In de Sire-campagne over kinderen die opgroeien in armoede figureert onder anderen Anashya Dipai (11) uit Maassluis. Ze gaat nooit op vakantie, kleedt zich met de afdankertjes van een nichtje, heeft geen gordijnen in haar slaapkamer. ‘Ik ben opgegroeid in armoede’, vertelt ze in Trouw. ‘Maar het is moeilijk om dat uit te leggen. Mensen gaan misschien anders naar je kijken. En het voelt ook een beetje geheim. Ik wist niet of ik het er van mama wel over mocht hebben.’ Het gezin Dipai had het al nooit breed, maar de Belastingdienst stortte Anashya, haar vader en moeder in de armoede: ook zij zijn slachtoffer van de toeslagenaffaire. Uiteindelijk liepen de spanningen te hoog op, ook al probeerden beide ouders zich aan de armoede te ontworstelen door ook ’s avonds en in het weekend te gaan werken. De ruzies thuis mondden uit in een scheiding, een herseninfarct trof Anashya’s moeder.

Even ter herinnering, want in de verkiezingscampagne zult u er weinig van hebben vernomen: ruim 250.000 kinderen in Nederland, bijna één op de tien, leven in armoede. Van alle Nederlanders moet meer dan een miljoen mensen met een inkomen beneden de armoedegrens zien rond te komen. Constant geldgebrek is maar een van de gevolgen. Sociaal isolement, eenzaamheid, permanente stress, gezondheidsproblemen, slechte voeding zijn andere verschijnselen, los van dat deprimerende gevoel van schaamte: liever laat je de buitenwereld onwetend over je huurachterstand of over je kinderen die zonder ontbijt naar school gaan.

Steeds meer kinderen kunnen niet behoorlijk lezen, schrijven en rekenen. Sinds 2010 verdubbelde het aantal daklozen, tot veertigduizend. Ook het aantal voedselbanken stijgt jaarlijks, van 121 in 2010 naar 171 in 2020. Studenten van wie de ouders geen geld hebben voor een toelage moeten zich al aan het begin van hun studie in de schulden steken. Voor de toegang tot de rechter wordt een steeds hogere drempel opgeworpen: een van de gevolgen van de bezuinigingen op de sociale advocatuur. Sociale huurwoningen worden schaars, zeker in de grote steden, waar projectontwikkelaars die meer zien in de bouw van dure koopappartementen een dikke vinger in de pap hebben.

In de Dreigroschenoper schreef Bertolt Brecht al: ‘Und man sieht nur die im Lichte. Die im Dunkeln sieht man nicht.’ Journalist Stevo Akkerman herinnerde er al eens aan dat toenmalig pvda-leider Joop den Uyl deze tekst van Brecht in een Kamerdebat citeerde. ‘Wat wilt u’, vroeg hij als oppositieleider aan premier Ruud Lubbers, ‘geloof in de toekomst? Maar daaronder is de werkelijkheid. De werkelijkheid van de armoede, de werkelijkheid van de mensen die in het donker zijn.’

Je kunt de uitslag van de Tweede-Kamerverkiezingen ook met deze conclusie duiden: zelden had de sociale nood in Nederland zo weinig weerslag op het stemgedrag. De partijen waarbij het streven naar sociale rechtvaardigheid het diepst in de genen zit – pvda, SP, GroenLinks, ChristenUnie – verloren of bleven op z’n best stabiel. De toeslagenaffaire, waarbij de overheid het levensgeluk van duizenden mensen brak door hen financieel in de vernieling te jagen, had evenmin electoraal effect. Integendeel: de twee partijen die de affaire uit de ambtelijke duisternis trokken, cda en SP, behoorden tot de grootste verliezers.

Zelden had de sociale nood in Nederland zo weinig weerslag op het stemgedrag

Onder de nationaal-populistische partijen belichaamde Forum voor Democratie het egoïsme het meest onbeschaamd – en speelde daarmee een winnende kaart: de partij van Thierry Baudet verviervoudigde haar stemmental. Tegen de wetenschappelijke consensus over de ernst van corona in gingen Baudets kiezers mee in zijn fantasie dat het land is ‘opgesloten’ wegens een ‘seizoensgriep’. Feitelijk brachten zij met hun stem tot uitdrukking dat zij vele duizenden coronadoden over hebben voor wat zij als hun ‘vrijheid’ beschouwen.

