Alain Finkielkraut over de complete mens

‘De menselijke vrijheid is fragiel’

Met Un coeur intelligent, een bundeling essays over klassiekers uit de westerse literatuur, is Alain Finkielkraut in Frankrijk weer helemaal terug van weggeweest. Nu niet als polemist, maar als schrijver die gelooft dat hij de wereld naar zijn hand kan zetten.

PARIJS - ‘Mijn favoriete dessert?’ Het altijd wat getergde gezicht van de filosoof ontspant. 'Magnifique! Ik was namelijk even bang dat ik een samenvatting van mijn boek zou moeten geven. Maar waar ik niet van af kan blijven zijn gebakjes, al laat de Franse patisserie me compleet onverschillig.’
Alain Finkielkraut kijkt er wat schuldig bij. Hij staat bekend als voorvechter van de Franse nationale identiteit. Nu staat hij op het punt te bekennen dat hij al zijn hele leven heimelijk verzot is op taartjes uit Centraal-Europa. 'Als ik in Oostenrijk of in Slovenië ben verlies ik alle gevoel voor maat. Ik herinner me een taartje dat ik at op de luchthaven van Ljubljana. De naam ben ik nu even vergeten, maar er was een laag van maanzaad, van appel en van kwark; het was de kwintessens van een dessert! Ik weet dat ik de notie van nationale identiteit verdedig, maar zien we niet juist dat we, hoezeer ook in de greep van de globalisering, altijd aan een identiteit gelieerd zijn, desnoods via de keuken?’
De avondschemering valt binnen in het appartement dat Finkielkraut bewoont in het deftige zesde arrondissement. Het is het uur dat de opzichters van de Jardin du Luxembourg op hun fluitjes beginnen te blazen ten teken dat het park gaat sluiten. In de woonkamer op de vijfde etage klinkt daar weinig van door. Voor een enorme boekenkast staat een felpaarse divan, een frivool detail in een verder klassiek interieur.
De vraag naar dat dessert drong zich op. Zeker bij iemand die met zoveel smaak de Italiaanse surrealist Alberto Savinio aanhaalt die schrijft dat het dessert ons doet vergeten wat er onontbeerlijk aan een maaltijd is. Als we niet eten gaan we dood. 'Het herenigt ons met wat er goddelijk is in ons leven’, vult Finkielkraut aan. 'Dankzij het dessert wordt voedsel aan het noodzakelijke onttrokken. We ontstijgen de natuur en zetten zo een stap richting de beschaving.’
Het citaat is afkomstig uit zijn essay over Het diner van Babette van Karin Blixen. Het is een sprookje over twee ooit beeldschone zusters in het Deense Berlevaag die de natuur met succes hebben weten uit te bannen en een leven leiden van strikte ascese. Maar ze hebben buiten hun dienstmeid Babette gerekend, een Française die ooit als kok werkte in een beroemde Parijse brasserie, maar die na de Commune van 1871 genoodzaakt was haar land te ontvluchten. Veertien jaar lang heeft ze zich gevoegd naar het monotone dieet van de oude vrijsters in Berlevaag. Tot de dag dat ze bericht krijgt dat ze in Frankrijk aanspraak kan maken op een grote som geld. De zusters zien hier de hand van God in, maar hopen stilletjes dat ze ten minste zal blijven tot na het jaarlijkse diner ter ere van hun geliefde vader.
Zonder iets prijs te geven van haar toekomstplannen vraagt Babette of ze bij hoge uitzondering zelf het menu mag vaststellen om direct toe te voegen dat ze alles zelf zal betalen. Van heinde er verre laat Babette vervolgens ingrediënten aanrukken en het diner is een eclatant succes: schildpadsoep, blini’s met kaviaar, gevulde kwartel, baba au rhum; de protestantse sekte van Berlevaag weet niet wat haar overkomt, sterker nog: het brengt nieuw leven in de uitgedroogde en verzuurde gemeenschap. 'De natuur keerde terug in de kring van mensen die haar uitgebannen had en gaf die zijn gratie terug’, schrijft Finkielkraut in een stevig opgeklopte stijl.

