De mens voorbij?

De mens voorbij is een ambitieuze studie naar theorie en praktijk van de perfectioneerbare, of transhumane, mens. Sinds de Verlichting geloven we in een heerlijke nieuwe wereld.

GIE VAN DEN BERGHE
DE MENS VOORBIJ: VERLICHTE GESCHIEDENIS, 1650-2050
Meulenhoff/Manteau, 380 blz., € 29,95

Heerlijke nieuwe wereld, zoals de Nederlandse titel van Brave New World (1931) luidt, geldt sinds driekwart eeuw als het schoolvoorbeeld van een dystopie, de negatieve, mensverachtende tegenhanger van de utopie. Concurrentie heeft Aldous Huxley’s roman hoogstens te duchten van Orwells 1984. Maar aangezien Heerlijke nieuwe wereld in 2540 speelt, of liever: in het jaar 632 na Ford (‘history is bunk’), verplichtte de auteur zich tot een veel vermeteler sprong in de duisternis dan zijn landgenoot, die niet meer dan 36 jaar vooruit hoefde te denken.
Dat is aan Heerlijke nieuwe wereld ook wel te zien, hoewel het grootste deel van de technologische nieuwigheden niet moeilijk voorspelbaar was. Iedereen flitst per helikopter of raket over de aardbol, er is volop televisie en airconditioning, er zijn ‘reukcirculatiestelsels’ en ‘draagbare synthetische muziekdozen’, allemaal niet zo verbijsterend innovatief. Wat de lezer vooral te denken moest geven was de vergaande, om niet te zeggen totalitaire eugenetische bevolkingspolitiek in Huxley’s fictieve Wereldstaat.
Het ultieme doel van alle inspanningen: mensen moeten van hun onafwendbare lot gaan houden. Heerlijke nieuwe wereld is, als elk boek in dit genre, een extrapolatie van bestaande ontwikkelingen. Huxley fantaseert door op technologische ontwikkelingen en reageert op politieke en morele discussies die al diverse decennia volop gevoerd werden. Daaraan heeft hij, eenmaal vóór en eenmaal na de roman, ook met een tweetal essays een bijdrage geleverd. Die essays zijn nogal verrassend: ze roepen ernstige twijfels op aan de dystopische intenties die aan de roman ten grondslag zouden liggen.

In Proper Studies (1927) toont Huxley zich ongerust over de neergang van de beschaving. Aangezien de lagere klassen zich veel sneller voortplanten dan de hogere is degeneratie onvermijdelijk, de ‘superieure mensen’ zullen straks worden weggevaagd door de ‘ondermensen’. Daarbij dacht hij speciaal aan kleurlingen: ‘De blanke rassen zullen aan de gekleurde overgeleverd zijn en superieure blanken aan inferieure.’ Maar de auteur is ervan overtuigd dat eugenetici het niet zo ver zullen laten komen. Hij oppert de mogelijkheid baby’s in flessen te kweken, zoals hij vijf jaar later in de roman zou uitwerken.
Niet erg te spreken is Huxley over het idee van Leonard Darwin (zoon van Charles) om de voortplanting van sociaal succesrijke mensen aan te moedigen en die van minder succesrijken te ontmoedigen, zij het niet uit ethische maar uit pragmatische overwegingen: per slot van rekening zullen we ook in de ideale samenleving dom, slaafs maar tevreden volk nodig hebben dat het vuile werk opknapt. Dat zijn de ypsilons uit de roman.
In What Is Happening to Our Population? (1934) spreekt de auteur over eugenetische sterilisatie van mentaal ‘ongeschikten’ en verwijst daarbij instemmend naar de sterilisatiewetgeving van de nazi’s. Opmerkelijk is dat hij in een voorwoord van de eerste naoorlogse uitgave van Brave New World met geen woord rept over de misdadige nazistische praktijken op dit gebied. Nu maakt hij zich vooral zorgen over de atoombom. Over eugenetica alleen dit: ‘Een volwaardig systeem van eugenese, dat bedoeld is om het mensenproduct te standaardiseren en zo de taak van de leiders te vergemakkelijken’, is een project voor de lange termijn. Toch meent hij dat ‘Utopia veel dichter bij ons is dan iemand, zelfs vijftien jaar geleden nog, had kunnen denken’. Let wel: het is 1946.

