Vertrutting van New York

‘De mensen hier zijn murw gebeukt’

Clayton Patterson documenteert al dertig jaar de Lower East Side in New York. Nu zijn daar de yuppies neergestreken. Zonder dat hij het wist registreerde de foto-/videograaf ‘de laatste stuiptrekkingen’ van een ‘wilde, vrije, wetteloze, utopische en visionaire geest’.

TOEN TEGEN HET einde van de nacht van 6 op 7 augustus 1988 de dageraad zich voorzichtig begon aan te dienen en de politie de strijd om Tompkins Square Park eindelijk had opgegeven, trok een groepje van een man of 25, aangevoerd door de kraker annex anarchist Jerry ‘The Peddler’ Wade, in de richting van het luxueuze appartementengebouw The Christodora. Dit enorme hoekpand op Avenue B in de Lower East Side was in 1988 het symbool van ‘gentrification’ – de moeilijk vertaalbare term voor de transformatie van een arme volksbuurt tot een wijk voor de bemiddelde bovenlaag.
The Peddler en zijn volgelingen, een woeste coalitie van latino’s, daklozen, krakers, skinheads en op crack voortrazende junkies, stormden de lobby van The Christodora in. Daar rukten ze telefoons van de muur, sloopten het meubilair en smeten plantenbakken door de ruiten, onderwijl brullend: ‘Sterf yuppietuig! Dit is voor wat jullie ons hebben aangedaan!’
The Christodora was in 1928 gebouwd voor de huisvesting van arme residenten en vers gearriveerde immigranten, maar na de Tweede Wereldoorlog dusdanig in verval geraakt dat het in 1969 leeg kwam te staan. In 1975, toen de stad New York zo goed als failliet was, trokken de eerste krakers erin, waarna het pand een duiventil werd voor daklozen, junkies, drugsdealers en andere door lediggang geperverteerde randfiguren. In 1986 werd het getransformeerd tot luxe appartementencomplex, waarmee de Lower East Side opeens een aanzienlijke groep miljonairs in haar midden kreeg.
De plunderpartij werd destijds gefilmd door de fotograaf en videograaf Clayton Patterson en beelden ervan keren terug in Captured, een documentairefilm van Ben Solomon en Dan Levin. Captured is het dubbelportret van een buurt, de Lower East Side, en van een man die geobsedeerd is door het vastleggen van de geschiedenis van die buurt, Patterson.

