EX-POLITICI KIEZEN NIEUWE KOERS

De mens na de politicus

Als staatslieden de actieve politiek verlaten, gooien ze vaak het roer drastisch om. De een gaat graaien uit de ruif, de ander openbaart zich als weldoener of vredesduif.

EEN JAAR NADAT hij vrijwillig was afgetreden als prime minister en als leider van de Labour Party heeft Tony Blair zijn nieuwe missie bekendgemaakt. Met gedragen stem en de vingertoppen gespreid tegen elkaar kondigde hij de oprichting aan van de Tony Blair Faith Foundation. Voor zijn ‘new charity’ zet de Britse socialist al zijn kaarten op religie. ‘Geloof als kracht van samenwerking en als motor van econo-mische vooruitgang en conflictbeheersing’, zei Blair, older and wiser,
tegenover de verzamelde pers, donoren, religieuze leiders en vertegenwoordigers van de Verenigde Naties. Zijn ‘positieve actie’ richt zich onder meer op het bestrijden van malaria, het stimuleren van een mondiale interreligieuze dialoog en het
steunen van leiders die extremisme bestrijden. Ook gaat hij aan Yale University colleges globalisering en religie geven.
Blairs christelijke levensovertuiging komt niet uit de lucht vallen. In zijn studententijd in Oxford ontwaakte zijn anglicaanse geloof en
onlangs bekeerde hij zich tot het katholicisme. Maar gedurende zijn politieke carrière en als leider van een seculiere staat zweeg hij er wijselijk over. Pas sinds hij Downing Street heeft verlaten, durft hij te bekennen dat zijn ‘diepe geloof in God’ leidraad is geweest tijdens zijn turbulente premierschap en dat religie voor hem een politiek overstijgend diplomatiek wapen is om vrede te bewerkstelligen.
Openbaart zich hier een andere Blair? Doet hij boete voor zijn gezwalk over de leugens rond het militai-re ingrijpen in Irak? Blair is in ieder geval niet de enige staatsman die na het vertrek uit de actieve poli-tiek het roer drastisch omgooit. Als de tijd aanbreekt om na de professionele tropenjaren te oogsten, blijkt alles mogelijk. Staatslieden zijn dan bevrijd van hun verantwoordelijkheden. Ze hoeven niet meer continu tactisch te manoeuvreren om draagvlak te creëren of blunders te voorkomen waarop ze kunnen worden afgerekend. En de pers hijgt niet meer bij iedere stap in hun nek. In de luwte van hun oude macht kiezen veel ex-politici voor een verrassende nieuwe koers.
Wim Kok (PVDA) bijvoorbeeld is weliswaar
bestuurslid van het ICMP, een internationale commissie die zich inzet voor vermiste personen in voor-malig Joegoslavië, maar hij grossiert sinds hij zich in 2002 terugtrok uit de Haagse politiek vooral in commissariaten in het bedrijfsleven, zoals bij Shell, Stork en KLM. In die hoedanigheid is hij medever-antwoordelijk voor de buitenissige ‘marktconforme’ salarissen en bonussen in de bedrijfstop. Zijn goed-keuring staat haaks op de wijze waarop hij als premier bestuurders van grote bedrijven afserveerde als ‘ordinaire zakkenvullers’ en hun salarissen als ‘exhibitionistische zelfverrijking’. Los van het morele ge-halte leveren deze functies hem een vette extra op de bankrekening op (per jaar ruim 235.000 euro).