In de campagne is links er niet in geslaagd van de achteloosheid over de armoede een leidend thema te maken, ondanks de munitie die wetenschappelijke adviesraden van de regering de afgelopen jaren aandroegen. De toenemende ongelijkheid, niet alleen in financiële mogelijkheden maar ook in levenskansen, heeft sociaal ontwrichtende gevolgen, waarschuwde het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) bij monde van directeur Kim Putters. Voor minder weerbare mensen is de beschikbaarheid van zorg, onderwijs, betaalbare huisvesting, kinderopvang en gezonde voeding minder goed verzekerd dan voor mensen met geld en mogelijkheden. Dat jaagt de ongelijkheid verder aan. De nieuwe banen en het hogere salaris lijken gereserveerd voor degenen die zich redden, voor de anderen neemt de onzekerheid toe.

Met een begrip dat hij ontleent aan Max Weber typeert socioloog Kees Schuyt dit fenomeen als een ‘polarisatie van levenskansen’. Het gevolg is een sluipende segregatie, waardoor het leven van welgestelden steeds verder gescheiden raakt van dat van de anderen. De publieke sfeer wordt zo uniformer, met minder plekken waar mensen met uiteenlopende sociale achtergronden en levensstijlen gedeelde ervaringen opdoen.

Die polarisatie van levenskansen weerspiegelt zich in de politiek. Waar de vooruitzichten voor het leven het gunstigst zijn, zoals in snel groeiende steden als Amsterdam en Utrecht en in universiteitssteden, behalen de liberale partijen vvd en D66 hun beste resultaten. In gebieden met minder kansen op vooruitgang, zoals Oost-Groningen en Zuidoost-Limburg, eindigen de partijen die op ressentiment en rancune inspelen hoog.

Het gevoel van stagnatie, zelfs angst om sociaal naar beneden te vallen, heerst niet alleen onder het ‘precariaat’ van laagstbetaalden en mensen met een half baantje, maar doortrekt ook de middengroepen steeds meer, bleek uit studie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr). Armoede, ongelijkheid en sociale segregatie bleven in de verkiezingscampagne niettemin nagenoeg onbesproken. Dat gold ook voor de toeslagenaffaire, waarin de overheid zelf mensen kaalplukte. Het kabinet-Rutte III viel daar weliswaar over, maar maakte van zijn aftreden een bijna betekenisloze daad door de confrontatie met de Tweede Kamer uit de weg te gaan: het was al vertrokken toen het debat over Ongekend onrecht, het onderzoeksverslag over het schandaal, nog moest plaatsvinden.

De GroenLinks-jongeren hekelden Klavers ‘bloemetjes-en-bijtjes-retoriek’ in de campagne

De zachte landing van het kabinet was een berekende depolitiserende actie van de coalitiepartijen vvd, cda, D66 en ChristenUnie, wat eraan zal hebben bijgedragen dat de toeslagenaffaire in de stembusstrijd een ondergeschikte rol speelde. Maar ook links sloeg al aan het depolitiseren in een periode die bij uitstek juist politiseren vergt: de campagne.

Karakteristiek voor een bestel als het Nederlandse is dat de dag van de verkiezingen voor politici ook een rolwisseling markeert. In de weken daarvoor, tijdens de campagne, moeten zij drama maken, door hun standpunten en oordelen uit te vergroten. Dat is de fase van het politiseren. Van de politicus wordt pathos verwacht: hij moet laten zien waar hij voor staat. De logos – de redelijkheid – komt later wel, tijdens de formatie, wanneer partijen die willen regeren noodzakelijkerwijze naar elkaar toe bewegen.

Die fase van het depolitiseren leek soms al in de campagne aangebroken, ook bij de linkse oppositiepartijen, die ervoor waakten de verschillen met de zittende macht al te zwaar aan te zetten. Zelfs Lilian Marijnissen, de meest offensief ingestelde onder de linkse fractieleiders, zei dat ze soms net zo prettig samenwerkt met het cda en de ChristenUnie als met de pvda en GroenLinks. Wat ontbrak in de campagne van pvda, GroenLinks en SP was een kernachtige, vigoureuze boodschap waarin de verontwaardiging over de armoede en ongelijkheid doorklonk. In de officiële slogans van de drie partijen klonk die in ieder geval weinig door. Ze waren eerder lauwtjes: ‘Voor een eerlijke toekomst’ (pvda), ‘Voor een eerlijk, zorgzaam en groen Nederland’ (GroenLinks), ‘Stel een daad’ (SP).

Wat zal hebben bijgedragen aan de depolitiserende modus van pvda, GroenLinks en SP is dat ze alle drie willen regeren, zij het de een meer dan de ander. Dat sprong des te meer in het oog doordat de campagne zich, gedwongen door de lockdown, meer dan ooit afspeelde op tv, die er een handje van heeft politiek in het vaste stramien van een strijd om de regeermacht te persen. Na twee keer vroegtijdig bij een formatie te zijn afgehaakt, in 2006 en 2017, was vooral GroenLinks erop gebrand deze keer tot de regering door te dringen. Voor Jesse Klaver was niet minder dan het premierschap de inzet: deze verkiezingen moesten ‘de weg naar het Torentje’ vrijmaken.