HET ESSAY OVER BLIXEN is onderdeel van Un coeur intelligent, de bundel waarmee Finkielkraut sinds een paar maanden in Frankrijk furore maakt. Hij stelde er zijn ideale bibliotheek in samen: naast het verhaal van Blixen bespreekt hij De grap (Kundera), Alles stroomt (Grossman), Geschiedenis van een Duitser (Haffner), De eerste man (Camus), De menselijke smet (Roth), Lord Jim (Conrad), Aantekeningen uit het ondergrondse (Dostojevski) en Washington Square (James).
Zo'n bundeling literaire essays is geen onderneming zonder risico, zeker voor iemand die negen klassiekers uit de westerse literatuur bespreekt. Aan de ene kant moet hij zorgen dat hij de mensen die het betreffende boek al kennen niet verveelt, terwijl hij tegelijk degenen die het niet gelezen hebben niet mag wegjagen. Met Un coeur intelligent slaagde Finkielkraut op beide fronten: de literaire kritiek was enthousiast en in menige Parijse boekhandel werden displays ingericht waar de besproken boeken liggen uitgestald.
Dat de critici zo opgetogen reageerden, was zeker ook omdat er in Un coeur intelligent een relatief onbekende Finkielkraut opdoemt. Voor het grote publiek geldt hij als de polemist die de maffiamores hekelt van het Franse voetbalteam na de afgang van Les Bleus op het WK of als de shockfilosoof met boude meningen over de oorzaken van de rellen in de banlieue. Maar hier is de schrijver aan het woord: subtiel, genuanceerd, ingetogen, mild en wijs.
Wellicht heeft het te maken met zijn gedwongen retraite uit de publieke arena. Anderhalf jaar geleden werd bij Finkielkraut de ziekte van Hodgkin geconstateerd. Zijn wekelijkse radioprogramma op France Culture werd opgeschort, net als zijn colleges op de École Polytechnique. Op televisie en in kranten bleef het stil. Hij vocht tegen de ziekte, terwijl hij in de beschutting van zijn studeerkamer doorwerkte. De lymfekanker overwon hij, maar helemaal ongeschonden kwam hij niet uit de strijd. Hij verloor het zicht aan zijn rechteroog. Zijn stormachtige temperament blijkt gelukkig intact.
De titel van zijn essaybundel verwijst naar de woorden waarmee de joodse koning Salomon zich richtte tot God en hem smeekte om een intelligent hart. 'Hij werd mij ingefluisterd door Hannah Arendt, die deze nogal raadselachtige formule in een van haar boeken becommentarieert. De notie van een affectieve scherpzinnigheid leek mij op een schitterende wijze verhelderend. Alleen: tot God kunnen we dat verzoek niet langer richten, want al kijkt God misschien nog steeds naar ons, hij zwijgt en heeft ons aan onszelf overgeleverd. Daarom leek het mij legitiem om het verzoek te richten aan literatuur.’
Waarom wordt duidelijk op de eerste pagina van het essay over Milan Kundera: 'De lach vernietigde in mij het triomfantelijke idee dat het leven een roman was - individueel én collectief - en dat het erom ging de intrige van de Graaf van Monte Cristo een universele geldigheid te geven.’
'Kundera’s boek’, vertelt Finkielkraut, 'verscheen in 1967, wij lazen het als jonge rebellen en in het licht van de Praagse opstand van 1968 beschouwden wij het personage Ludvik als onze held. Pas later begreep ik dat we voor het gemak vergaten dat Ludvik geen slachtoffer was van een denksysteem of van een staat, maar van revolutionaire hartstocht. Zijn rechters waren geen kille bureaucraten, maar jongeren van zijn eigen leeftijd, even gepassioneerd, kameraadschappelijk en geïnspireerd als wijzelf.’