Deze twijfels over de dystopische intenties van Heerlijke nieuwe wereld worden breed uitgemeten in De mens voorbij van de Vlaamse historicus Gie van den Berghe (1945). Huxley is een van de talloze auteurs die aan bod komen in deze ambitieuze, breed opgezette en uiterst interessante studie naar theorie en praktijk van de perfectioneerbare of, zoals het tegenwoordig heet, de transhumane mens. Hoewel het boek heel goed zelfstandig kan worden gelezen – de auteur schrijft helder en veronderstelt weinig voorkennis – is het tevens het sluitstuk van een langjarig, meerdelig project. Enige kennis daarvan is wenselijk met het oog op de onderzoeksopzet waarvoor Van den Berghe heeft gekozen.
Dat project begon in 1980 met een onderzoek naar ‘onderling gedrag van gevangenen in nazikampen’, gebaseerd op stapels studies en ooggetuigenverslagen. De conclusie: gedrag in extreme omstandigheden wordt extremer dan ooit bepaald door die omstandigheden. In 1987 volgde Met de dood voor ogen, opnieuw en uitgebreider over slachtoffergedrag in de kampen. Hoewel dat boek op kritiek stuitte – sommige lezers hadden er moeite mee dat Van den Berghe alle getuigenissen door elkaar bestudeerde, joden en niet-joden, politieke en criminele gevangenen, katholieken en communisten – kreeg het vooral bijval, ook van overlevenden.
Anders lag dat bij het volgende boek: De uitbuiting van de Holocaust (1990). Bestudering van ontkennersliteratuur bracht aan het licht dat het gangbare beeld niet klopte: behalve extreem-rechtse waren er ook linkse en zelfs joodse ontkenners. Uit joodse hoek regende het beschuldigingen van antisemitisme. Desondanks zette de auteur zijn onderzoek naar slachtoffers van de kampen voort. Er volgde een boek over ooggetuigenverslagen en een over ‘een Belgische kruimeldief’, die, ook na de oorlog, disproportioneel werd gestraft. Het hek was pas echt van de dam toen Van den Berghe Rekenkunde van het leed (1996) publiceerde, waarin hij betoogde dat de exclusieve aandacht voor het joodse leed ten koste ging van andere slachtoffers. Opnieuw werd hij van antisemitisme beschuldigd, zijn werk werd geboycot en hij verloor een baan aan het United States Holocaust Memorial and Museum in Washington.
Nadat een door Van den Berghe geïnitieerd plan om in een op te richten Vlaams Holocaustmuseum ook andere dan joodse slachtoffers te gedenken door de opdrachtgever, de Vlaamse minister-president, was getorpedeerd, besloot de auteur het boek te schrijven waarin de Endlösung der Judenfrage, zoals de systematische moord op de joden voor het eerst door Eichmann en later door de nazi’s officieel werd genoemd, in een bredere context wordt geplaatst. Daarmee wilde hij, in het spoor van onder anderen Zygmunt Bauman en natuurlijk Horkheimer en Adorno, bewijzen dat de holocaust niet als een absolute breuk in de beschavingsgeschiedenis kan worden gezien, maar als een ‘ontsporing van die civilisatie, de in een nachtmerrie verkeerde droom om de mensheid eens en voor altijd van alle ellende en kwalen te bevrijden’.

