houden, zijn voor het grootste gedeelte het resultaat van gedragsbeïnvloeding. Wij zijn buiksprekers die door andere buiksprekers in bedwang worden gehouden. Wij zijn marionetten die andere marionetten laten bewegen. Speelgoed.

In 2003 schreef ik in NRC Handelsblad: 'Als je jong bent, denk je dat er normale mensen bestaan, maar dat jij de pech hebt ze niet te kennen. Later kom je erachter dat dat onzin is, dat er geen normale mensen bestaan. Er bestaan alleen patiënten. Sommige patiënten weten zich staande te houden ten koste van andere patiënten en die noemen we daarom geen patiënten. Die noemen we geslaagd.’

Psychiaters, psychotherapeuten en romanschrijvers hebben met elkaar gemeen dat ze zich beroepsmatig interesseren voor menselijk gedrag, en dan met name het gedrag dat afwijkt van de norm. Wat de literatuur betreft, alle verhalen gaan over menselijk gedrag. Beckett heeft het in zijn meest hermetische prozafragmenten nog over menselijk gedrag. Weliswaar gedrag dat doet denken aan de jongen die alleen kon of wilde zeggen: 'Jouw oor is van plastic.’
Adam Phillips beweerde dat wij geen definitie kunnen geven van normaliteit zonder een ziektebeeld te schetsen. Zodra wij het normale van een definitie voorzien wordt het iets krankzinnigs, wij kunnen hooguit de parameters geven waarbinnen gedrag moet blijven wil het normaal genoemd worden.
Nogmaals, zonder context geen normaliteit.

Het is daarom belangrijk, wat helaas niet evident is, dat Van den Hoofdakker in zijn essays over de psychiatrie blijft hameren op de context. De omstandigheden dicteren wat normaal is, en de geestelijke gezondheid van het individu blijkt uit het vermogen zich aan die omstandigheden aan te passen. Het produceren van normaal gedrag, een vorm van assimilatie, is altijd een overlevingsstrategie. De omgeving verschaft ons informatie over de regels en wetten die daar heersen, wij verwerken die regels en wetten zo snel mogelijk en passen ons aan, zo overleven wij.

PTSD, posttraumatische stressstoornis, is in veel gevallen een soort jetlag. Het individu produceert gedrag dat bij plek A hoort terwijl hij al op plek B is aangekomen. Niet voor niets krijgen veel militairen pas last van PTSD op het moment dat ze het oorlogsgebied verlaten hebben en thuiskomen.
Hoe minder last je hebt van vaststaande ideeën over wie je bent, hoe buigzamer de identiteit en hoe beter je in staat bent normaal gedrag te produceren. Maar aanpassingsvermogen aan de omstandigheden, wat wij normaal gedrag noemen, kan natuurlijk absurde vormen aannemen. In Woody Allens film Zelig heeft de hoofdpersoon zich het aanpassingsvermogen zo goed eigen gemaakt dat hij als hij met een tandarts praat ook een tandarts wordt en als hij met een indiaan praat, verandert in een indiaan.

DE EENHEID VAN HET IK, zoals Freud stelde, is een precaire aangelegenheid. Van alle kanten wordt het ik aangevallen en onder druk gezet door tegenstrijdige verlangens en verboden, wat zou kunnen leiden tot normafwijkend gedrag of tot neuroses, het neveneffect van het met man en macht produceren van normaal gedrag.

De fascinatie van romanciers voor het abnormale komt denk ik voort uit een intuïtief vermoeden over een diepe angst die producenten van gedrag hebben. Dat zij op een dag het sociaal wenselijke gedrag niet meer kunnen produceren. Zoals acteurs vrezen voor het moment dat zij hun tekst totaal kwijt zijn, zo vrezen mensen uit hun rol te vallen.

Kierkegaard schreef: 'De natuur heeft vergeten dat ze chaos is. Maar het kan haar elk moment weer te binnen schieten.’