Mensen verzinnen onophoudelijk verhalen, bij voorkeur verhalen waarvan zij zelf de held zijn. In die zin is de literatuur ons meest natuurlijke element. 'Grote literatuur bezit het vermogen om ons uit die verhalen te bevrijden, om ons levens buiten onze eigen gefantaseerde wereld voor te houden. Daarmee stelt zij ons op een paradoxale manier in staat van onszelf weg te breken én om daarnaar terug te keren, maar op zo'n manier dat wij niet langer door onze eigen verbeelding zijn uitvergroot. We brengen ons leven door met het verzinnen van verhalen, maar er zijn verhalen die ons wereldbeeld demystificeren en ons zo het zicht op de werkelijkheid teruggeven. Daarom zeg ik met Kundera: “Ik heb een roman nodig om te begrijpen dat het leven geen roman is.”’
Net als Edmond Dantès zint Ludvik Jahn op wraak, is hij uit op genoegdoening voor de jeugd die hem is ontnomen. Maar anders dan de held van Alexandre Dumas wordt Ludvik deze wraak onthouden. Bij wijze van revanche verleidt hij de vrouw van een van de studentenleiders die hem destijds van de universiteit stuurde. Maar wat blijkt? De heethoofd van weleer is nu een bij zijn studenten zeer geliefde professor. Hij heeft een mooie jonge minnares en zint op manieren om van zijn vrouw af te komen. Ludvik komt als door de hemel gezonden! Ook Helena, het object van Ludviks verleidingspoging, wordt door Kundera hardhandig op haar plaats gezet: 'De kloof tussen het liefdesverhaal waarvan zij zich de heldin waant en het lot dat zij moet ondergaan is van een treurniswekkende diepte.’
Een boek om je van je eigen dromerijen te ontdoen. Maar literatuur is voor Finkielkraut niet het nec plus ultra van manieren om naar de wereld te kijken, zij is complementair. 'Wetenschap en filosofie bieden daar uitstekende mogelijkheden toe’, benadrukt hij. 'Maar grote literatuur heeft de ambitie tot kennisverwerving óók. Ik probeer de roeping van de grote meesters van de roman te rehabiliteren. De literatuur is geen noodoverlaat van het gevoel, om een uitdrukking van Flaubert te gebruiken. Zij is hartenzweet (l'écume du coeur) noch verbale constructie zoals het structuralisme ons destijds heeft willen doen geloven. Ik studeerde in een tijd waarin men zei dat een tekst naar zichzelf verwijst of naar andere werken. Maar dat doet de literatuur geen recht, dus ik dacht: ik neem een aantal boeken en lees die zoals ik een filosofische tekst lees, dus om de wereld te begrijpen.’

BEGRIJPEN IS OOK wat Vasili Grossman wil. Ivan Grigorjevitsj, de hoofdpersoon in Alles stroomt, is niet uit op wraak, hoewel hij daar toch alle reden toe heeft. Hij is verraden en verbannen naar de Goelag. Na jaren van ballingschap is hij terug, zoekt een baantje als slotenmaker en installeert zich in een hoekje van een kamer die hij huurt van een weduwe wier man aan het front gestorven is. Aan wreken denkt hij niet. Op wie zou hij zich moeten wreken? Grossman wijst niet met de beschuldigende vinger. Hij getuigt, maar niet in de rechtbank. Hij onderbreekt zijn verhaal zelfs voor een meditatie à décharge van de aangevers, de een nog egoïstischer dan de ander. Zelfs voor de ergste Judas, de verrader die niet handelt uit angst maar uit geldelijk gewin, toont Grossman begrip. 'Als er een les opdoemt uit Grossmans fenomenologie van het verraad’, schrijft Finkielkraut, 'dan is dat niet dat de verraders schuldig of onschuldig zijn, maar dat bronnen van de tirannie onuitputtelijk zijn en dat de menselijke vrijheid fragiel is.’