DE CLAYTON GALLERY and Outlaw Art Museum in Essex Street, in het hart van de Lower East Side, lijkt meer op een politiek actiecomité dan een kunstgalerie. In de schaars verlichte etalage prijken affiches met teksten als ‘Democracy for Sale’ en ‘No Third Term’. Er hangt één schilderij: een portret van burgemeester Mike Bloomberg van New York, getooid met gouden kroon, onder de woorden ‘Principum Amicitias’.
De galerie zelf is donker, want gesloten – eigenaar Clayton Patterson opent de deur alleen op afspraak. Zoals vandaag, als hij een Nederlandse journalist ontvangt.
Patterson, 61, oogt groot. Hij is niet uitzonderlijk lang, maar stevig gebouwd, met lange armen die langs een bolle buik bungelen. Als altijd draagt hij een van zijn ‘Clayton-petten’, zwart met aan vier zijden een wit doodshoofd erop geborduurd, boven een vol gezicht dat hij uitrekt met een geitensik van een halve meter lang, als ware hij lid van de hardrockband ZZ Top. Voor het overige is zijn outfit geheel zwart: versleten sneakers en jeans, sweatshirt en een leren jack.
Hij blijkt vrij goed gemutst, Patterson, voor een man die maandenlang een anti-Bloomberg-campagne heeft gevoerd. En dat slechts een dag na de New Yorkse burgemeestersverkiezingen. ‘Het is goed dat Bloomberg een derde termijn heeft gewonnen’, zegt hij, gezeten in het chaotisch aandoende kantoor achter de galerie. ‘Dat is nodig om corruptie bloot te leggen. Iedereen heeft het moeilijk, terwijl deze fucker alleen maar rijker wordt. Dat kan toch niet?’
Pattersons makke met een man als Bloomberg, die volgens schattingen van zakenblad Forbes een vermogen van zeventien miljard dollar heeft, is dat ‘als je zo hebzuchtig bent, je anders naar de wereld kijkt’. Als voorbeeld noemt hij de ‘Queens Blackout’ in 2006, toen honderdduizenden New Yorkers enkele dagen zonder stroom zaten. ‘Energiebedrijf ConEd zei tegen de mensen: als je ons aanklaagt, gaat je tarief omhoog. Het probleem met een miljardair als Bloomberg is dat hij precies zo denkt, dus kwam hij niet voor die mensen op.’
Nu begint Pattersons humeur toch te betrekken. ‘We hebben de matrix van New York veranderd. Ooit formuleerden de intellectuelen wat goed is voor de maatschappij: de professoren en de deftige New Yorker-journalisten op de Upper West Side. Nu bepaalt het geld wat goed is voor de stad.’
Dat uit zich in een eroderende ethiek, constateert hij: ‘Projectontwikkelaars voelen geen enkele verantwoordelijkheid voor de mensen die hier al generaties lang wonen. Huurders krijgen tienduizend dollar om te verhuizen, maar wat moeten ze daarmee? De huren zijn in Brooklyn en Queens ook twaalfhonderd dollar.’
Hij wijst op projectontwikkelaar Extell, onderdeel van private equity-firma Carlyle Group, die net voor 72 miljoen appartementengebouwen in de buurt heeft gekocht. ‘Die lui hebben schijt aan de bewoners en zijn alleen geïnteresseerd in return on investment. Ze gebruiken elke truc uit het boek om de huurbescherming te omzeilen. Het is een oneerlijke klassenstrijd: de armen krijgen geen kans.’
Het meest stuitende voorbeeld in Pattersons ogen is het gebouw op 47-49 East Third Street. Daar wonen vijftien huishoudens, voornamelijk van Portoricaanse afkomst, in zogeheten rent controlled appartementen, de New Yorkse versie van sociale woningvoorziening. In 2003 kocht de multimiljonair Alistair Economakis het pand. ‘De motherfucker claimt het hele gebouw voor eigen gebruik. Vijf verdiepingen van meer dan duizend vierkante meter, voor een gezin van vier. Als het allemaal niet corrupt is, of illegaal, dan is het in ieder geval walgelijk. Mensen worden dakloos op deze manier.’
In reactie op de hoge huren die de projectontwikkelaars en huiseigenaren vragen, zijn kunstenaars en musici naar Brooklyn uitgeweken (waar ze nu met dezelfde trends te maken krijgen). Het gevolg, zegt Patterson, is dat de romantiek is verdwenen uit zijn buurt. ‘Het maakt nogal een verschil of je buurman Jasper Johns is of de Carlyle Group. Het huidige New York is een goeie plek voor een jurist, makelaar of bankier. Maar de stad is niet meer opgezet voor kunstenaars, journalisten of chef-koks – tenzij je al tot de absolute top behoort. Als ik nu 27 was, zou ik naar China gaan.’