Bij Koks oud-collega Ruud Lubbers (CDA) is het precies omgekeerd. Bedreef hij in zijn politieke hoogtij-dagen nuchtere realpolitik, sinds enkele jaren voert hij vooral een sociale humanitaire agenda. Lubbers kun je zomaar tegenkomen in een collegezaal als bevlogen spreker over migrantenvraagstukken en de verantwoordelijkheid van de westerse wereld vluchtelingen op te nemen. Bij gelegenheid pleit hij voor een ruimhartig asielbeleid. Als voorzitter van diverse stichtingen zet hij zich in voor de wetenschap, energieonderzoek, het klimaat en vluchtelingen. Eerder stortte hij als Hoge Commissaris voor de Vluch-telingen van de UNHCR zijn eigen inkomen in de kas van de VN-organisatie. Want, zei hij: ‘Vergeleken met de mensen voor wie onze organisatie zich inzet, ben ik al bevoorrecht genoeg.’ Hoewel zijn vertrek omstreden is vanwege een interne klacht over seksuele intimidatie, staan Lubbers’ verdiensten buiten kijf. Onder zijn leiding, tussen 2000 en 2004, stabiliseerde de financiële toestand van de UNHCR zich en werden de financiële middelen voor de opvang van 21 miljoen vluchtelingen en ontheemden aanzienlijk verruimd.
Als een gepensioneerde staatsman zijn ware gezicht laat zien, kun je je afvragen of er een verband be-staat tussen socialisme en graaien (zie ook Eveline Herfkens of Marcel van Dam) en tussen geloof en altruïsme. Zijn linkse politici zelf het omgekeerde van wat ze ideologisch prediken en denken ze na hun jarenlange inzet om de massa te verheffen: mag ik ook eens? Gerard Schröder (SPD) lijkt dit te bevesti-gen. Tijdens zijn kanselierschap regelde hij met de Russische president Poetin een aardgasdeal en een gaspijplijn door de Oostzee. Dat zijn Gazprom-diplomatie lucratief was, blijkt nu hij president-commissaris van het Duits-Russische megaproject is geworden.
Maar natuurlijk is zo’n ideologie-gerelateerd schema veel te cru. Moreel handelen heeft eerder te maken met individuele drijfveren. Oud-minister Jan Pronk (PVDA) toont zich consequent in zijn tomeloze inzet voor de deerniswekkenden der aarde. Hij is een politicus die ook tijdens zijn ministeriële werk geen blad voor de mond nam over sociaal onrecht en valse politieke agenda’s.
Over de manier waarop een (post)politieke loopbaan van een staatsman meer algemeen verloopt mag Frits Bolkestein (VVD) graag een wijsheid van Aristoteles citeren. Het leven van een mens valt uiteen in drie fasen: de opvoeding, het praktische leven en het beschouwelijke leven. Het publieke leven van de staatsman valt grotendeels samen met de middelste levensfase. De reflectieve fase – die doorgaans aanbreekt na de actieve politieke carrière – is vaak zo rijk dat er gesproken kan worden over een twee-de carrière. Daarin weerspiegelt zich, eenmaal losgezongen van praktische bezwaren, de beschouwing van de (politieke) moraal en het eigen handelen.
Een tweede carrière als weldoener is in Amerika zelfs heel normaal. Voormalige presidenten stellen zich expliciet ten doel als filantroop de geschiedenis in te gaan. Toen de Amerikaanse journalist Mark K. Up-degrove aan oud-president Ford vroeg hoe hij herinnerd wilde worden, antwoordde hij onomwonden: ‘That’s easy. As a healer and a builder’. Democraat Bill Clinton lijkt met zijn William J. Clinton Foundati-on dezelfde ambitie na te streven.
Dries van Agt (CDA) is hiervan ook een uitgesproken voorbeeld. Zijn lijst van huidige
bezigheden telt vele commissariaten, voorzitterschappen en gasthoogleraarschappen, maar de meeste energie besteedt Van Agt aan de zaak van de Palestijnen in de bezette gebieden. Zijn pas
verschenen biografie Tour de Force meldt het bijna terloops: ‘Eind jaren negentig begon Van Agt zich het lot van de Palestijnen aan te trekken.’ Zijn website is inmiddels geheel gewijd aan het Israëlisch-Palestijns conflict. Hij uit in vele toonaarden zijn verontwaardiging over het gebrek aan politieke wil om de mensenrechtenproblemen in dit conflict in ogenschouw te nemen.
