De mensen willen in steden wonen

Bij de sluiting van de eerste Habitat Conferentie in 1976 in Vancouver sprak de secretaris-generaal over dat veertig miljoen dollar kostende evenement: ‘Dit was een keerpunt op weg naar het verbeteren van huisvesting over de hele wereld.’ Dat bleek nogal mee te vallen. De doelstellingen van de eerste Habitat-conferentie zijn ten tijde van de tweede, die afgelopen week in Istanbul begon, verre van gerealiseerd. Schoon water voor iedereen in 1990 bijvoorbeeld. In 1990 had de helft van de stedelijke bevolking in ontwikkelingslanden en negentig procent van de plattelandsbevolking aldaar geen enkele vorm van waterleiding.

De wereld verstedelijkt in hoog tempo; binnen tien jaar zal meer dan de helft van de wereldbevolking in steden wonen, het aantal megasteden (met meer dan twintig miljoen inwoners) neemt toe, en de grote steden vertonen een ongekende bevolkingsgroei. Veel beleidsmakers en politici krijgen daar nachtmerries van. Steden lenen zich goed als metafoor voor alle kwaad. Dat is altijd zo geweest. In de bijbel zorgen steden voor weinig goeds en zulke uiteenlopende figuren als Confucius, Karl Marx en Charlie Chaplin hadden een hartgrondige hekel aan steden. Toch wil de overgrote meerderheid der mensheid in een stad wonen. Mensen doen alles om van het platteland naar de stad te komen en laten zich daar zelden van weerhouden door welk ontmoedigingsbeleid dan ook. Dat hebben veel regeringen moeten leren tegen een hoge prijs. Geholpen door ontwikkelingssamenwerking werd decennia lang getracht het platteland te ontwikkelen teneinde de plattelandsbevolking te houden waar ze was geboren. Die ontwikkeling van het platteland leidde echter tot meer efficientie en produktiviteit in de landbouw, en daarmee tot minder werk - hetgeen mensen naar de stad dreef.
Indonesie bijvoorbeeld voerde een systeem in van pasjes en stempels, van deportatie en bestraffing om de plattelandsbevolking uit de steden te houden. Dat had drie effecten: een positief inkomenseffect voor de pasjescontrolerende agenten, welvarende busondernemingen die mensen op hun eigen kosten naar de stad en op staatskosten uit de stad vervoerden en overuren in de drukkerijen die de valse persoonsbewijzen drukten.
De miljoenen Chinezen die in de jaren zeventig naar het platteland werden verbannen, zijn inmiddels - zo geeft zelfs de Chinese overheid toe - tot de laatste man en vrouw naar de steden teruggekeerd. Ook al kostte het ze soms twintig jaar om het geld voor de reis bijeen te sparen.
Mensen willen in steden wonen. En waarom zou dat eigenlijk een probleem zijn? Sommige steden zijn een puinhoop, maar het is de vraag of dat aan de omvang ligt. Een stad als Tokyo met meer dan 26 miljoen inwoners is een stuk leefbaarder dan Sao Paolo met veel minder inwoners. Het is eerst en vooral de grote sociale ongelijkheid die de leefbaarheid in de steden bedreigt. Er is een vrij directe relatie tussen inkomensongelijkheid en criminaliteit in steden. Van Zuid-Afrika tot Brazilie en New York wordt het leven aanzienlijk minder aangenaam doordat zowel het aantal heel rijke als heel arme stadsbewoners toeneemt.
Er bestaat wereldwijd bovendien een geconditioneerde reflex om arme stadsbewoners te beschouwen als een plaag die moet worden bestreden. De effecten daarvan zijn desastreus. De zogeheten illegale stadsbewoners wordt het leven zuur gemaakt volgens het aloude principe van het bestrijden van de armen in plaats van het bestrijden van de armoede. Men bulldozert de onderkomens van de armen plat of, nog handiger, sluit de watertoevoer van de sloppenwijken af. Daarmee verdwijnen de armen dus niet, ze krijgen alleen cholera, tbc en typhus.
Veel dichter bij huis kent ook het Nederlandse beleid zijn ‘illegale stadsbewoners’. In de oude wijken van Amsterdam zijn dat aanzienlijke aantallen mensen. Een dak boven hun hoofd verkrijgen ze via de Amsterdammers die nooit te beroerd zijn om beter te worden van het ongeluk van een ander, die voor ongekende prijzen hun bezemkasten en zolders onderverhuren. Een inkomen verdienen ze in de informele sector, die in alle steden ter wereld bloeit. Aangezien ze illegaal zijn, valt er natuurlijk aan het naleven van enig basaal arbeidsrecht niet te denken. Recent is de illegalen wettelijk de toegang tot de gezondheidszorg ontzegd in alle behalve levensbedreigende omstandigheden. Niet dat ze daardoor gezonder worden; ze mogen alleen niet meer geholpen worden. Gaan ze daardoor weg? Natuurlijk niet, het enige wat gebeurt, is dat een groep mensen in de stad consequent in een positie wordt gebracht waarbij het vrijwel onmogelijk is een leefbaar bestaan op te bouwen.
Wie of wat wordt er beter van zo'n beleid, is de vraag. Maar waarom komen mensen eigenlijk naar de stad als het leven daar voor de armen zo ellendig is? De laatste jaren trekken in ontwikkelingslanden met name ook vrouwen naar de steden. Op het platteland wordt daar al rekening mee gehouden. Meisjes worden in toenemende mate naar school gestuurd met als oogmerk ze later naar de stad te sturen. Meisjes vinden in de stad makkelijker werk en de ervaring leert dat ze trouw geld naar huis (blijven) sturen, terwijl jongens daar na een paar maanden mee ophouden. In de stad komen vrouwen en meisjes terecht in huishoudelijk werk, in de industrie of kantoorbanen - alle even slecht betaald. Op het oog schieten ze daar dus niets mee op, maar uit onderzoek in de verschillende werelddelen blijkt dat de vrouwen daar zelf heel anders over denken. Ja, zeggen ze, we leiden een slavenbestaan als hulp in de huishouding, ja, we zijn niet veel meer dan een verlengstuk van de machine waar we aan staan, nee, we verdienen nauwelijks genoeg om van te leven. En nee, we zouden voor geen goud teruggaan naar het platteland. Kortom, ze betalen een hoge prijs voor de migratie, maar ze kopen wel hun vrijheid.
Er zijn wel bestuurders die het licht hebben gezien en die met de armen samenwerken. Daar blijkt dat al die energie die wordt gebruikt om armen te bestrijden heel produktief kan worden aangewend. Een stad als Cairo zou stikken in zijn eigen vuil als de illegale stadsbewoners het niet ophaalden en recycelden. In Curitiba zou het ’s avonds donker zijn als de armste stadsbewoners geen straatlantaarns maakten van gebruikte Fanta-flesjes. Voor stadsbestuurders en politici over de hele wereld schijnt het vreselijk moeilijk te zijn om die richting in te slaan.