Daarmee lijkt Un coeur intelligent een pleidooi voor humaniteit en bescheidenheid over het menselijke kunnen. Maar als dat zo is, dan was dat in ieder geval niet de opzet: 'In eerdere essays was ik steeds als een advocaat met een te verdedigen stelling. Dit boek is vrijer. De titels koos ik tamelijk willekeurig, al was ik steeds op mijn hoede voor de emotie die de lectuur kon oproepen.’
Een vooropgesteld thema was er dus niet, maar een thema dat vaak terugkeert is de afkeer van simplistisch manicheïsme. Het duidelijkst is dat voelbaar in het essay over De menselijke smet van Philip Roth, waarin Finkielkraut een parallel trekt tussen de modieuze progressieven die de hoofdpersoon Coleman Silk van de universiteit verbannen en de reactionaire puriteinen die een heksenjacht op president Clinton ontketenen na het bekend worden van diens verhouding met Monica Lewinsky. De vijanden van Silk en de vijanden van Clinton zijn tevens elkaars vijanden, maar wat hen verbindt is hun benepen politieke en sociale engagement.
'Wat is ein Mensch? Wellicht is dat de vraag die de essays met elkaar verbindt’, oppert Finkielkraut. 'Hoe kunnen we een compleet mens worden?’ Een begin van een antwoord vindt hij bij Albert Camus en wel bij een sleutelpassage uit De eerste man. Henri Cormery - in werkelijkheid Camus’ vader - is als Frans militair gelegerd in Marokko ten tijde van de crisis van 1905. Samen met een vriend, ene monsieur Levesque, stuit hij tijdens een nachtelijke ronde op een levenloos lichaam waarvan het hoofd op nogal bizarre wijze naar de maan is gedraaid. Het blijkt een Franse verkenner, vermoord door Marokkaanse onafhankelijkheidsstrijders. Zijn keel is doorgesneden en zijn afgesneden geslacht steekt uit de mond. Een verkenner die verderop onder een boom ligt trof hetzelfde lot. 'Degenen die dat gedaan hebben, zijn geen mensen’, roept Cormery. Levesque protesteert dat 'voor hen, mannen op dergelijke wijze handelen. Wij zijn hier bij hen en zij zetten alle middelen in.’ 'Wellicht’, antwoordt Cormery, 'maar ze hebben ongelijk.’
Cormery is zich ervan bewust dat het hier niet gaat om een bende psychopaten. Hij erkent dat er sociale oorzaken en culturele verschillen zijn en dat de daad onderdeel is van een op onafhankelijkheid gerichte strategie. 'In bepaalde omstandigheden kan een mens zich alles permitteren’, vervolgt Levesque. 'Nee!’ schreeuwt Cormery nu, 'een mens houdt zich in.’ Oftewel: een mens is niet zozeer wat hij onderneemt, maar wat zijn scrupules hem verhinderen te doen. Een rebel moet tegelijk ook iemand zijn die zich weet in te houden.
'Maar er zijn ook Fransen die zich niet inhouden’, riposteert Levesque. 'Wel, dan zijn ook zij geen mensen’, antwoordt Cormery, om vervolgens uit te roepen: 'Smerig ras! Wat een ras! Allemaal, allemaal…’.
Geen spoor van racisme in die zin, stelt Finkielkraut. Het 'smerig ras’ van Cormery is een volk noch een groep, maar de mensheid wanneer die zich van iedere vorm van beschaving losmaakt. Vasili Grossman wilde begrijpen alvorens te veroordelen. Met behulp van Camus wil Finkielkraut laten zien dat er grenzen zijn aan dat begrip. Als Cormery zonder aarzeling veroordeelt, dan komt dat niet omdat zijn inlevingsvermogen beperkt is, maar omdat hij weigert zich in het moeras te begeven waar geen onderscheid meer bestaat tussen fatsoen en wanstaltigheid. 'Tegen alle progressieve en culturalistische modes in houdt Cormery staande dat er een absolute ethiek en universele criteria bestaan. Hij verwerpt niet zozeer de Ander, maar het idee dat er een onverschillige veelheid van handelwijzen is.’