PATTERSON ARRIVEERDE in 1979 met zijn verloofde Elsa Rensaa (‘trouwen is er nooit van gekomen’) in de Lower East Side. Het Canadese stel kwam uit Calgary, waar ze elkaar op de kunstacademie hadden ontmoet. Als zo velen voor en na hen voelden ze zich aangetrokken tot het bohémiene karakter van de buurt. De Lower East Side, of Loisaida, zoals de latino-gemeenschap de wijk liefkozend noemt, was in die tijd wat Parijs in het interbellum was, toen lieden als Ernest Hemingway, Scott Fitzgerald, James Joyce en Gertrude Stein er neerstreken om zich aan het goede leven en de kunst te wijden.
‘De Lower East Side was een broedplaats voor creativiteit’, zegt Patterson. ‘De lage huren trokken genieën naar de buurt. Lou Reed zat zich op Ludlow Street voor dertig dollar per maand af te vragen of hij voor de rest van zijn leven een junkie of een kunstenaar wilde zijn. Wij woonden op de Bowery, in hetzelfde gebouw als Keith Haring – ongeveer waar nu The New Museum staat. Naast ons had Jasper Johns zijn studio.’
Zelf lukte het hem echter niet om als kunstenaar vaste grond onder de voeten te krijgen: ‘Ik voelde me een outsider in de kunstwereld van de jaren tachtig. Ook toen al had je de juiste connecties nodig om erkend te worden als schilder of beeldhouwer. Ik bedoel, Basquiat was bevriend met Warhol. Je moest naar de openingen en avant-gardistische feestjes in fucking Soho. Dat was niks voor mij.’
In plaats daarvan richtte hij zich op de documentatie van zijn nieuwe buurt – eerst als fotograaf, later ook als videograaf: ‘Het was een manier om iets te doen met mijn fascinatie voor de mensen aan de buitenkant van de maatschappij. Daar moet je kijken als je wilt weten hoe dynamisch een maatschappij is, hoe ze verandert. De Lower East Side is de thermometer van de wereld. Wat hier gebeurt, zie je later overal terugkeren.’
Als dat waar is, dan wacht de wereld vooral uniformiteit. De Lower East Side is de laatste jaren volgeplempt met ‘hippe’ bars en restaurants, die allemaal cateren naar de goed opgeleide en vooral goed verdienende mensen die de laatste jaren in de buurt zijn komen wonen, en die vooral veel op elkaar lijken. Pattersons vrijbuiters zijn bijna allemaal vertrokken.
Zelf heeft Patterson de gentrification weerstaan doordat Elsa en hij al in 1983 het pand in Essex Street kochten, vlak voordat de huizenprijzen omhoog gingen: ‘Als we dat niet hadden gedaan, hadden we hier nu niet meer kunnen wonen.’
Door de jaren heen heeft Patterson een gigantisch archief opgebouwd van meer dan honderdduizend foto’s, 2500 uur video en driehonderd audio-interviews. Daarnaast heeft hij een verzameling van heroïnezakjes die hij van straat heeft opgepikt, graffiti-stickers die hij van wanden heeft afgepeld, boeken, artikelen, ansichtkaarten, tattookunst en andere Lower East Side-parafernalia. ‘Het is grotendeels zeldzaam materiaal, want underground of illegaal.’
Het is empirische, onmiddellijke geschiedenis, legt hij uit. ‘Ik heb altijd mijn neus gevolgd. Er waren zoveel verschillende lagen in de Lower East Side. Je had joden, Aziaten, Portoricanen, Dominicanen, avant-garde filmmakers, tattoo-parlors, de gayclubs, de kunstscene. Het vergt jarenlang documenteren om te begrijpen hoe al deze kringen met elkaar verbonden zijn.’ Voor de documentaire Captured mochten filmmakers Solomon en Levin onbeperkt gebruikmaken van Pattersons foto- en videomateriaal.