Het resultaat was dat links in de campagne zich eerder vriendelijk en welwillend dan militant opstelde. DWARS, de jongerenorganisatie van GroenLinks, sprak op de dag na de verkiezingen afkeurend over de ‘bloemetjes-en-bijtjes-retoriek’ van Klaver. Volgens haar heeft GroenLinks door het gebrek aan verbale strijdbaarheid haar potentie ondermijnd om ‘een serieus alternatief voor de status quo’ te bieden.

Een linkse fusie ligt in de rede zodra de overeenkomsten groter zijn dan de verschillen

Het verhaal over de teloorgang van het CDA als christelijk-sociale partij is eigenlijk in één keer verteld in het volgende voorval met Trouw. De krant sprak met lijsttrekkers over de rol die hun geloof speelt in de keuzes die zij in hun leven maken. Naast Gert-Jan Segers (ChristenUnie) en Kees van der Staaij (sgp) zegden Lilianne Ploumen (pvda) en Sigrid Kaag (D66), beiden katholiek, toe. Wopke Hoekstra niet. Geen tijd, was zijn excuus. Andere campagne-activiteiten hadden bij de christen-democratische lijsttrekker de voorkeur boven deze gelegenheid met de lezers van de geestverwante krant te delen waartoe zijn vrijzinnig protestantse geloof hem motiveert.

Christen-democraten met politiek verstand moesten hun partij al vaker deze simpele wijsheid voorhouden: probeer niet de vvd te kopiëren, want de kiezer zal altijd het origineel prefereren. Op de verkiezingsavond zag politicoloog Tom van der Meer de juistheid van dit advies bevestigd. ‘Je wint je kiezers niet terug door jezelf inwisselbaar te maken’, was zijn commentaar op het verlies van het cda.

Ooit karakteriseerde Willem Aantjes, de eerste fractieleider van het cda, de vvd nog als de partij van ‘halen, hebben en houden’, maar dat antiliberalisme is in het cda verleden tijd: met economie en veiligheid koos Hoekstra voor campagnethema’s uit het arsenaal van de vvd. Hij zette daarmee de koers voort die het cda volgt sinds het in 2010 zijn ruk naar rechts maakte, met de keuze voor de coalitie met de vvd en de nationaal-populisten van Geert Wilders. Hoekstra’s voorganger, Sybrand Buma, zette in op een sociaal-economisch rechts, cultureel-conservatief, nationalistisch programma. Hij voerde campagne met de riedel ‘een kleinere overheid, lagere lasten, geen nivellering’ en pleitte voor ‘gezonde vaderlandsliefde’ als een maatstaf of je er in Nederland bij hoort of niet.

De facto heeft het cda zijn keuze voor rechts uit 2010 niet gecorrigeerd maar gecontinueerd. Volgens Jan Schinkelshoek, oudgediende in het cda, is zijn partij met die koers op een dood spoor beland. ‘Kernbegrippen als verantwoordelijkheid, gerechtigheid, solidariteit en rentmeesterschap schreeuwen erom te worden toegepast’, schreef hij in Trouw. ‘Ook als tegengif tegen populisme, nationalisme, regionalisme – en al die die vormen van “egoïsmen” waarmee wij ons superieur verklaren aan anderen.’

De volgende waarneming kan wellicht werken als antidotum voor het zak-en-as-gevoel dat de verkiezingsuitslag kan opwekken: het nationaal-populistische blok is in zijn uitzinnigheid zo ver in de extremistische hoek beland dat het zichzelf in een isolement heeft geplaatst. Dat geldt ook voor JA21, de afsplitsing van Baudets FvD. In sommige analyses wordt verondersteld dat D66, waarvoor in de formatie een sleutelrol is weggelegd, in uiterste noodzaak tot regeringssamenwerking met JA21 bereid zou zijn, maar daarmee zou de partij van Kaag haar eigen doodskleed weven.

Een progressieve volks-partij kan Van Mierlo’s slogan bezigen: ‘Eerlijk delen in een schoon land’

Een van de naamgevers van JA21 muntte ooit het woord ‘dobbernegers’ voor de verdronken vluchtelingen op de Middellandse Zee. En evenals Joost Eerdmans, de andere oprichter, bleef Annabel Nanninga lang trouw aan Baudets extremisme, ook toen hij met zijn uitspraken over de ‘homeopathische verdunning van de Nederlandse bevolking’ flirtte met de samenzweringstheorie van de ‘omvolking’: de gedachte dat een elite uit is op de vervanging van blanke Europeanen door niet-westerse immigranten.

