De mens en zijn verantwoordelijkheid

Ger Verrips, Goed dat er geen hiernamaals meer is. Uitgeverij Balans, 199 blz., f37,50
ALLE ROMANS EN verhalen die Ger Verrips vanaf zijn debuut in 1972 heeft gepubliceerd, hebben met elkaar gemeen dat ze een literaire vorm proberen te vinden voor een journalistieke en historische belangstelling voor de jongste geschiedenis. Ze getuigen van een grote sociale bewogenheid. De cruciale momenten uit de levensgeschiedenissen van de personages hebben vrijwel altijd een politieke achtergrond.

Jeroen van Jossen bijvoorbeeld, de held uit Zorg dat je een gekkenbriefje krijgt, weigerde dienst en moest zijn tijd doorbrengen in een militair neurosenhospitaal. Wij schrijven begin jaren vijftig: met de verwerking van de verschrikkingen van de oorlog is nauwelijks een begin gemaakt, het optreden van Nederlandse militairen in het voormalige Nederlands Indie is vrijwel onbespreekbaar, de verplaatsing van het oorlogsterrein naar Korea lokt maar weinig protesten uit, de noodzaak van de Koude Oorlog wordt in brede kring aanvaard, de angst voor een Derde Wereldoorlog is wijdverbreid. Tegen die achtergrond was de daad van Jeroen van Jossen niet zonder (maatschappelijke) risico’s.
Steeds weer zullen deze historische achtergronden de levens van de personages tekenen, hen dwingen tot het innemen van standpunten en het maken van keuzen. In de romans en de verhalen van Verrips worden de motieven die tot die keuzen hebben geleid, tegen het licht gehouden en met milde blik bezien. De auteur gaat daarbij altijd volstrekt ondogmatisch te werk: zekerheden over gewenst maatschappelijk gedrag worden vervangen door vragen, politieke dogma’s moeten het ontgelden.
De mentaliteit van waaruit Verrips zijn romans en verhalen schrijft, is mij sympathiek; want mij is het risicovolle engagement heel wat liever dan de arrogante ironie, waarin men gemakkelijk zijn gelijk haalt. De vraag is echter of Verrips er ook in slaagt zijn journalistieke en historische betrokkenheid literair vorm te geven. Op dat punt heb ik mijn twijfels. Zeker na het lezen van zijn net gepubliceerde roman.
Ook hierin probeert Verrips de verstrengeling van de individuele levensgeschiedenis met de collectieve uit te beelden. De oorlog, de Indonesie-kwestie en de Koude Oorlog komen weer aan bod. Er wordt gespit in de ontstaansgronden van de grote ideologieen, de postcommunistische periode in het Oostblok wordt overdacht en er wordt onderzocht wat het voor het leven van de mensen betekent dat de idealen zijn afgestorven. Waar moet men zich op richten, waardoor worden de betrekkingen tussen mensen nog gevoed?
ZOALS IN ZIJN vroegere werk maakt Verrips ook hier weer gebruik van het procede van het ‘gevonden materiaal’. In Witte gezichten (1976) baseerde de verteller zijn verhaal op de tapes van zijn jeugdvriend Alec. De hoofdpersoon in Met andere ogen (1979) kreeg de beschikking over de aantekeningen van een Gestapo-agent. En het openingsverhaal van Berlijns blauw is eveneens gebaseerd op notities die de protagonist was kwijtgeraakt.
Ook in Goed dat er geen hiernamaals meer is wordt een heel dossier gelicht. Wie in de roman echter als archivaris, documentalist optreedt is mij niet duidelijk geworden. De mededelingen waarmee de verschillende documenten uit het dossier met elkaar worden verbonden, zijn cursief gezet. Ze zijn heel summier gehouden. Het eerste document dat in de roman openbaar wordt gemaakt, is het dagboek van Monika. We krijgen daar fragmenten uit te lezen, waaruit blijkt dat zij op het huis past van haar oom Lars. Twintig jaar had zij hem niet gezien en toch lag er zomaar op een avond een brief op haar deurmat waarin hij vroeg of zij, nu hij voor langere tijd naar het buitenland was vertrokken, zijn spullen wilde bewaken.
Mooie samenloop van omstandigheden: op de dag dat zij de brief kreeg, had Monika besloten zich een maand terug te trekken om een denkpauze te nemen, nadat haar man zijn buitenechtelijke verhoudingen had opgebiecht. Nauwelijks heeft zij zich in het huis van haar oom geinstalleerd of zij vindt in de laden van Lars’ bureau een spiraalcahier met diens persoonlijke aantekeningen. Zonder schroom gaat ze daar in lezen. Dat is toch al opmerkelijk: kennelijk zonder scrupules wordt in deze roman het briefgeheim geschonden, andermans post geopend, telefoons afgeluisterd, dagboeken ingekeken. De intimiteit van het persoonlijke is kennelijk geen probleem.
