De mens is maar ongelukkig

‘Ik ben Woef.
Mijn baas en ik hebben veel plezier, maar begrijpen doen we elkaar niet - en daarom lijkt onze verhouding wel op de verhouding die mensen met elkaar hebben.

Toch voel ik me anders dan baasje.
Ik ben bijvoorbeeld nooit impotent. Zie ik een vrouwtje, dan neuk ik haar. Als ze me bijt, neuk ik haar niet. Zo simpel is het.
Ik heb ook nooit last van een depressie. Een depressie vereist toch een zekere planning, denk ik wel eens. Hoe weet je hoe en wanneer een depressie te krijgen? Ik snap daar als hond helemaal niks van.
Ik ben bijvoorbeeld ook niet bang voor de dood. Niet alleen maak ik me daar geen voorstelling van, ik kan dat ook niet. Hoe zou ik dat als hond ook moeten? Als ik eten ruik, krijg ik honger, zie ik iets lekkers, krijg ik trek, hoor ik iets aantrekkelijks, dan ga ik erheen; ik doe het allemaal totaal onbewust. Waarom heb ik eigenlijk een bewustzijn nodig?
Mijn baasje is slechter af dan ik.
Hij gelooft in God, een soort Opperhond die niemand ooit heeft gezien. Hij laat zich daardoor leiden. Hij heeft een bewustzijn, maar dat brengt hem leen maar narigheid.
Hij probeert me nu welbewust te begrijpen - maar juist daarom begrijpt hij me niet. Hij heeft me lief, maar ik weet niet waarom. Ik heb hem ook lief: hij geeft me alles wat ik nodig heb. Hij zegt wel eens tegen me: “Jij bent de enige die om me geeft.” Ik geef hem niks dan een harige vacht en vlooien. Ik denk wel eens: “Als jij de ander net zo te eten en te drinken geeft als mij, dan moeten de anderen toch ook om jou geven?” Dat schijnt bij mensen toch anders te liggen. Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat mensen hun honden meer aaien dan elkaar.
Dat was mij ook opgevallen, en daar begrijp ik niets van. Wat is er nu tegen aaien? Wat kan dat voor kwaad? Ik weet veel van het kwaad, maar aaien hoort daar niet toe.
Wat ik ook niet begrijp is het geluk dat ik mijn baasje schenk als ik hem een poot geef.
“Poot!” roept hij. En dan verhef ik mijn been. Dan is hij blij. Mijn baas geeft zelf ook veel poten aan andere mensen, maar die zijn nooit blij. Er is met mijn poot verder niets bijzonders aan de hand.
Woef!“
"Ik heet Vlieg, want ik ben een vlieg, omdat ik vlieg.
Ik ken de mensen uit heel rare hoeken: meestal vlieg ik boven ze, in korte cirkels; ze volgen me dan met hun ogen en zeggen: "Ik zie ze vliegen.” Als ze dat zeggen, zijn ze gek. Maar mensen zijn sowieso gek. Ik bekijk de mens van bovenaf en begrijp dan twee dingen niet: Waarom zijn ze niet bang voor elkaar en blijven ze niet uit kaars buurt? En waarom zijn ze juist zo angstig? Ik bedoel: mensen willen ons altijd doodslaan, en van wat ik zie willen ze elkaar ook altijd doodslaan, maar desondanks gaan ze dicht bij elkaar staan. Dat begrijpen wij vliegen niet.
Omdat wij alles van bovenaf bekijken, weten wij ook niet waar de mensen zich druk over maken.
Om land? Wij vliegen hebben geen land, de lucht is van ons allemaal. Om geld? Ik weet niet wat dat is, dus ook niet wat je eraan hebt. Maar ik zie er niks goeds van.
Ik praat met Woef wel eens over de mensen. Woef en ik hebben geen taal, dus wij begrijpen elkaar direct.
Wij hebben medelijden met de mens. Hij verschilt niet zo veel van ons. Hij doet maar alsof. Hij praat en praat maar, maar het helpt niet. Hij is ongelukkiger dan Woef en ik, en als hij gelukkig is, beseft hij het niet. Het zou goed zijn als hij weer gewoon een dier werd.
Woef keek me daarnet aan en knikte.
Toen zei hij hap en at mij op.
Nu zit ik in zijn maag.
Nou en?“