Verongelijkt zeggen nationaal-populistische leiders nogal eens dat andere partijen hen van coalitievorming uitsluiten, maar dat klopt niet: zij hebben zichzelf uitgesloten. Dat verschaft Kaag een strategisch sterke positie in de formatiebesprekingen. Op zoek naar andere partijen die politiek en landsbestuur serieus nemen en getalsmatig enig gewicht in de schaal leggen, moeten de potentiële coalitiepartners vvd, D66 en cda al gauw naar links kijken, naar pvda, GroenLinks, SP en ChristenUnie. Kaag heeft ook een zekere verplichting aan de drie niet-christelijke linkse partijen: meer dan de helft van de nieuwe D66-kiezers kwam daar vandaan.

Gevraagd naar de richting die de formatie uit moet, links of rechts, hield Kaag zich op de ochtend na de verkiezingen nog op de vlakte: ‘Ik kan me een heel goede combinatie van allerlei opties voorstellen.’ Op de verkiezingsavond zelf daarentegen kon er geen misverstand bestaan over haar duiding van de uitslag: ‘Het moet progressiever, eerlijker.’ Kaag zal zich ongetwijfeld realiseren dat zij D66 moet hoeden voor vereenzelviging met de vvd. In de eerste berichtgeving zag je al dat beide partijen als een liberaal blok op één hoop werden gegooid. Daarmee wordt aan het oog onttrokken dat D66 zich ook programmatisch aan links heeft verplicht, niet alleen met de urgentie die de partij toekent aan het grootste probleem van deze tijd, de klimaatcrisis, maar ook met haar standpunten over migratie, Europese solidariteit, de bio-industrie, het nationaal-populisme.

Op de verkiezingsavond kraaide Mark Rutte de victorie over de sociaal-democratie en de christen-democratie toen hij constateerde dat de vvd nu een ‘échte volkspartij’ is: de vvd verenigt volgens hem arm en rijk, stad en platteland, jong en oud, laag- en hoogopgeleid. Voor pvda, GroenLinks en SP is de komende tijd cruciaal hoe zij zich voorbereiden op het electorale gat dat zal vallen als Rutte de landspolitiek verlaat. Er zijn goede argumenten om te streven naar een federatie, zo mogelijk een fusie van de linkse drie.

In de eerste plaats geldt het machtspolitieke argument dat pvda, GroenLinks en SP door samen te gaan de grootste kans maken na de volgende verkiezingen de spilpositie in de politiek over te nemen van de vvd. Ten tweede gaat voor het eerst sinds vijftig jaar de ‘wet van Koole’ niet op, nu alle drie de partijen aan de verliezende hand zijn. De ‘wet’ van politicoloog Ruud Koole houdt in dat de partij die op dat moment stijgt in de kiezersgunst nooit zin zal hebben in een samengaan met geestverwante groeperingen. Hij trok die conclusie uit de eerder mislukte fusiepogingen sinds 1970: bij verkiezingen was er altijd wel een partij onder de linkse drie die de electorale wind mee had. Een derde argument is dat de fusiepartij de status van volkspartij voor zich kan opeisen, dankzij de kiezersgroepen die pvda, GroenLinks en SP zouden verenigen: arm en rijk, stad en platteland, jong en oud, laag- en hoogopgeleid.

Daarbij komt dat een fusie in de rede ligt zodra de overeenkomsten tussen partijen groter zijn dan de verschillen. Dat argument gaf ooit de doorslag bij de vorming van het cda (1980), GroenLinks (1989) en de ChristenUnie (2000). De doorslaggevende overeenkomst tussen pvda, GroenLinks en SP is dat zij scherper dan rechts de politieke urgentie onderkennen van de grote vraagstukken van nu: de klimaatcrisis, de toenemende ongelijkheid, de achteloosheid over de armoede, de sociale segregatie. Essentieel is ook dat zij aan klimaatbeleid de voorwaarde stellen dat het sociaal rechtvaardig moet zijn. Dat houdt niet alleen in dat de lasten eerlijk moeten zijn verdeeld, naar rato van draagkracht, maar ook dat gezond voedsel, een prettige en veilige leefomgeving en een schoon milieu niet het voorrecht van de rijken mogen zijn.

Met dank aan D66 zou zo’n progressieve volkspartij de slogan kunnen overnemen waarmee Hans van Mierlo in 1972 campagne voerde: ‘Eerlijk delen in een schoon land.’