UIT DE AANTEKENINGEN van Lars blijkt dat zijn vrouw Rachel aan een uitputtende ziekte is overleden. Hij overdenkt zijn relatie met haar tijdens een sabbatical year dat hij heeft gekregen van de krant waarvoor hij werkte. Hij maakt een rondreis door Europa en stuurt van allerlei pleisterplaatsen faxen naar zijn huis: materiaal voor artikelen die bestemd zijn voor het zaterdag-bijvoegsel. Die faxen worden uitvoerig geciteerd: reisreportages, invallen, interviews.
De aantekeningen belichten het Europa anno nu. Lars verblijft in Toledo, bedenkt dat de Inquisitie daar sporen heeft achtergelaten die tot op de dag van vandaag doorwerken. Hij discussieert met medereizigers over het bestaan van God, interviewt voormalige dissidenten in Praag, heeft gedachten over de opvattingen van Camus en Havel over verantwoordelijkheidsbesef, correspondeert met zijn geliefde Simone over de liefde.
Simone op haar beurt stuurt naar het huis van Lars (zodat ze ook Monika onder ogen komen) dagboekfragmenten waarin haar moeder haar ervaringen in de oorlog heeft opgeschreven. Intussen wordt ook nog geput uit het familiearchief van Monika zelf: de documenten handelen over familiegeheimen die zijdelings uit de doeken worden gedaan en die een licht werpen op de betrekkingen tussen Lars en Monika’s ouders.
Wanneer deze beschrijving van de roman verwarrend aandoet, is dat precies de indruk die ik zelf kreeg tijdens het lezen: de compositie is niet echt afgewogen, er wordt van de hak op de tak gesprongen, er wordt ongelooflijk veel overhoop gehaald, alsof de auteur geen enkel aspect van het huidige tijdsgewricht onbesproken wilde laten. Sommige stukken - met name Lars’ aantekeningen in Tsjechie en Duitsland - zijn interessant, vooral waar het handelen van de mensen in het Oostblok wordt belicht, maar er zijn te veel fragmenten die mij als lezer koud lieten omdat ze omkomen van de platitudes.
DAT GELDT OOK voor de sleutelzin van de roman. Aan het slot komt Lars tot een conclusie die - ik kan het helaas niet anders zien - geheel is getekend door het cliche van het postmodernisme. Hij spreekt zijn concluderende woorden uit tijdens een gesprek met een oorlogsveteraan die hem - zoals Monika constateert wanneer ze Lars’ post openmaakt - heel de roman door heeft bestookt met bedreigingen. Lars had deze oorlogsveteraan over zijn escapades in Nederlands Indie ondervraagd en een portret van hem geschreven voor de krant. Maar de oud-strijder had zich in dat portret niet kunnen vinden en dacht dat hem een loer werd gedraaid. (Even dacht ik dat hij - zo geoefend in de afluistertechniek - het dossier openbaar had gemaakt; uit de slotscenes van de roman blijkt echter dat hij zich van kant heeft gemaakt.)
Wanneer Lars en de oud-strijder elkaar uiteindelijk ontmoeten, groeit er, voor zover dat mogelijk is, iets van wederzijds begrip en komt Lars tot de sleutelzin: 'Alle grote verhalen, waarin de mens zich op een hiernamaals dient te richten, ook de utopieen van het toekomstige grote geluk op aarde, leiden tot het afdwalen van het hier en nu. Men raakt verslaafd aan uitstel en aan afzien van wat in het heden de moeite van het proberen waard zou kunnen zijn. Het is dan ook goed dat er in het wereldbeeld van meer en meer mensen tegenwoordig geen hiernamaals meer is, men zal zich gaan inspannen voor een beter samenleven in hiernumaals.’
Voor de stijl verdient deze sleutelzin bepaald geen hoofdprijs: lelijke tangconstructies, geforceerde gesubstantiveerde infinitieven. Tegen dit bezwaar zou kunnen worden ingebracht dat de zin wordt overgeschreven van een cassettebandje dat het geprek tussen Lars en de oud-strijder registreerde. Helaas is de zin representatief voor de stijl die ook in de correspondenties en dagboeken wordt gehanteerd. Daar lijden de zinnen nogal eens aan grote woorden (De Mens en Zijn Verantwoordelijkheid) en hoe divers het materiaal uit het dossier ook mag zijn, de verschillende personages die in de dagboeken en correspondenties naar voren komen, krijgen niet echt een eigen profiel. Er wordt een heleboel overhoop gehaald, zonder dat mij als lezer duidelijk werd waarom dit dossier nu precies is gelicht.