Het kan ons elk moment te binnen schieten dat we chaos zijn. Met alle middelen die ons ter beschikking staan, proberen we dat moment te voorkomen.
Een roman beschrijft doorgaans het scenario waarvoor mensen bang zijn en waarnaar ze tegelijkertijd verlangen - vrees en verlangen zijn zelden geheel van elkaar te scheiden. Dat scenario ontvouwt zich op het moment dat zij zich laten gaan.

Het voortdurend onder wisselende omstandigheden moeten produceren van sociaal wenselijk gedrag is beklemmend en vaak ook beledigend voor de persoon in kwestie. De enige manier om aardigheid in de productie te houden is om het te zien als spel. Alleen al daarom kan ik het uiteindelijk niet eens zijn met Van den Hoofdakkers these dat de mens geen speelgoed is. Wij zijn wel degelijk speelgoed. We kunnen hooguit vriendelijk vragen: 'Maak me alstublieft niet kapot. Andere mensen willen ook nog met me spelen.’

De onvermijdelijke vraag luidt: als wij gedrag produceren dat afhankelijk van de omstandigheden normaal kan worden genoemd, wat is dan het wezen van die producent van sociaal wenselijk gedrag?

Primo Levi heeft het in Is dit een mens over de 'lijdende nadenkende kern’ van een medegevangene. Ik vermoed dat in ieder mens, in ieder stuk speelgoed, zo'n kern zit, maar dat over die kern niets gezegd kan worden. Die kern is ons radioactieve materiaal, wij begraven hem diep. Wij kunnen er geen mededelingen over doen, of hooguit op indirecte, symbolische wijze, bijvoorbeeld via de kunst.

Het zijn vermoedelijk de mensen die wij psychisch niet in orde noemen die er niet in slagen hun radioactieve materiaal goed te begraven.

Dat ik mij van de lente wilde laten opnemen op de psychiatrische afdeling van het UMC had er niets mee te maken dat ik meende dat ik geen sociaal wenselijk gedrag meer kon produceren. Het klinkt onbescheiden - men dient niet over zichzelf te zeggen dat men ergens in uitblinkt - maar ik geloof dat ik in het produceren van dergelijk gedrag uitblink.

Nee, ik wilde met psychiaters en hun patiënten leven zoals ik diverse malen met verscheidene legers in oorlogsgebieden heb geleefd. Ik wilde het radioactieve materiaal benaderen.

De psychiatrische afdeling van het UMC was gestart met een project waarbij familieleden van jeugdige patiënten de nacht konden doorbrengen op de gesloten afdeling. Maar het bleek dat veel familieleden het te eng vonden. Een psychiater was op het idee gekomen om mij te vragen daar te logeren zodat familieleden zouden inzien dat het helemaal niet eng is.

Ik zei: 'Ik wil daar best logeren, maar dan wil ik ook gewoon behandeld worden door de psychiaters. En dan ga ik over die behandeling schrijven. Ik ben nu veertig, ik moet nu behandeld worden, straks hoeft het niet meer.’

Toen de plannen de hogere echelons van het management bereikten, ontstond er paniek. Het is misschien wat voorbarig om conclusies te trekken, maar het lijkt alsof de psychiatrie banger is voor pottenkijkers dan het leger.

Maar het UMC en de heer Kahn gunnen mij een herkansing. Als alles goed gaat word ik in de zomer van 2012 opgenomen. Ik ben zeer benieuwd aan wie ik me zal assimileren om daar normaal gedrag te produceren: aan het verpleegkundig personeel, aan de patiënten of aan de psychiaters.

Dat er geen normale mensen bestaan, betekent namelijk niet dat er geen norm is die ons afhankelijk van tijd en plaats steeds weer zal dicteren wat normaal is.


Arnon Grunberg schreef mee aan de onlangs verschenen bundel Het leven volgens Rutger Kopland: Onze vluchtige plek van de waarheid, onder redactie van Johan Goud, uitgeverij Klement/Pelckmans

Beeld: Dick Tuinder