LITERATUUR HEEFT MISSCHIEN het vermogen ons van onze illusies te beroven, maar daarom is het Finkielkraut duidelijk niet te doen. Daarvoor staat hij nog steeds te dicht bij zijn jeugdheld Edmond Dantès en blijft hij geloven dat hij de wereld naar zijn hand kan zetten, of in elk geval dat het de moeite loont het te proberen. 'Mens-zijn’, zo schrijft hij in het nawoord bij Un coeur intelligent, 'dat is de wijze waarop je je lot vormgeeft toevertrouwen aan de literatuur. De vraag is alleen welke literatuur.’
De besproken boeken vormen een persoonlijke selectie. Het zijn de boeken die Finkielkraut het morele arsenaal bieden om de wereld mee te lijf te gaan. Hij vertelt dat toen president Sarkozy een paar maanden terug opperde om Camus op te nemen in het Panthéon hij juist pleitte voor de opname van Louis Germain, de leraar aan wie Camus in 1957 zijn Nobelprijs opdroeg. Germain, tevens een personage in De eerste man, was degene die voor de jonge Camus de wereld ontsloot. Maar deze functie heeft de leraar van vandaag niet meer, stelt Finkielkraut vast. 'De meester die voorheen een honger naar kennis van de wereld voedde, stuit tegenwoordig op de sarcastische onverschilligheid van de tv-kijker en internetgebruiker.’
Juist daarom zou niet Camus maar monsieur Germain in het Panthéon moeten worden opgenomen: 'Deze man heeft een essentiële rol gespeeld in de ontwikkeling van de immense schrijver die Camus was. Maar zijn rol is ook symbolisch. Wij hebben behoefte aan Grands Hommes die fungeren als een superego. Waarom? Omdat we moeten nagaan wie wij zijn in het aanschijn van deze kolossen; omdat een beschaving een dialoog tussen de doden en de levenden is. Maar een schrijver in het Panthéon verplicht tot niets! Monsieur Germain verplicht tot iets om wat hij vertegenwoordigt en omdat wij dan zouden moeten leven onder zijn blik. Onder die blik zouden we niet zeggen dat we toelatingsexamen voor de elite-universiteiten moeten afschaffen, zoals onlangs weer eens gebeurde. We zouden immigrantenkinderen daar op de middelbare school op voorbereiden, precies zoals Louis Germain dat deed met de jonge Camus.’
En zo bevat ieder essay in Un coeur intelligent wel een sneer naar de tijdgeest. Zoals wanneer Finkielkraut de humor waarmee Ludvik het communisme aanvankelijk te lijf gaat, contrasteert met de cynische lach van hedendaagse amuseurs die op de televisie domineren. Of wanneer hij een verband legt tussen de actuele discussie over nationale identiteit en de paradoxale situatie waarin Babette uit het sprookje van Blixen zich bevindt. Ze noemt zich 'kunstenaar’ en aanbidt als communarde de God van de gelijkheid die op zijn beurt de oorlog aan de overerving heeft verklaard. Finkielkraut wijst er fijntjes op dat ze daarmee voorbij gaat aan het feit dat kunst niet zonder erflaters kan bestaan. Hoe zou zij het immers hebben klaargespeeld om zo'n voortreffelijk diner te bereiden als er niet voor haar generaties koks de Franse keuken tot het punt hadden gebracht waar die was op het moment dat Babette het vak leerde? Precies daarom zou het volgens Finkielkraut ook moeten gaan in de discussie over nationale identiteit, namelijk te weten of we nog steeds tot dankbaarheid in staat zijn aan diegenen die onze beschaving hebben vormgegeven. Al was het maar zodat er nog heel lang mensen zullen rondlopen die weten hoe ze een sachertorte voor hem kunnen klaarmaken.