De passie waarmee Van Agt zich inzet voor de Palestijnen is opmerkelijk. In 1976 noemde hij Israël ‘een broeder in benauwenis’ en toen Israël in 1982 Libanon binnenviel, veroordeelde hij de inval weliswaar, maar oefende hij geen druk op Israël uit. Thans noemt Van Agt zijn inzet voor de Palestijnen zijn ‘laatste missie’. Had Van Agt tijdens zijn premierschap in het seculiere Nederland vooral het imago van een zal-vende paapse conservatief, nu schaart hij zich voor zijn politieke missie tussen internationale socialis-ten.
Van Agts roeping is te vergelijken met die van Jimmy Carter, die zich na het einde van zijn president-schap intensief ging bemoeien met het Israëlisch-Palestijns conflict. Vorige week doorbrak Carter een taboe. Hij onthulde de exacte omvang van het Israëlische nucleaire arsenaal. Israël heeft nooit officieel erkend over nucleaire wapens te beschikken en Amerika heeft Israëls houding altijd onderschreven.
Carter heeft de onorthodoxe keuze gemaakt af te wijken van het officiële Amerikaanse
beleid om Israël onvoorwaardelijk te steunen. Als een van de weinigen kiest hij er ook voor om in
gesprek te gaan met Hamas in plaats van de organisatie als een groep terroristen buiten het politieke discours te plaatsen.
In 2006 publiceerde Carter zijn boek Palestine Peace, Not Apartheid, waarin hij een analogie maakte tussen apartheid en Israëlisch beleid. Het leverde hem een berg verwijten op. Hij zou een gevaarlijke antisemiet zijn, die onnodig provoceerde. Carters kritiek op Israël heeft hem politiek min of meer buiten-spel gezet.
Tony Blair riskeert hetzelfde, want hij treedt in de voetsporen van Carter en Van Agt. Hij kondigde aan zich te laten benoemen tot speciale gezant van een diplomatiek kwartet (VS, EU, Rusland en Groot-Brittannië) dat een bijdrage moet leveren aan het vredesproces in het Midden-Oosten. In zijn portefeuille zit de Palestijnse economische en politieke hervorming. Eenmaal met pensioen laat ook Blair zich onge-kend kritisch uit over de Israëlische blokkades, grensafzettingen en bezetting van Palestijnse gebieden.
Het is opvallend dat Carter, Van Agt en Blair hun leven na de macht willen wijden aan het conflict in het Midden-Oosten en zich daarin vooral richten op de verdrukking van de Palestijnen. Daarmee blijkt deze zaak een geliefde gewetenskwestie. De overeenkomst tussen de mannen is hun christelijke geloof. Ook Carter maakt geen geheim van zijn overtuiging. Hij schreef boeken waarin hij zijn 52 favoriete bijbelpas-sages
bespreekt en geeft les op een zondagsschool.
Zoals Van Agts biografen te kennen geven, is hij ‘doordesemd van het katholieke geloof, van binnen en van buiten; hij getuigt daarvan
regelmatig en ontleent daaraan kennis en kracht’.
Zelf verwijst Van Agt als verklaring voor zijn
gedragingen naar het woord van de apostel
Paulus: ‘Onderzoek alles en behoud het goede’.
Saul vervolgde Jezus en diens volgelingen, maar zag het licht, en werd daarna als Paulus de meest toegewijde apostel van het christendom. Dit motief tekent zich ook af bij het missiewerk van de andere oud-staatslieden. Er zit duidelijk een element van compensatie – of boetedoening – in de toewijding waarmee Blair, Van Agt en Carter zich nu inzetten voor de Palestijnen. Met hun koerswijziging keren zij zich af van de
politieke leiders die nu in hun land volop aan de touwtjes trekken. Dat het pluche van de macht niet sa-mengaat met een zuiver persoonlijk
geweten moge andermaal duidelijk zijn.
Wie zich als ex-politicus zal ontpoppen als een Paulus blijft echter onvoorspelbaar. Blair heeft dit als geen ander laten zien. In zijn rode inborst klopte daar opeens zijn christelijke hart.