Het anti-rendementsentiment

De mens met beperkte doelen

Verzet tegen het rendementsdenken is van alle tijden. Misschien brengt de huidige revolte tegen winstbejag het onderwijs, de zorg en de banken terug naar de vraag: waartoe zijn wij op aarde?

Medium rendement2

Een goed politicus weet wat zijn publiek wil horen. In het geval van Jesse Klaver, kersvers fractievoorzitter van GroenLinks, is het duidelijk wat dat is. Wie nieuw elan op links wil uitstralen, laat sleetse begrippen als klasse en kapitaal voor wat ze zijn en keert zich tegen het rendementsdenken als voornaamste politieke kwelgeest. Bij het aanvaarden van het voorzitterschap was het in ieder geval een belangrijk thema in Klavers verhaal. Onderwijs, zorg, in feite de hele publieke sector had volgens hem te lijden onder rendementsdenken.

De vraag laat zich moeilijk beantwoorden, maar wel degelijk stellen: was Jesse Klaver ook fractievoorzitter van GroenLinks geworden als zijn protesterende generatiegenoten op de UvA niet de term ‘rendementsdenken’ tot modewoord van 2015 hadden gemaakt? In elk geval verwees Klaver in zijn aanvaardingsspeech prominent naar de Maagdenhuis-bezetting als hoopvol teken van een kerend tij.

Zes weken zaten studenten en docenten van de Universiteit van Amsterdam in het Maagdenhuis (waar normaal het bestuur van de UvA zetelt) totdat politie en ME op 11 april met geweld een einde maakten aan de bezetting. Nog steeds gaan de universiteitsprotesten door. In onder meer Utrecht, Groningen en Rotterdam werden onlangs afdelingen opgericht van ReThink, het collectief waarin ontevreden wetenschappers zich hebben verenigd. In hun open brieven, ondertekend door honderden onderzoekers, zeggen ze zich ‘te herkennen in de roep om een einde te maken aan het doorgeschoten rendementsdenken’ (Rotterdam) en constateren ze dat er op de universiteiten een ‘eenzijdige nadruk ligt op rendement’ (Utrecht).

Of 2015 de geschiedenis in gaat als een kantelpunt in het universitair bestel moet blijken. Maar dat er een taalkundige erfenis wordt achterlaten, is vrijwel zeker. Illustratief is een opiniestuk van boze UvA-wetenschappers in Trouw (18 april), ‘Rendementsdenken beschadigt wetenschap en onderwijs’. In het artikel van zo’n negenhonderd woorden valt de term zeven keer. Rendementsdenken staat voor de auteurs gelijk aan ‘meten is weten’ en ‘inhoud die ondergeschikt is aan peilbare resultaten’. Rendementsdenken, dat gebeurt in de hoofden van de professionele managers waar de universiteit volgens de auteurs van vergeven is, met als gevolg een ‘kafkaëske toename van opgelegde richtlijnen, procedures, zelfevaluaties en andere tijdverslindende hervormingen die allemaal gericht zijn op standaardisering en centrale regulering’.

De vraag of de klachten over de Nederlandse universiteiten hout snijden even daargelaten, is het de moeite waard om stil te staan bij dat verfoeide ‘rendementsdenken’. Voor een tegenbeweging is het een ideale tegenstander. Het begrip is ruim genoeg om er van alles onder te hangen. Bankiers die de aandeelhouder belangrijker vinden dan de klant, zorgmanagers die de minuten tellen die een verpleger nodig heeft voor het aantrekken van steunkousen en universiteitsbestuurders die kleine talen als ‘onrendabel’ bestempelen: allemaal kunnen ze worden afgeschilderd als rendementsdenkers. Het is een ideaal frame om je tegenstander klem te zetten. Niemand wil een kille rendementsdenker zijn.