Dat is de voorgeschiedenis van De mens voorbij. Logisch dat dit boek begint bij de Verlichting. Vooral op grond van successen in de natuurwetenschappen en de techniek ontstond toen voor het eerst het bevrijdende vermoeden dat het menselijk leven niet onwrikbaar was vastgelegd in een goddelijk scheppingsplan, maar dat het door het gebruik van de rede in hoge mate en uiteindelijk zelfs geheel maakbaar was. Alle bekende auteurs komen in dit kader aan bod. En passant polemiseert Van den Berghe met Jonathan Israel, die hij, terecht, een al te rigide schematisme verwijt bij de beoordeling van het al of niet radicale karakter van deze denkers.
Het tweede deel van de studie is het omvangrijkst en met het oog op Van den Berghe’s intenties het belangwekkendst. De industriële revolutie bracht de droom van een betere wereld in de praktijk, maar leidde ook, zoals bekend, tot het ontstaan van een omvangrijke, verpauperde arbeidersklasse. Bij Thomas Malthus, die zich vanaf 1798 resoluut tegen de armenwetten en het utopische Verlichtingsoptimisme keerde, lezen we voor het eerst teksten die in de loop van de volgende twee eeuwen, tot op de dag van vandaag, in alle toonaarden herhaald zullen worden: hulp aan de armen is slecht, want in strijd met de wetten van de natuur. Hulp en ondersteuning nemen de prikkel weg om hun lot op eigen kracht te verbeteren. Het is beter iets te doen aan hun ongebreidelde voortplanting en aldus aan het bevolkingsoverschot. Onwettige kinderen verdienen geen hulp, ze zijn het gevolg van ‘het wangedrag van hun ouders’, zoals pauperisme in het algemeen als morele tekortkoming moet worden beschouwd. Zo gingen sociaal-darwinisme en eugenetica van meet af aan hand in hand.
Ook Darwin maakte zich in The Descent of Man zorgen over de degenererende effecten van de beschaving op de menselijke soort. Onze beste jongemannen sneuvelen in de oorlog en kunnen niet voor nageslacht zorgen, de afgekeurde zwakkelingen planten zich op grote schaal voort. Dus is het goed dat beschaafde naties zich ontdoen van criminelen, melancholici en gekken. Hun emigratie ‘naar onontgonnen landen, waar ze zich als bruikbare pioniers ontpoppen’, juicht hij toe. Darwin, concludeert Van den Berghe, ‘gaat dus impliciet uit van de erfelijkheid van criminaliteit en geestesziekte’. Maar hoewel hij het sociaal-darwinisme als logische consequentie van de evolutietheorie zag, wilde hij die ideeën uit humanistische overwegingen liever niet zien omgezet in de praktijk.

