Een Aida zonder olifanten

De menselijke maat

Eindelijk een Aïda zonder hordes marcherende figuranten en stampende kuddes olifanten, dankzij dirigent Chailly en regisseur Grüber. Toch ontroert het niet.

Wat een verademing om weer eens een Aïda te zien die zich niet afspeelt in de betonnen woestijn van een congresgebouw of mega-sporthal, zoals de laatste jaren traditie dreigde te worden. Hoewel de opera oorspronkelijk natuurlijk wel degelijk bedoeld was als groots openluchtspektakel (de opening van het Suezkanaal), komt dit de essentie vaak niet ten goede. Net zoals in Aïda de liefde tussen twee mensen vermalen wordt door het geweld tussen twee landen in oorlog, zo wordt deze zelfde liefdesgeschiedenis in zulke ensceneringen vermorzeld door duizenden marcherende figuranten, stampende olifanten en slechte zichtlijnen. De Aïda van dirigent Riccardo Chailly en regisseur Klaus Michael Grüber is er een op menselijke maat. Maar waarom wil deze nieuwe productie dan toch niet ontroeren? Hoe komt het dat sleutelscènes die zelfs in de meest pompeuze producties dwars door de ziel snijden, hier rimpelloos passeren? Deels moet de oorzaak in de keuze van de zangers worden gezocht. Hoewel de cast als absolute top staat aangeschreven was het niveau bij de première, vorige week in het Amsterdams Muziektheater, wisselend. Neem Michèle Crider (Aïda), die in de zachte passages subtiel voor de dag komt, maar in de fortes wappert en buldert. Of haar rivale Violeta Urmana (Amneris) die in bepaalde registers schel als een cirkelzaag snerpt. Of de blikkerige bas van Andrea Silvestrelli. De tenor Richard Margison is uitgerust met een prachtige stem, maar zijn koddige postuur ondermijnt weer veel van zijn geloofwaardigheid als knappe held. De enige die werkelijk de verdiaanse dramatiek voelbaar weet te maken is Mark Rucker (Aïda’s vader). Zodra hij zijn mond opendoet zit je op het puntje van je stoel. Voor het echte raffinement moet je in de orkestbak zijn waar Riccardo Chailly met het Concertgebouworkest superieure prestaties levert. De betovering die hij in de eerste breekbare openingsmaten afroept, wordt eigenlijk niet meer verbroken. En alleen een orkest van dit kaliber weet zich vlekkeloos door lastige maten als de glibberige trompetpassages te slaan. Het ontbreken van dramatiek mag ook regisseur Klaus Michael Grüber aangerekend worden. Personenregie is nagenoeg afwezig. De zangers staan er niet alleen bij als stijve harken, maar ook nog eens pontificaal naar de zaal gewend. Van enige interactie is geen sprake en dat werkt een hoge mate van afstandelijkheid in de hand. De tragedie wil niet tot leven komen. Deze Aïda is dan ook voornamelijk een feest voor het oog. Grüber heeft een reeks beelden ontworpen die zo'n impact hebben dat de zaal af en toe spontaan wilde gaan klappen voor het decor. Het openingsbeeld zet feilloos de treurigheid van een oorlog neer. We zijn in een grijsgetint mortuarium waar de lijken op marmeren tafels liggen uitgestald. Het sluit prachtig aan op het slotbeeld, waarin Radamès en Aïda levend zijn opgesloten in een graftombe: tegen de achterwand hangen tientallen jassen. Ze getuigen van alle mannen die eerder hier het leven lieten. Tussen begin en eind passeren de meest exotische en kleurrijke toneelbeelden de revue. Zo zit Amneris parmantig opgekruld als een zeemeermin in een levensgrote schelp van paarlemoer. Het begin van de oorlog tussen Egypte en Ethiopië wordt inventief verbeeld door een behang van spinnen. Naarmate de angst voor de vijand toeneemt wordt steeds verder ingezoomd op de insecten, totdat een gigantische close-up van een zwart en harig exemplaar overblijft. Fobici zijn gewaarschuwd! Grüber heeft geen enkele poging gedaan een zekere stijlvastheid te betrachten. Het strak gestileerde mortuarium staat kalmpjes naast een exotisch-oosterse scène met kleurrijke gewaden en fladderende dansjes. Het contrast met de metershoge, in schreeuwende kleuren gevatte fruitmachines, die de overwinning van de oorlog symboliseren, kan nauwelijks groter zijn. Maar een uitbundig drama als Aida kan zo'n excessieve aankleding wel hebben. Meest geniaal vormgegeven is de nachtelijke scène waarin Aïda en Radamès elkaar buiten ontmoeten en onverwacht Aïda’s vader komt opdagen. Een stuk zilvergrijze zijde verbeeldt op mallotige wijze een riviertje. Een reusachtige kunstmaan vertelt dat het nacht is. Een nep-houtblok verwijst naar het ge ïmproviseerde kampement. Tussen al deze theaterrekwisieten zit daar, als een bloem op een vuilnisbelt, een echte kameel. Het beest peuzelt doodgemoedereerd van zijn stro alsof het niet anders gewend is dan tussen operasterren te bivakkeren. Het is een ontroerend gezicht. Maar helaas is de stoïcijnse houding van de kameel een metafoor voor de matheid van deze Aïda. Alle voorstellingen van Aïda zijn uitverkocht. In het Oosterpark wordt de voorstelling op 22 juni (19.30 uur) en 25 juni (13.30 uur) live op video geprojecteerd.