Het praktisch idealisme van Team 10

De menselijke maat

De architecten van Team 10 wilden de terug keer van de menselijke maat in de architec tuur. Het modernisme had zichzelf uitgehold, en Team 10 ging op zoek naar een uitvoerbare versie van Utopia.

In de jaren vijftig en zestig waren het de smaakmakers van de internationale ar chitectuurwereld: Team 10. Architecten als Jaap Bakema, Aldo van Eyck, Giancarlo de Carlo en het echtpaar Alison en Peter Smithson stonden voor de terugkeer van de menselijke maat in de architectuur. Ze constateerden dat het modernisme, ontdaan van de ideologische uitgangspunten van weleer, functionalistische blokkendozen teweeg had ge bracht die alleen nog maar het bedrijfsleven konden behagen. De architectuur van het mo dernisme had geleid tot een «machine society», een hiërarchische maatschappij van technocraten. Gezamenlijk, maar zonder manifest of programma, ging Team 10 op zoek naar een uitvoerbare versie van Utopia.

De humanistische uitgangspunten van Team 10 zijn de laatste jaren regelmatig opnieuw onder de aandacht gebracht als een soort praktisch idealisme. Hoewel er voldoende informatie beschikbaar was over de individuele leden ontbrak het echter aan een beeld van Team 10 als geheel. Max Risselada, docent aan de TU Delft en zelf ooit student van Bakema, deed daarom specifiek onderzoek naar de bijeenkomsten van de groep tussen 1953 en 1981. De uitkomsten hiervan zijn nu te zien in een prachtige overzichts tentoonstelling en publicatie.

De geschiedschrijving levert leuke anekdotes op. Zo blijkt Team 10 bijvoorbeeld officieel helemaal niet te hebben bestaan. Het fungeerde meer als een soort vriendenclub, een informeel netwerk van gelijkgezinden dat bij elkaar kwam tijdens uitstapjes, diners en tuinfeestjes. In het boek staan prachtige kiekjes van die bijeenkomsten, waarvan naast de ouderwets mo dieuze kleding (Aldo van Eyck in lange bontjas!) vooral de ongedwongen sfeer opvalt. Alison Smithson noemde de bijeenkomsten ook wel «family meetings».

Maar ondanks de familiaire sfeer werd er ook wel degelijk serieus nagedacht over architectuur. Op een voor die tijd kenmerkende, wat paternalistische manier had men het beste voor met de wereld. De architecten waren ervan overtuigd dat ze een betere en «open» samen leving konden creëren waarin elk individu tot «zelfverwerkelijking» kon komen. Groei en verandering was een belangrijk thema in de debatten, net als de verhouding tussen identiteit en collectiviteit. Tegelijk realiseerden ze zich dat je de wereld alleen kon verbeteren door ook daadwerkelijk te bouwen en niet alleen te theoretiseren. De creativiteit van de verschillende leden gezamenlijk moest leiden tot nieuwe ontwerpen voor reële onderwerpen als massabouw, de infrastructuur van de stad en de welvaartsstaat. Universele ideeën werden vervangen door een bijna antropologische benadering van architectuur «van stoel tot stad».

De omslag naar dit humanistisch modernisme was een geleidelijk proces. De leden van de groep waren aanvankelijk – en bleven waarschijnlijk ook – de kinderen van het modernisme. 1953 wordt algemeen aangehouden als het jaar waarin Team 10 ontkiemde. Het was het jaar waarin de latere leden van de groep aan wezig waren op het negende CIAM, het invloedrijke architectencongres onder leiding van oppermodernist Le Corbusier. Hoewel de jongelingen kritisch waren, maakten ze in die tijd bijna allemaal nog vrij keurige ontwerpen volgens het CIAM-grid. Dat grid was in feite een schematische analyse van de situatie waarin gebouwd moest worden, een samenvatting van de ontwerpopgave. De vrij strikte conventies van dit diagram (dat bijvoorbeeld altijd 21 bij 33 centimeter moest zijn en met een bepaalde kleurvolgorde werkte) werden voor het eerst losgelaten door Alison en Peter Smithson. Hun Urban Re-Identification Grid (1953) was meer een associatieve compilatie van foto’s van spelende kinderen dan een nauwkeurige uitwerking van de door het CIAM gedicteerde thema’s. De Smithsons provoceerden de CIAM-top door te stellen dat er niet gedacht moest worden over technische functies maar over de vitaliteit van de stad en het «speelse» leven op straat.

Ook Aldo van Eyck benadrukte het probleemoplossend vermogen van de spelende mens. Al sinds eind jaren veertig ontwierp hij speelplaatsen (meer dan zevenhonderd!) voor de Dienst Publieke Werken in Amsterdam. Het Lost Identity Grid uit 1956 was een samenvatting van zijn ideeën hierover. Onder invloed van Huizinga’s Homo ludens en zijn kunstenaarsvrienden van Cobra verplaatste Van Eyck zich in de leefwereld van kinderen. Naoorlogse architecten en stedenbouwkundigen zouden van hen kunnen leren hoe je met weinig middelen acute problemen kon aanpakken. Begrippen als «spontaniteit» en «verbeelding» werden onderdeel van de terminologie van de architect.