Op die manier functioneert ‘rendementsdenken’ als een sjibbolet voor deze tijd. Wie zich tot tegenstander van het rendementsdenken verklaart, behoort tot de incrowd, tot de groep die verandering wil. Wie niet openlijk afstand neemt of, erger nog, wie het rendementsdenken omarmt, behoort tot het rivaliserende kamp. In NRC Handelsblad opende acteur en dichter Ramsey Nasr vorige week een artikel met de mededeling dat hij al sinds zijn middelbareschooltijd ‘allergisch’ is voor het woord rendementsdenken. Je weet meteen wat komen gaat. Inderdaad, een warm pleidooi voor die dingen waarvan het nut zich niet in cijfers laat vangen: Latijn en Grieks op het gymnasium, Sanskriet en zuivere wiskunde op de universiteit, toneel, kunst. Al die dingen komen in het gedrang in een samenleving die wordt beheerst door rendementsdenken, dat volgens Nasr onze verbeelding doodslaat.

Mopperen over rendementsdenken is van alle tijden. Wie zoekt in de krantenarchieven stuit op bijvoorbeeld een artikel uit 1954 in de Leeuwarder Courant over het zorgelijke toekomstperspectief van ‘de Christelijke boer’, wiens nering dreigt te worden vermalen door Haags landbouwbeleid dat, jawel, in het teken staat van ‘eenzijdig rendementsdenken’. Het gaat hier om rendement in zijn meest fysieke vorm: zo veel mogelijk opbrengst uit de landbouwgrond persen. In de jaren zestig en zeventig lijkt de term onder de radar te verdwijnen, om eind jaren tachtig weer op te duiken, bijvoorbeeld in de linkse krant Het Vrije Volk, dat al in een vroeg stadium de desperate housewives signaleert. ‘Echtgenotes doodongelukkig en overspelig’, kopte het dagblad. Aan het woord komt Bram Buunk, psycholoog van de (toen nog) katholieke Universiteit Nijmegen die meent dat ‘de vrouw altijd meer waarde aan de relatie zal blijven hechten dan de man’. En daarom ‘zal ze zich eerder afvragen of het wel de moeite waard is om zoveel energie in een relatie te stoppen. Een soort rendementsdenken, dus.’

Ook De Telegraaf meende dat de Maagdenhuis-bezetters een punt hadden met kun klacht over rendementsdenken

Goed op dreef komt het debat over rendementsdenken pas in de jaren negentig. In 1993 wijst studentenvakbond lsvb de vinger richting het rendementsdenken in een debat over het inkorten van de studieduur. Een paar jaar later interviewt Geert Mak in NRC Handelsblad Rabobank-directeur Wim van Dinten, die zich beklaagt over de ‘desastreuze gevolgen van het hedendaagse rendementsdenken’. Het is een doorsnee artikel van een journalist in gesprek met de top van het bedrijfsleven (al zal een krant tegenwoordig niet snel meer 3417 woorden voor een interview inruimen). Wel opvallend zijn de woorden van de bankier, die volledig bij deze tijd passen. ‘Veel grote bedrijven en overheidsorganisaties worden zo ingericht dat mensen de mogelijkheid wordt ontnomen om de zaken zo in te richten als ze zelf willen’, constateert Van Dinten. ‘De wereld van de technocraat is niet de werkelijkheid.’ Het zou zo op een spandoek in het Maagdenhuis kunnen.

Dit soort historisch gespit stemt aan de ene kant somber: we zijn twee decennia verder en we voeren hetzelfde debat, over dezelfde onderwerpen, op dezelfde toon. Toch lijkt er wel degelijk iets te schuiven. Van de honderden treffers die ‘rendementsdenken’ oplevert bij een zoekopdracht in de archieven komt het overgrote deel uit artikelen van de afgelopen paar jaar. Als de mond inderdaad overloopt van waar het hart vol van is, dan is onvrede over rendementsdenken hét probleem van dit moment.

Niet voor niets sluit het Haagse politieke debat in toenemende mate aan bij de rendementsdiscussie. Onlangs lieten de onderwijswoordvoerders van SP en d66 in televisieprogramma Buitenhof openlijk hun afkeer blijken van het rendementsdenken. Minister van Onderwijs Jet Bussemaker zei in antwoord op de Maagdenhuis-bezetting dat ze rendementsdenken juist afwijst. Maar vooral Jesse Klaver heeft zijn oor goed te luisteren gelegd. Hij schreef een opiniestuk waarin hij de UvA-demonstranten ‘groot gelijk’ gaf in hun roep om meer medezeggenschap, minder rendementsdenken, ruimte voor specialistische studies en meer zicht op een vaste baan voor onderzoekers. Hij organiseerde een Kamerzitting over rendementsdenken in het onderwijs. Jesse Klaver, 29, is de anti-rendementspoliticus van dit moment.