‘JE KON ZIJN wie je wilde in de Lower East Side,’ zegt Patterson aan het begin van de film, als hij de buurt in de jaren tachtig beschrijft als een plek waar mensen naartoe gingen om met alternatieve identiteiten te experimenteren: skinhead, drag queen, kunstenaar, junkie, punk.
Zo voert Captured de kijker onder meer langs het underground-nachtleven van die dagen, wellicht het interessantste deel van de film. We zien The Ramones, Blondie en Bad Brains spelen in de beroemde, in 2006 gesloten nachtclub CBGB’s op de Bowery. Er zijn de hilarische optredens van de drag queens in The Pyramid Club, waar de bewaking verzorgd werd door macho skinheads, die zonder probleem mengden met de gayscene. Leden van latino-motorclub Satan’s Sinners zingen melancholische Portoricaanse liederen bij gitaarmuziek.
Prachtig ook zijn de live performances in clandestiene nachtclubs van veelal onbekende artiesten, zoals Joe Coleman, een beer van een vent die op het podium de kop van een muis afbijt waarna hij brullend ter aarde stort. Of de allerlaatste performance van punkrocker G.G. Allin, zanger van de Murder Junkies, die naakt op soldatenkistjes over straat rolt. Een paar uur later stierf hij aan een overdosis.
Want dit anarchistisch experiment had ook een keerzijde: de drugsdoden op straat, met de naald nog in de arm. Dodelijke slachtoffers van overvallen, steekpartijen en schietincidenten. De troosteloze troep op straat, de zwervers die zich ’s nachts warm houden door huisvuil te verbranden in metalen afvalkorven. Patterson toont het allemaal. ‘De kwaliteit van het leven stond destijds niet hoog op de agenda’, zegt toenmalig burgemeester van New York Ed Koch op een zeker moment.
De eerder beschreven Christodora-scène vormt de apotheose van de film: de gewelddadige veldslag om Tompkins Square Park in 1988. Na aanhoudende klachten van buurtbewoners over geluidsoverlast, druggebruik en openlijke prostitutie kondigde burgemeester Koch een avondklok af: na één uur ’s nachts zou het park leeg moeten zijn. Dat betekende dat de honderden daklozen die destijds in tenten woonden in het park, dat toepasselijk Tent City werd genoemd, maar ergens anders naartoe moesten. Een lange nacht vol rellen volgde, waarbij de New Yorkse politie dusdanig over de schreef ging dat steeds meer buurtbewoners de kant kozen van de daklozen en hun sympathisanten – krakers, kunstenaars, skinheads, studenten en leden van motorclub Satan’s Sinners. Uiteindelijk droop de politie af, om de dag erna terug te keren. En de dag daarna weer. Maanden, jaren ging het zo door, totdat het park definitief ontruimd was en de straat weer in handen van de politie.
Pattersons honderden uren tape van deze confrontaties zouden gebruikt worden in talloze rechtszaken tegen de politie, hoewel dit tot geen enkele veroordeling leidde. ‘Dit is een revolutionair apparaat’, zei hij als gast in de tv-show van Oprah Winfrey, terwijl hij zijn videorecorder in de lucht hield. ‘Little Brother houdt Big Brother in de gaten.’
Zelf werd Patterson ontelbare keren gearresteerd, hetgeen hem enkele voortanden heeft gekost. Telkens als het gevaar voor arrestatie dreigde, gaf hij de camera aan verloofde Elsa, die vervolgens vastlegde hoe Clayton ruw in de boeien werd geslagen. Het was louter treiterij; zelden werd er ook een aanklacht tegen hem ingediend.
Onder burgemeester Rudy Giuliani draaide de politie de duimschroeven verder aan. In het kader van zero tolerance werd er keihard opgetreden tegen drugs en (straat)prostitutie. Geleidelijk verdwenen daklozen, krakers en junkies uit de straten van de Lower East Side. Het werd duidelijk dat er geen houden aan was: rijk zou gaan winnen van arm.

DE 150-JARIGE geschiedenis van de Lower East Side is er altijd een van verandering geweest – steeds door immigratie gedreven. Duitse, joodse, Poolse, Ierse en Italiaanse immigranten losten elkaar af. De laatste golf kwam vlak na de Tweede Wereldoorlog uit Porto Rico en de Dominicaanse Republiek. Het grote verschil met eerdere veranderingen is dat de huidige gentrification puur marktgedreven is.
Tussen 2002 en 2008, de Bloomberg-jaren, is volgens cijfers van New York University het aantal appartementen die families met de laagste jaarinkomens (onder 37.000 dollar) zich kunnen veroorloven met zeventien procent afgenomen. Je vraagt je af waar de publieke woede is gebleven, zoals die destijds met de bestorming van The Christodora naar buiten kwam.
Patterson: ‘Mensen zijn murw gebeukt en depressief. Ze hebben hun wil verloren. En ze zijn gewoon bang voor de politie. In 1988 kon die nog geen park ontruimen, maar tegenwoordig is het een messcherpe organisatie die binnen een uur de hele stad platlegt.’
Zelf heeft hij zijn portie straatprotest wel gehad: ‘Ik beperk me voortaan tot het verspreiden van ideeën. Via mijn fotoboeken en nu dus via de film.’
Als we naar de Alife Gallery op Rivington Street lopen, waar een expositie van Pattersons foto’s de laatste week ingaat, verontschuldigt hij zich voor zijn zwartgalligheid: ‘Ik ben eigenlijk heel luchtig en vrolijk, maar hoe moet ik anders m’n punt maken?’
Binnen kijken we naar zijn foto’s. Zwarte en latino schoolkinderen lachen. Crips en Bloods maken gangtekens. Junkies en drag queens. Daklozen, hoeren, punks, excentriekelingen. ‘Ik was me er destijds niet van bewust’, zegt Patterson, ‘maar ik was bezig met het vastleggen van de laatste stuiptrekkingen van de wilde, vrije, wetteloze, utopische, visionaire geest van de Lower East Side.’

Captured (2008), een documentaire van Ben Solomon en Dan Levin, is gratis te zien op www.snagfilms.com/films/watch/captured/ (onderbroken door reclame)