‘de mens wil niets dan liefde’ igor van krogten

Gesprek met de schrijver van Lust en onlust en hun lotgevallen. Syntax Publishers, 143 blz., f32,50
Igor van Krogten is als klinisch psycholoog verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.
‘MIJN VAK IS persoonlijkheidsleer. Daarin gaat het vooral om de vraag wat de mens beweegt: wat zijn drijfveren zijn, welke factoren hem aanzetten tot gedrag. Nu is al van oudsher bekend dat de mens een zogenaamd lustdier is. Hij wil zo veel mogelijk lust beleven, en aan de andere kant de onlust zo veel mogelijk beperken.

Wanneer we zoeken naar de bron van deze theorie, komen we uit bij de Griekse denkers. Aristoteles stelde al dat het streven naar lust en het vermijden van onlust de voornaamste motieven zijn voor het handelen van de mens. Ze bepalen onze gedragingen en leveren daarvoor de energie.
In Lust en onlust en hun lotgevallen heb ik de ideeen van Aristoteles over dit onderwerp als uitgangspunt genomen, en vervolgens gekeken wat daar in de loop der eeuwen door verschillende denkers over is gezegd. Daartoe heb ik filosofen, sociologen, schrijvers en psychologen geraadpleegd. Natuurlijk heb ik niet de pretentie gehad uitputtend te zijn, want lust en onlust is een thema dat de gemoederen altijd enorm heeft beroerd, en er is ontzettend veel over geschreven.
“Lust” moeten we zien als een meta-begrip: het is een gevoel van behagen dat eigen is aan alle gevoelens. Lust en zijn tegenhanger onlust, het gevoel van onbehagen, zijn de dimensies die men in ieder gevoel terugvindt. Wat onderwerp is van lust of onlust ligt niet vast, dat verschilt van mens tot mens. Want, zegt Aristoteles, mensen zijn in aanleg grosso modo gelijk, maar de opvoeding en de omstandigheden zijn dermate belangrijk dat enorme verschillen ontstaan. Dat maakt dat er zo'n scala aan mogelijkheden is om lusten en onlusten te botvieren dat eigenlijk alles onderwerp kan worden van lust of onlust. Er zijn maar weinig dingen die van nature lustvol zijn. Het meeste, zegt Aristoteles, wordt aangeleerd.
Volgens Aristoteles zijn de lichamelijke lusten het sterkst. Daaraan raak je het makkelijkst verslaafd. Hij verklaart dat door leerprocessen die in werking worden gezet, waardoor gewoontevorming dreigt. Als die gewoontepatronen heel sterk worden, gaan ze als het ware onze tweede natuur vormen. Van daaruit ontstaan dan vormen van onbeheersbaar gedrag, verslavingen.’
‘INTERESSANT is ook dat de middelen die de mens gebruikt om bepaalde doelstellingen te bereiken, op den duur zelf doelstellingen kunnen gaan vormen. Om brood te kopen heeft de mens geld nodig, maar uiteindelijk wordt niet het brood maar het hebben van geld een doel op zich. Als de mens niet oppast, zegt Aristoteles, wordt hij een slachtoffer van al deze drijfveren, van al deze gewoonten. En een mens is nu eenmaal een kortzichtig wezen dat zich makkelijk laat beheersen door zijn driftleven.
Mijn speurtocht naar toevoegingen aan of weerleggingen van Aristoteles’ ideeen over lust en onlust voerde me langs diverse denkscholen als de hedonisten, de epicuristen, de kynici, de Romeinen, de kerkvaders, de renaissancisten. Maar de enigen die werkelijk iets toevoegden aan Aristoteles waren, zo bleek mij, markies de Sade en Ritter von Sacher-Masoch.
De Sade omdat die er als enige op heeft gewezen dat het lustopwekkend kan zijn anderen te laten lijden. Het zowel lichamelijk als geestelijk pijnigen van anderen ging bij hem natuurlijk gepaard met allerlei seksuele uitspattingen. Daarbij moet aangetekend worden dat hij een zeer uitgewerkte filosofie had, die erop neerkwam dat de mens een natuurwezen is en zich ook hele maal overeenkomstig de natuurwetten dient te gedragen. Doet hij dat niet, dan krijgt hij de rekening gepresenteerd in de vorm van een ongelukkig leven. De Sade meende dat in de natuur twee wetten heersten, de agressie en de seksualiteit. Wat dat betreft was hij Freud honderd jaar voor. Sacher-Masoch, aan de andere kant, ervoer het ondergaan van geestelijke en lichamelijke pijn als genot.
Enfin, zo ben ik doorgegaan tot deze tijd, waarbij Schopenhauer, Nietzsche en Freud ook geen werkelijk nieuwe inzichten tentoonspreidden - Freud niet, omdat De Sade hem voor was. De Frankfurters, Sloterdijk en Finkielkraut ten slotte hebben het eigenlijk allemaal over hoe de moderne mens gekoeioneerd wordt door een oppermachtig bedrijfsleven. De mens is in de huidige tijd niets meer dan een marionet, een passieve consument die zich helemaal heeft overgegeven aan het vermaak. Hij heeft geen verwachtingen, geen idealen meer in wier dienst hij zijn leven stelt. De essentiele leegte die daardoor ontstaan is, probeert hij op te vullen door zich te bedwelmen met oppervlakkig amusement.
