De mens in transit

De Nobelprijs voor de Literatuur voor het jaar 2018 is met terugwerkende kracht toegekend aan Olga Tokarczuk. In haar boeken, die ze zelf ‘constellatie-romans’ noemt, slecht ze nationale mythes.

Olga Tokarczuk, 2000. Ze schreef met De rustelozen ­literatuur van de bovenste plank © Basso Cannarsa / Leemage / HH

Vorig jaar won Olga Tokarczuk de Man Booker International Prize. Uit het niets, hoor je dan te zeggen, maar dan zie je de Poolse lezer over het hoofd. Flights, zoals de bekroonde roman in Engelse vertaling heet, verscheen bij een kleine-maar-fijne uitgeverij, Fitzcarraldo Editions, met een omslag waar de schrijversnaam en titel op stonden en verder niets. Een onwaarschijnlijke bestseller, een jaar later ligt het nog steeds in elke internationale boekhandel prominent uitgestald.

Nog onwaarschijnlijker omdat FlightsDe rustelozen in Nederlandse vertaling – een boek is dat zich niet makkelijk laat navertellen. Het is, zoals Tokarczuk het zelf noemt, een ‘constellatie-roman’. Het vertelt het verhaal van de Nederlandse anatomist Philip Verheyen, die in de zeventiende eeuw tekeningen maakte van zijn eigen geamputeerde been en zo, bijna bij toeval, de achilleshiel ontdekte; het bevat een verhaal over een achttiende-eeuwse Noord-Afrikaanse tot-slaaf-gemaakte die opklimt tot hoveling aan het Oostenrijkse hof om na zijn dood tot-curiosum-gemaakt te worden en opgezet rondreist; over hoe Chopins hart van Parijs naar Warschau wordt gesmokkeld, in een glazen potje onder de rok van zijn zuster; over de wanhopige meneer Kunicki, wiens vrouw en zoontje spoorloos verdwijnen op een Kroatisch eiland dat zo klein is dat je er helemaal niet kunt verdwijnen; over een Poolse die terugreist naar haar geboorteland om een oude schoolliefde te helpen sterven; over de vrouw van een professor die lezingen verzorgt op een cruiseschip op de Middellandse Zee.

Deze zomer verscheen er in The New Yorker een groot profiel over haar – een officieuze lauwerenkrans: voor een schrijver is dat zo’n beetje het teken dat je als Serieuze Internationale Auteur wordt erkend. In Polen was ze dat dus al. Ze is daar een buitengewoon zichtbaar figuur. Alleen al vanwege haar uiterlijk; ze draagt haar haar in opvallende dreadlocks. Geen ‘cultural appropriation’, legt ze uit in The New Yorker, want in pre-christelijke tijden droegen stammen in Polen hun haar zo. De Romeinen hadden er zelfs een term voor: plica polonica. ‘Een pejoratieve term waarmee een gebrek aan hygiëne werd bedoeld.’

Nog zichtbaarder is ze in het publieke debat, vooral vanuit de zorg dat dat publieke debat steeds verder wordt ingeperkt. De Poolse publieke omroep is duidelijk politiek gestuurd, en zet in agressieve en lasterlijke taal de oppositie opzij als gevaarlijke gekken; op scholen staan docenten onder druk om het door de staat gesanctioneerde nationalistische curriculum te verzorgen en niets daarbuiten. De geschiedenis van Polen – een land dat door de eeuwen heen talloze samenstellingen en vormen heeft gekend – mag vanuit de overheid alleen nog als glorieuze monoculturele eenheid gepresenteerd worden.

Aan die nationale mythe werkt Tokarczuk niet mee. Toen ze in 2008 na het winnen van de prestigieuze Poolse Nike-literatuurprijs – voor haar roman De Jacobsboeken; een roman (dit jaar in het Nederlands verschenen) over Jacob Frank, een joodse religieuze leider die in de achttiende eeuw andere joden met harde hand dwong zich tot het katholicisme te bekeren – op tv zei dat Polen niet alleen een slachtofferland was, een speelbal van Rusland en Duitsland, maar in het verleden zelf ook minderheden als koloniale potentaat had behandeld, stroomden de doodsbedreigingen binnen. Haar uitgever moest bodyguards inhuren.