Ook niet-westerse culturen hadden Van Eycks interesse. Aan de hand van een wat romantisch beeld van de «nobele wilde» bestudeerde hij de Dogon in Mali en de Pueblos in Nieuw Mexico. Hij vond er simpele, elementaire vormen. Wat hem aansprak bij deze «primitieve» volken was dat de ene bezigheid niet boven de andere verheven was en de ene ruimte niet boven de andere gesteld werd. Er was geen centrum want geen periferie. Het leidde tot Van Eycks uitspraak dat «de stad een groot huis is en het huis een kleine stad» en tot het ontwerp van het Burgerweeshuis (1960) in Amsterdam, een huiselijk labyrint van geschakelde paviljoenen, binnenstraten en pleintjes zonder bepaalde hiërarchie.

De invloed van de jonge architecten groeide en leidde ertoe dat het CIAM in 1959 werd opgeheven. Vanaf dat moment begonnen de gelijkgestemden onder de naam «Team 10» met enige regelmaat bij elkaar te komen. Behalve de «inner circle» waren onder anderen Georges Candilis en Shadrach Woods, José Antonio Coderich en Herman Hertzberger hierbij regelmatig aanwezig. Team 10 ging zich wijden aan grootschalige stadsuitbreidingen om tegemoet te komen aan de vraag naar massale woningbouw die was ontstaan in de jaren vijftig. Met name Jaap Bakema streefde hierbij naar het begrijpelijk maken van het grote aantal. Wat Van Eyck had gedaan bij het Burgerweeshuis werd nu toegepast op hele woonwijken. Een wijk als Leeuwarden Noord (1963) was in feite een schaalvergroting van het huis naar de straat, naar de buurt en de stad. Als een soort Lego-stenen werden kleine eenheden naast en op elkaar geplaatst: massaliteit met een «menselijk gezicht» zoals Bakema het graag zag.

Gaandeweg ontwikkelde Team 10 zo ook een alternatief voor de traditionele opbouw van de stad. De Lijnbaan in Rotterdam bijvoorbeeld was als eerste autovrije winkelgebied in Europa bedoeld om voetgangers hun plek terug te geven in de stad en een plek te creëren voor ontmoetingen. De straat en dus de infrastructuur kreeg naast een functioneel doel ook een sociale betekenis. Candilis noemde de straat «de stam» van de stad, die «vrijheid en groei» mogelijk maakte. De praktische ambitie van Team 10 hield echter ook in dat nieuwe infrastructuur geïntegreerd moest worden in de bestaande context. De Smithsons wilden met «minimale interventies lucht en ruimte injecteren in oude steden». Maar in de praktijk betekende dat dat er veel oude gebouwen gesloopt moesten worden.

Het was Giancarlo de Carlo die de geschiedenis een volwaardige plek gaf in de moderne architectuur en stedenbouw. De Carlo deed eerst grondig onderzoek naar het karakter van een stad, naar de kwaliteit van monumenten en de zichtlijnen met het landschap voordat hij kwam met ingrepen. Het Masterplan voor Urbino (1964) is een indrukwekkend voorbeeld hiervan. Het doel was de oude stad zo te reorganiseren dat ze weer zou kunnen functioneren in een moderne context. De Carlo’s oplossing was een herorganisatie van verkeersstromen en de restauratie van de oude structuur van het centrum. De stad werd deels een voetgangersgebied. Een nieuwe ringweg zorgde voor de nodige ontsluiting. En op de plekken waar gesloopt werd zorgde De Carlo voor moderne architectuur die rekening hield met regionale stijlen en tradities.

Uiteindelijk zorgde zoiets stoms als de gastenlijst voor wrijvingen. Aldo van Eyck stelde zich op het standpunt dat ook historici en critici aan de discussies zouden moeten deelnemen. De Smithsons vreesden dat Team 10 hierdoor te veel zou gaan lijken op het zo verfoeide CIAM. De ruzie deed de teamgeest geen goed. De jongelingen van weleer waren bovendien niet meer zo jong en werden op hun beurt bekritiseerd door de nieuwe generatie, die hen zag als het establishment. De leden van Team 10 werden vanaf 1968 steeds meer in de hoek gezet als lakeien van het kapitalisme. Het praktisch idealisme was blijkbaar niet idealistisch genoeg meer. Ondanks de kritiek bleef Team 10 nog enkele jaren discussiëren over de welvaartsstaat en de consumptiemaatschappij, en de leden waren productiever dan ooit. Maar de jeu was eraf. Met het overlijden van Jaap Bakema in 1981 kwam er een definitief einde aan de samenkomsten en het gemeenschappelijke streven naar de menselijke maat in de architectuur.

De publicatie van Risselada c.s. leest als een boeiende geschiedenisles. Toch zijn de discussies van Team 10 nog steeds actueel. De vraag hoe om te gaan met grote stedelijke vernieuwingsprojecten (in China bijvoorbeeld), hoe de verzorgingsstaat nog vorm te geven (versus de vrije markt), hoe het cultureel erfgoed te revitaliseren (het industrieel erfgoed met name) – het zijn allemaal onderwerpen die onverminderd spelen. Maar gek genoeg is er – zoals «ex-architect» Carel Weeber onlangs in NRC Handelsblad constateerde – weinig discussie. Niemand heeft het meer over de rol van de architect in de samenleving of over de wensen en dromen van het publiek. De angst voor ideologieën en de nare nasmaak van het morele gelijk van de culturele elite uit de jaren zeventig maakt groepsdenken niet erg aantrekkelijk. Misschien kan de «Derde Weg»-aanpak van Team 10 de huidige generatie er toch toe inspireren bij elkaar te komen om oplossingen te bedenken voor de problemen van deze tijd.

Team 10: Een utopie van het heden

Nederlands Architectuurinstituut
www.nai.nl

tot en met 8 januari

www.nai.nl