In dezelfde week dat Jesse Klaver de jongste partijleider uit de Nederlandse politieke geschiedenis werd, besteedde zorgbestuurder Wouter Bos zijn column in de Volkskrant aan de malaise van de sociaal-democratie. Nu is deze teloorgang een grijsgedraaide plaat, maar Bos wist nog een toontje somberder te zingen. Op links zit er volgens de pvda’er geen enkele electorale ruimte. Schuldig daaraan zijn een ‘behoudende middenklasse’, ‘de toenemende diversiteit’ en ‘fragmentatie van de samenleving’. ‘Middenklasse en lagere klasse, werkenden en werklozen, kosmopolieten en nationalisten, moderniseringswinnaars en moderniseringsverliezers’, een linkse volkspartij kan ze niet meer onder één noemer samenbrengen, aldus Bos.

Wat Bos is feite zegt is dat er geen politiek verhaal bestaat waar de mensen die destijds op hém stemden zich nog achter kunnen scharen. Maar het kan zomaar zijn dat hij wat over het hoofd ziet. De afkeer van het denken in termen van rendement is juist iets wat klasse, werk en levensinstelling overstijgt. Ook De Telegraaf meende dat de Maagdenhuis-bezetters een punt hadden met kun klacht over rendementsdenken.

De botsing op de Universiteit van Amsterdam is een model voor de grote ideologische strijd van deze tijd. Na grofweg anderhalve eeuw getouwtrek of nu de staat of de markt de beste manier is om een samenleving te organiseren, wordt het nu tijd voor een nieuwe indeling. Die zoektocht kan prima beginnen bij een breed gedragen afkeer van het rendementsdenken.

Daarmee wordt ook direct het probleem zichtbaar. De protesten tegen rendementsdenken zijn verfrissend, maar uiteindelijk gaat het vooral om een afwijzing. Universiteiten, bedrijven, ziekenhuizen, ze moeten vooral een hoop niet doen. Niet belust zijn op winst, niet denken in termen van kwantificeerbare resultaten, niet streven naar zo veel mogelijk efficiëntie. Het concrete alternatief dat daar tegenover staat is vooralsnog weinig gearticuleerd.

Aanknopingspunten zijn er echter genoeg. Een van de beste voorbeelden van anders denken over universiteiten is alweer een paar jaar oud, maar nog steeds veelzeggend. In 2011 schreef Martha Nussbaum Niet voor de winst, een pleidooi voor de geesteswetenschappen als onmisbaar ingrediënt voor een leefbare democratie. In dat boek haalt ze de Indiase dichter, schrijver en onderwijshervormer Rabindranath Tagore aan. In 1917 schreef Tagore dat de geschiedenis was aanbeland in een fase waarin ‘de morele mens steeds meer plaats maakt voor de commerciële mens, de mens met beperkte doelen’. Het gevolg is een ‘scheve morele balans, waarbij de menselijke kant wordt verdrukt in zielloze organisaties’. Tagore als anti-rendementsdenker avant la lettre.

Waar Tagore en Nussbaum op wijzen is de noodzaak van onderwijs en onderzoek in kleinschalig verband, met intensieve dialoog en open wederzijdse bevraging, om zo blik van de mens met beperkte doelen te verruimen. Wat zij in feite doen is voorbij het rendement denken. Eerst vragen waartoe een universiteit op aarde is, wat mensen waardevol vinden, wat ze nodig hebben. Hoe dat moet worden georganiseerd en bekostigd is de vraag die pas daarna komt. De vraag ‘wat levert het op?’ wordt daarmee vanzelf overbodig. Niet voor de winst gaat over universiteiten, maar de onderliggende vraag is een universele. Waartoe dient de zorg? Wat hebben patiënten en verzorgers nodig? Idem voor banken, scholen, bedrijven, de politiek. Met de revolte tegen rendement kan het gesprek daarover beginnen.