In zekere zin zijn de successen van haar romans al interventies op die nationale mythe. Tokarczuk (1962) studeerde psychologie in Warschau in de jaren tachtig, toen het communistische regime meermaals studentenopstanden met harde hand onderdrukte. Ze trouwde, ging werken in de klinische psychologie, kreeg een burn-out (‘Ik ben te neurotisch om therapeut te zijn’, zegt ze in The New Yorker; in The Guardian zegt ze: ‘Ik had het idee dat ik veel verknipter was dan mijn patiënten’), kreeg een kind, en belangrijker, kreeg een paspoort waardoor ze in het Westen nieuwe theorieën en geschiedenissen kon lezen.

Die afwijkende geschiedenissen vertaalden zich in haar eerste romans. Ze brak halverwege de jaren negentig door met een roman (volgens haar bibliografie getiteld Podróż ludzi Księgi) over een fictioneel dorpje waar een Poolse vrouw verliefd wordt op een joodse man, maar ze vond haar stem – of eigenlijk: haar methode – met Dom dzienny, dom nocny (1998), in het Nederlands vertaald als Huis voor de dag, huis voor de nacht (2000). Simpel naverteld is het het verhaal van Wilgefortis, oftewel Sint-Omkommer, het veertiende-eeuwse meisje dat non wilde worden, door haar vader gedwongen werd te trouwen met de koning van Sicilië en daarom tot Christus bad dat hij haar afstotelijk zou maken voor haar verloofde. Christus liet die uitdaging niet aan zich voorbijgaan: de volgende dag werd ze wakker met een dikke baard. (Geen happy end: haar vader liet haar kruisigen.) Tokarczuk vervlocht het verhaal van Wilgefortis met haar geschiedschrijving, met persoonlijke memoires en verzonnen verhalen. Het resultaat was haar eerste constellatie-roman.

Tegen The Guardian zei ze dat de constellatie-roman een typisch Pools genre zou moeten zijn: ‘Allereerst vertrouwen we de realiteit een stuk minder dan jullie. Wanneer ik Engelse romans lees geniet ik ervan hoezeer er zonder angst wordt geschreven over kwetsbare, psychologische elementen. In die vorm kun je een verhaal op een heel lineaire manier vertellen, maar wij hebben dat geduld niet. Voor ons klopt zoiets niet, omdat onze geschiedenis nooit lineair is geweest. Daarnaast is het Westen geworteld in een psychoanalytische benadering van het zelf, terwijl wij nog steeds over onszelf denken op een mythische, religieuze manier.’

Hoewel de Zweedse academie graag zegt dat de Nobelprijs literaire kwaliteit beloont, geen ideologieën, is het aanlokkelijk het telefoontje dat Tokarczuk vorige week kreeg in dat licht te zien. In een tijd dat xenofobe en nationalistische machten in Europa teruggrijpen op een al dan niet verzonnen verleden van nationale eenheid, schetst Tokarczuk verledens die nooit eenduidig zijn, van betekenis veranderen, waarin vertrouwde en exotische culturen en ideeën als communicerende vaten met elkaar in verbinding staan.

Er is een verschil tussen kennis en ervaring, tegenover wat we weten moet ook rekenschap gegeven worden van wat we niet weten

Dat gezegd hebbende: De rustelozen is literatuur van de bovenste plank, een boek dat de lezer opzadelt met een intrinsieke paradox. Het daagt uit om te zoeken naar betekenis, een sleutel, een samenhang tussen de verhalen; terwijl je het boek het beste tot je kunt nemen door geen betekenis te verwachten en de verhalen over je heen te laten komen.

