De mens een figurant

Het viel me pas op nadat ik de nieuwe bundel van dichter en schilder Juliën Holtrigter een eerste keer gelezen had: De sprong van de vis is opgedragen aan de Amerikaanse gitarist en componist Steve Morse. Deep Purple, Kansas, dat werk. Dankzij Holtrigter zat ik niet veel later te kijken naar Morse die voordoet hoe je een van de bekendste gitaarriffs uit de rockgeschiedenis speelt. Ik ben geen fan van ‘Smoke on the Water’, maar de opdracht gaf een fijne, speelse tik aan de prettige indruk die Holtrigters poëzie toch al had achtergelaten.

Die (voor mij) onverwachte verwijzing naar Morse past goed bij deze poëzie, die zo onnadrukkelijk en terloops lijkt dat allerlei vreemde, gekke woordjes en averechtse beelden je in eerste instantie kunnen ontgaan. In het openingsgedicht ‘Terugtocht’, waarin zoals in veel van Holtrigters gedichten meer wordt gesuggereerd dan uitgesproken, bevindt de lezer zich in een niemandsland. Er is het daverende geluid van de snelweg ‘achter de duinen’, ‘restjes spuug van de vloed’ op het ‘blauwe basalt’ – het door het ritme van de zee gladstreken zand. Maar ik zie ook verlichte etalages waarin ‘schoenen, smartphones, bedden, juwelen’ zijn uitgestald; waar staat die camera nu eigenlijk opgesteld? Of is hier een alwetende instantie aan het woord? In elk geval bezielt de blik: ‘Bij de poelier hangen gevilde hazen/ schaamteloos voor het raam.’ Ik zie het meteen voor me, dat wit-roze van spieren en been, maar het is dat ‘schaamteloos’ dat opvalt: dat hangt daar zomaar brutaal en ongegeneerd te hangen!

In de volgende strofe is niet zomaar de maan te zien (‘aan het eind van het Zand’), nee, de maan staat daar op één been. Ik zie een maanspiegeling, uitlopend in een bewegende streep, maar wie weet heb ik het helemaal mis. Het beeld is in elk geval goed, en dat is belangrijker dan mijn of uw onmiddellijke, ongeduldige interpretatie. Zoals folkzangeres Aldous Harding eens in een interview zei: ‘We take and we take and we take and then we blame the thing for its availability that we demanded. This is a game of longevity. Be patient.’

Gelukkig lost Holtrigter niets op, hij kijkt wel uit. Er is dus die maan, vervolgens de ‘witgouden ringen’ aan haar vingers, de ‘witgouden leegte’ in haar ogen, met sluiers die misschien een snijwond verbergen, prachtige beelden, en intussen zie ik iets helemaal over het hoofd, gezien het abrupte slot: ‘Er is iemand op weg, terug naar huis,/ verslagen, ontwapend.’

De veertig gedichten, onderverdeeld in vier afdelingen, zijn als korte films met veel stilte. Neem nu ‘Vloed’. Eerst is er de wind die zich neerlegt bij laagtij, met boten die droogstaan en ‘schippers,/ die zuipen’. Desolaatheid troef. In een van de oude cafés waarin ‘talloze levens’ werden versleten, wordt een kamer betrokken. Krakkemikkige trappen en gangen, de reuk van boenwas en vis. En dan:

Een zijden sprei op het bed.
Een schijtgroene vlieg jaagt in vierkante cirkels
onder de hanglamp.
Beelden van stranden op het tv-scherm.

Ik bel haar, zij noemt haar naam.
Het blijft stil.
Dat wat voorbijgaat, onpeilbaar, voor altijd
onaf, de mateloosheid in elke seconde.

Goed dichten, het kan zo eenvoudig lijken. De vlieg die jagend in ‘vierkante cirkels’ op de zenuwen werkt, maar vooral ‘schijtgroen’ is: kijk, dát is nog eens een kleur. Vervolgens de troosteloze anonimiteit van die slotregels. Het gedicht zet grote stappen en doet dat geluidloos. Een enkel gedicht blijft iets te schetsmatig, te gladjes, zoals in het geval van ‘Over- en Uitland’ of ‘Landtong’, maar veel vaker vraagt deze poëzie om herlezing.

De tien gedichten in ‘Chaim’ vormen een opvallend geheel. De reeks vertelt in flarden over ‘mijn vriend Chaim’ die ‘onder zijn schedel’ en ‘achter het schot van zijn voorhoofd’ ‘de keuken van zijn verbeelding’ herbergt. Een eerbetoon aan ware vriendschap als iets onpeilbaars, waarbij ik nu en dan moest denken aan Nijhoffs Awater. De geestelijke verwarring of verruiming van Chaim (er is sprake van een kliniek) maakt van hem iets subliems, een mens die Gods droom wil vervullen en aan het eind van het leven alleen de taal en de rare sprongen van de fantasie overhoudt. Chaims laatste opdracht aan zijn vriend: kruip in mijn huid. Waarvan akte.

Het is vaak nacht, avond of schemer in De sprong van de vis, de tijd waarin we de verbeelding moeten inzetten om nog iets te kunnen ontwaren. Ook veel hemel, zee, bergachtig landschap en verte, wat een van eenzaamheid vergeven strofe oplevert als deze: ‘In de straat beneden schreeuwt een jongen een naam,/ een roepen dat langzaam verwaait, onverstaanbaar.’ Regels die afgewisseld worden door vrolijk makende zinnen, zoals in ‘Loopjes’: ‘Een hond leidt een blinde door het verkeer./ Heilig het dier dat wil leren’. Daar wil je een uitroepteken achter zetten.

In datzelfde gedicht constateert de dichter: ‘Wat moet ik toch altijd veel schrijven,/ juist op de rand van de krant.’ Er is zoveel te zien en te noteren dat het verbanden leggen van ondergeschikt belang is. Het gedicht ‘Figurant’ lijkt daarop te zinspelen, en is te lezen als een verkapte poëtica:

Er zijn van die films die onbegrijpelijk zijn
maar wel een inzicht beloven.
Je vermoedt een plot maar het blijft een collage
van losstaande beelden.

‘De claustrofobische Juliën Holtrigter zit vaak op het dak van zijn huis’, zo begint de flaptekst. Na het lezen van De sprong van de vis snap ik helemaal waarom.

Cul de sac

De avond valt na een bloedhete dag.
De straten staan blank maar nu klaart het op.

Het is nog zo licht dat er geen ster is te zien,
maar ze staan spijkerhard aan de hemel.

Ik zag op het journaal dat een man op een party
zijn wapen leegschoot.

Soms weet je niet waar je was, wat je deed
een paar uur ervoor.

Soms weet je wel waar je bent
maar weer niet wat je zoekt op die plek.