Uit Amerika komen tot slot een paar denkers, onder wie Lasch en Postman, die in zekere zin hetzelfde zeggen als de Frankfurters, Sloterdijk en Finkielkraut. Postman heeft daarover een bestseller geschreven, Amusing Ourselves to Death. En daarmee wordt datgene bewaarheid wat Aristoteles aanvankelijk zei: dat de mens vermaak snel aanleert, en dat vooral de lichamelijke lusten zo sterk kunnen worden dat ze een tweede natuur worden waarvan we niet meer loskomen. Zonder dat Postman Aristoteles met zoveel woorden aanhaalt, kunnen we zonder meer de hele cirkel sluiten.’
'ARISTOTELES’ ideeen over lust en onlust hebben dus de tand des tijds doorstaan. Dat verbaasde me niet, want voor mij is Aristoteles het genie der genieen. Zijn werken vormen, zeker voor de psychologie, een zeer rijke bron. Van zijn wetenschapsopvatting zou de moderne psychologie veel kunnen leren. Wat ik met dit boek heb willen aantonen, is dat de psychologie er goed aan zou doen veel meer te rade te gaan bij andere wetenschappen, in dit geval de filosofie. Met mijn vorige boek, De proustiaanse liefde, heb ik het belang van de kunsten voor de psychologie willen laten zien; daarin heb ik een liefdestheorie ontwikkeld aan de hand van Marcel Prousts A la recherche du temps perdu.
Ik ben het geheel eens met Aristoteles, die zich bij zijn theorievorming evenzeer laat inspireren door harde feiten als door de opvattingen van dichters, van kunstenaars. Zoals hij ook bijvoorbeeld volkswijsheden serieus neemt, en de opinies van oudere mensen, met al hun levenservaring. De leefwereld, de gevoelswereld moet eigenlijk het uitgangspunt vormen voor de sociale studies. En dat is in deze eeuw helaas absoluut niet het geval.
De twintigste-eeuwse psychologie zit mijns inziens helemaal op het verkeerde spoor met haar theorieen als het behaviorisme en het cognitivisme, die het gevoelsleven excommuniceren, en haar strenge methodologie, afgekeken van de natuurwetenschappen, die totaal ongeschikt is voor de bestudering van de mens in al zijn facetten. Tegenwoordig gaat het alleen nog maar om meten, quantificeren, statistiek bedrijven, omdat de sociale wetenschappen hopen dat ze daarmee het maatschappelijke prestige van de natuurwetenschappen kunnen evenaren. Maar Aristoteles zei al dat gevoelens niet te meten zijn, dat zijn imponderabilia, onweegbare zaken.
Onze wetenschap is bovendien buitengewoon verburgerlijkt. De psychologie is een pedante, bangelijke wetenschap geworden. Onze medewerkers zijn ontzettend druk bezig met publiceren, want als ze niet publiceren worden ze ontslagen en dan kunnen ze de hypotheek niet meer betalen of de kinderen niet laten studeren. Burgerlijk! Ze zijn zo druk bezig met geld verdienen dat het ten koste gaat van de wetenschapsbeoefening, van Pallas Athene, de godin van de kunsten en de wetenschap. Die twee, kunsten en wetenschap, horen bij elkaar, die horen elkaar te inspireren. Laat ze eens ophouden met al dat gepubliceer en dat geonderzoek, laat ze eens gaan delven in de kennismijnen van het verleden. Boven de waarheden van de Grieken komt toch niemand meer uit.
Deze sociale wetenschappen vind ik platvloers, ze riskeren absoluut niets, ze zijn niet avontuurlijk. Denkt u dat we clienten die neurotisch zijn, kunnen helpen met de halfgare principes van het behaviorisme? Dat kunnen we niet! En dat weet men ook wel, maar dat wordt ontkend, met alle verdringingsmechanismen van Freud.
Voor het vinden van nieuwe inzichten, voor zelfkennis, is meer nodig dan statistisch onderzoek. Daar is vooral moed voor nodig, eerlijkheid, intelligentie en gevoelsbegaafdheid. Daarom hecht ik meer waarde aan de zienswijze van kunstenaars dan aan die van wetenschappers. Kunstenaars schuwen geen enkel middel in hun zoektocht naar waarheden. Ze hebben een vlijmscherp observatievermogen en een buitengewoon wreed introspectievermogen. Allemaal dingen die psychologen missen - met uitzondering van de allergrootsten. De meeste mensen staan niet stil bij zichzelf. Men vermaakt zich tot de dood erop volgt. Dus gaat men als een volstrekt onbekende ten aanzien van zichzelf en ten opzichte van anderen het graf in. Tenminste, dat is momenteel mijn opvatting. Ik ruil hem graag in voor een andere, hoor.’
'NEGATIEF? Als wetenschapper matig ik me geen moreel oordeel aan. Ik zie alleen wat er gebeurt, en dat zijn hilarische dingen. In de liefde bijvoorbeeld: de mens wil niets dan liefde, maar juist door die grote behoefte aan liefde verspeelt men de kans op liefde. We willen lust, en wat krijgen we uiteindelijk: onlust. Ik vind het, om met Holderlin te spreken, een verschrikkelijk en fascinerend mysterie. De liefde met al zijn ellende spreidt zo'n pracht en praal aan gevoelens tentoon… Boeiend, dat vind ik het menselijk wezen. Ik hou ervan, in alle opzichten, dus ik bewonder het en ik erger me eraan, tegelijkertijd. Je kunt de mens tot alles krijgen, tot alles. Hij kan een engel worden of een duivel.’