Hoewel het boek een verhalenboom is, komen die verhalen in elkaar afwisselende fragmenten, meer dan vijfhonderd in totaal, sommige bladzijdes lang, andere één alinea, weer andere één zin. Er is een naamloze verteller – een schrijfster – die monomaan lijkt te reizen. En dus essayeert ze over slaaptreinen, over reiscosmetica, over het onderweg zijn, over tijdsgrenzen, maar vooral verzamelt ze. Kennis. Al vroeg in De rustelozen zegt ze dat ze nooit zo geïnteresseerd is geweest in kunstmusea. Liever ziet ze dingen die niet gecanoniseerd of esthetisch van aard zijn, die zich niet in kunstpaleizen bevinden maar in kelders van vergeten musea buiten het stadscentrum. Bij voorkeur ziet ze rariteitenkabinetten, kleine ziekenhuisverzamelingen. ‘Een glazen pot, waarin een salamander met twee staarten zit, die met zijn bek naar boven gericht wacht op de dag des oordeels, wanneer alle preparaten van de wereld zullen verrijzen. De nier van een dolfijn in formaline. De schedel van een schaap, een pure anomalie, met twee paar ogen, oren en twee muilen, prachtig als afbeelding van een antieke, veelzijdige godheid.’

Zelf zegt ze dat ze gefascineerd is door wat ‘buitensporig of onvolledig, monstrueus en afstotend is’, ze wil geen herhaalbare gebeurtenissen. Maar als je verder leest, ontdek je dat er in haar bovenal een encyclopedisch verlangen schuilgaat. Ze wil alles weten, alles zien. Overal treft ze opsommingen, zoomt ze in op lijstjes en chronologieën. Als ze een doos maandverband koopt is ze verrukt dat er op de verpakking grappige weetjes staan:

‘Elk jaar komen er meer mensen om door een schop van een ezel dan bij vliegtuigrampen.

Op de bodem van een waterput kun je zelfs overdag de sterren zien.

Wist je dat je je verjaardag samen met negen miljoen andere jarigen viert?

De kortste oorlog in de geschiedenis werd in 1896 gevoerd tussen Zanzibar en Engeland en duurde slechts dertig minuten.’

Zo moet het zijn, denkt ze; het heeft geen zin verpakkingen te bedrukken met bloemetjes of aardbeien, want papier is immers bedacht als drager van ideeën. Alles zou ingepakt moeten zijn in ‘romans en poëmata’. Vanzelfsprekend komt ze uit op Wikipedia, ons ‘grootste wereldwonder’, waarin de mensheid zichzelf samenbalt, want het zet alles wat we weten om in taal, in bronnen en links. ‘Aan het werk! Laat iedereen ten minste één zin schrijven over datgene waarvan hij het meeste afweet.’

Maar tegelijk snapt ze dat er een verschil is tussen kennis en ervaring, dat er tegenover wat we weten, voor het evenwicht, ook rekenschap gegeven moet worden van wat we niet weten (‘de binnenkant, de voering, die door geen enkele inhoudsopgave kan worden begrepen, waar geen enkele zoekmachine raad mee weet’). En daarom is reizen juist de vorm voor de mens; het is het moment dat hij of zij tussen de kennis en de ervaring in zit, tussen de theorie van een bestemming en de praktijk van de locatie.

De rustelozen is, kortom, fijner om te lezen dan om over te schrijven – je blijft bezig er betekenis in te leggen, waarmee je het leesplezier bijna vergeet te benadrukken. Het verhaal over de zeventiende-eeuwse Philip Verheyen zit vol interessante historische informatie; Kunicki’s mysterie van zijn verdwenen gezin is de stof waar Haneke een ondraaglijk unheimische film van kan maken; de Poolse die haar jeugdliefde doet sterven is aangrijpend als een tearjerker. Maar de slotsom is een caleidoscopisch beeld van de mens in transit, op weg van de ene betekenis naar de andere, niet bang voor wat hij nog niet weet.

Het was passend dus dat Olga Tokarzcuk te horen kreeg dat ze de Nobelprijs voor 2018 had gewonnen toen ze ergens op een snelweg zat, zonder enig idee bij welke plaats ze in de buurt was.