Van den Berghe behandelt de evolutie van deze denkbeelden bij een groot aantal auteurs, onder wie Gobineau, een van de grondleggers van de racistische degeneratietheorie, en Houston Chamberlain, auteur van het door Hitler enthousiast begroete Die Grundlagen des neunzehnten Jahrhunderts (1899). Daarin wordt de stelling verdedigd dat de suprematie van het Arische ras wordt bedreigd door het ‘mengras’ van de joden, een gevaar dat alleen bezworen kan worden door de Duitsers van de joden te bevrijden. Maar de bedreiging van de volksgezondheid kwam niet alleen van de joden. Eind negentiende eeuw waren er talloze auteurs, medici en politici die eugenetische ingrepen bepleitten bij fysiek en psychisch gehandicapten van allerlei soort.
Boeiend is Van den Berghe’s onderzoek naar het werk van Amerikaanse psychologen als Goddard en Terman, beiden voorstander van immigratiebeperking en dwangsterilisatie. Intelligentie was volgens Goddard een aangeboren, erfelijke eigenschap die iemand voorbestemt tot een bepaalde plaats in de maatschappij. Hij zag er vanaf 1912 persoonlijk op toe dat kandidaat-emigranten op Ellis Island streng gecontroleerd werden op mentale tekortkomingen. Metingen bij geselecteerden brachten vervolgens aan het licht dat de mentale leeftijd van een grote meerderheid van de joden, Hongaren, Italianen en Russen onder de twaalf jaar zou liggen.
Terman bedacht het begrip IQ. Zijn testpersonen waren allemaal in de Verenigde Staten geboren protestantse Amerikanen van Noord-Europese afkomst, aangezien de domheid van andere kinderen ‘raciaal lijkt te zijn of toch minstens inherent aan de familielijn waaruit ze voortkomen’. In The Measurement of Intelligence (1916) beweert Terman dat weliswaar niet alle criminelen zwakzinnig zijn, maar zwakzinnigen wel potentiële criminelen. En ‘dat elke zwakzinnige vrouw een potentiële prostituee is, zal wel door niemand betwist worden. (…) Moraal kan niet (…) tot ontwikkeling komen bij een infantiel blijvende intelligentie.’
Zo raakte eugenetica vooral in de VS ingeburgerd. Vanaf eind negentiende eeuw drongen criminologen en psychiaters aan op sterilisatiewetten. In 1915 waren die er in zestien staten, in 1930 was de sterilisatie van mentaal gehandicapten en criminelen in de helft van de Amerikaanse staten gelegaliseerd. Ook in Duitsland raakten artsen en politici er steeds meer van overtuigd dat afwijkende en minderwaardige individuen te zwaar op de gezonde gemeenschap drukten, men bepleitte de ‘genadedood’ voor ernstig zieke en geesteszieke mensen. Het begrip ‘Lebensunwertes Leben’, altijd toegeschreven aan de nazi’s, dateert volgens Van den Berghe van lang voor de oprichting van de NSDAP. In 1934 werd dwangsterilisatie mogelijk en vaak verplicht. Tot 1937 werden in nazi-Duitsland 225.000 mensen gesteriliseerd, alleen in 1939 ongeveer 300.000, vrijwel allemaal etnische Duitsers. Eind 1939 volgde een uitgebreid euthanasieprogramma, dat tot augustus 1941 70.000 slachtoffers maakte, waaronder ook joden. Na de oorlog was het business as usual, pas begin jaren zeventig werden theorie en praktijk van de eugenetica, ook in de VS, afgewezen.

In het actuele slotdeel betoogt Van den Berghe dat eugenetica nadien geruisloos is overgegaan in de genetica. Nog altijd streeft men naar zelfperfectionering van de mens, nu via de op het individu gerichte moleculaire biologie. Voorlopig, constateert hij, tieren de vooroordelen hier welig. De aanleg tot criminaliteit bijvoorbeeld zou genetisch bepaald zijn, maar in wezen staat de kennis hierover pas in de kinderschoenen. Bovendien neigt men als gevolg van de door de media aangezwengelde euforie over genetica tot systematische onderschatting van sociaal-economische factoren die tot agressie, criminaliteit en asociaal gedrag leiden.
Daarmee sluit dit boek aan op recente geluiden van Nederlandse onderzoekers als Frans Brom en Ira van Keulen (van het Rathenau Instituut in Den Haag), die ervoor waarschuwen criminaliteit uitsluitend als volksgezondheidsvraagstuk te behandelen, aangezien dan de weg geopend wordt naar een voorspellende en zelfs een preventieve criminologie. De gevaren daarvan zijn evident: tegen mensen met een vermeend verhoogd biologisch risico op crimineel gedrag zal men gemakkelijk preventief optreden. Inlichtingendiensten en terroristenbestrijders zijn dol op dit soort risicoprofielen, en zolang men de angst voor aanslagen onder de bevolking maar in leven houdt hebben ze ook maatschappelijk de wind mee.
Overigens wordt Buikhuisen noch Brandt Corstius in dit boek zelfs maar genoemd, wat wel iets zegt over de kloof die er ook in de intellectuele wereld nog altijd bestaat tussen Nederland en Vlaanderen. Van den Berghe, ten slotte, is genuanceerd in zijn conclusies. Hoewel hij een man van de Verlichting is, gelooft hij niet in welke heerlijke nieuwe wereld dan ook. Hij staat sceptisch tegenover de ongeremde biotechnologische perfectioneringsdrang, maar toont zich voorzichtig voorstander van een negatieve eugenetica, dus van het via genmanipulatie voorkomen van ernstige erfelijke ziektes en afwijkingen. Al met al is De mens voorbij, behalve een boeiende historische studie, een bijdrage op hoog niveau aan verschillende actuele discussies.