‘Brandstichter 2013’: regisseur Alvis Hermanis uit Letland

De mensentekenaar uit Riga

In Nederland was hij al een beetje bekend van festivals. Nu komt er een ‘vlootschouw’ van zijn werk in Amsterdam. Met een Zomergasten die in Duitsland niet erg gunstig werd ontvangen, en ‘een concert door Simon & Garfunkel in Riga, dat nooit heeft plaatsgevonden’.

Medium alvis hermanis

Berlijn – We zijn in de eerste scène na de pauze van Maxim Gorki’s Sommergäste, het stuk uit 1904-1905 met als ondertitel scènes. Het stuk is een weefsel van ontmoetingen op het platteland van burgers uit de grote stad in hun zomerhuisjes. Zes vrouwen hangen en liggen in de opening van de derde akte bij elkaar op een afgetrapte chaise-longue. Ze worden vanuit alle hoeken en gaten beloerd door negen mannen. Die de fluisterende gesprekken over ‘vrouwendingetjes’ op de bank onderbreken met een opkomst als hitsige hanen. Ze doen daarbij een greep uit de boosaardige teksten van mannen over vrouwen in de slotscène van het stuk. Dramaturgisch is Gorki nogal omgeschoffeld. Daar heeft-ie het overigens naar gemaakt. Zijn Zomergasten zit vol onkruid. Regisseur Alvis Hermanis laat zijn Berlijnse spelers lijfelijk commentaar spelen, veel vileine seksuele en erotische frustraties in een bad van alcohol. Fijnzinnige Rusland-melancholie kom je in deze Sommergäste niet tegen.

Een kleine veertig jaar geleden, in 1974, een paar kilometer oostwaarts, werd Gorki’s stuk ook gespeeld, door hetzelfde Berlijnse gezelschap. Toen in de regie van Peter Stein en met Botho Strauss als dramaturg. Een mijlpaal was dat, voor de Berlijnse, de Duitse én de Europese toneelgeschiedenis. Alvis Hermanis was negen lentes jong toen die voorstelling in première ging. Hij kent de legendarische reputatie voornamelijk van de verfilming. En hij wordt er in de weinig malse kritieken op deze nieuwe Sommergäste mee om de oren geslagen. Met name door de behoudzuchtige aanvoerder van de Duitse toneeljournalistiek, Gerhard Stadelmaier van de gezaghebbende Frankfurter Allgemeine. Zijn woede in december 2012 publiceerde hij onder de kop ‘De schanddaad van het seizoen’.

Het is nu februari 2013. De productie is vanavond aan zijn tiende voorstelling toe. En die is niet uitverkocht, de zaal vertoont veel lege plekken. Ongebruikelijk in dit goed lopende Berlijnse toneelhuis. In de pauze gaan nogal wat toeschouwers hoofdschuddend huiswaarts. Ook de Berlijnse kranten liepen niet over van enthousiasme. En lang niet iedereen leest hier de Neue Zürcher Zeitung, die een enthousiaste recensie plaatste onder de kop ‘Unbeschreiblich stark!’.

Alvis Hermanis heeft zich trouwens vanuit Zürich, waar hij ondertussen een nieuwe voorstelling heeft voltooid, verbeten en nijdig uitgelaten over de manier waarop de Duitse kritiek Sommergäste heeft geknipt en geschoren. Stein en Strauss konden in 1974 in hun regie en bewerking terugvallen op het sentimentele imago van de Russische intelligentsia in het sovjettijdvak onder Brezjnev. Anno 2013, in de Poetin-jaren, kan dat niet meer. Voor Hermanis lijken de karakters in Gorki’s stuk op de intellectuelen in het Rusland van nu: ze stinken naar cynische versuffing en wentelen zich in een passiviteit waarachter ook veel denkers en kunstenaars zich verstopten na de mislukte anti­tsaristische volksopstanden van 1904 en 1905, de jaren waarin het stuk werd geschreven. De levende lijken in dit dodenhuis, ze zíjn er eigenlijk al helemaal niet meer. Deze zomergasten zijn in zichzelf gekeerde zombies en zwervers geworden. Verheffend is het inderdaad allemaal niet. Hun verblijfplaats, een zich ogenschijnlijk eindeloos naar alle hoeken van het theater­gebouw uitstrekkende ruimte (ontwerp Kristîne Jurjâne) is een verwijzing naar het interieur van de volledig vervallen Villa Fabergé nabij Petersburg. Er zijn straks vijf trucks voor nodig om dit imponerende decor van Berlijn naar Amsterdam te verslepen voor de Nederlandse première van Sommergäste, komend weekend in Amsterdam.

Alvis Hermanis (jaargang 1965) is nu twintig jaar werkzaam als regisseur en sinds 1997 artistiek leider van het Jaunis Rîgas Teâtris, het Nieuw Theater Riga, een van de ensembles in de hoofdstad van de twee miljoen inwoners tellende Baltische staat Letland. In 2003 was hij in de Salzburger Festspiele de eerste gelauwerde tonelist tijdens het concours van jonge regisseurs, met een verrassende enscenering van Gogols Revisor. Sindsdien is hij een veel­gevraagd regisseur in veel Europese toneelhuizen. Hij verdeelt zijn tijd half-om-half tussen zijn ensemble in Riga en gezelschappen in Wenen, Zürich, Keulen, Berlijn, Moskou, München en Salzburg. Tegenover zijn oude en vervallen toneelhuis in Riga staat een spiksplinternieuw warenhuis uit de Zara-keten, het type glas beton-chic dat tekenend is voor de Europese, geglobaliseerde stad die Riga geworden is.

Over zijn Nieuw Theater Riga zegt Hermanis in een recent vraaggesprek in het toneelblad Theater Heute: ‘Wij functioneren volgens de regels van onze eigen logica. Ik ben nu vijftien jaar artistiek directeur en de centrale truc van ons theater is nog altijd die waarmee we ooit zijn begonnen: onze hardware is een gewoon repertoire-staatstheater, onze software, onze stijl van werken, is die van een theaterlaboratorium, een studio, een onafhankelijk, autonoom en vrij werkend collectief. We zijn dus geen toneel­fabriek. Het evenwicht tussen onze officiële status en onze artistieke autonomie moeten we zien te behouden. We hebben nu een ensemble van 23 toneelspelers. Per jaar maken we zeven nieuwe producties. We houden die producties lang op het repertoire, soms wel tien jaar. In mijn eerste jaar was ik ook verantwoordelijk voor het geld. Toen heb ik de regel ingevoerd dat alle medewerkers aan een productie een deel van de inkomsten krijgen ván die productie. Iedereen heeft een basis-gage, daar komt dus inkomen bovenop uit de kaartverkoop. Die inkomsten worden overigens gedeeld door iedereen die aan de voorstelling meewerkt, acteurs, inspiciënten, toneeltechnici. Bij mijn weten zijn wij het eerste en enige gesubsidieerde staatstheater ter wereld dat zo werkt. Dat is belangrijk, voor de verbondenheid en de onderlinge solidariteit.’

Alvis Hermanis heeft niet een herkenbare signatuur of stijl. Je zou hem een aanhanger kunnen noemen van hoe de acteur John Gielgud ooit het begrip ‘stijl’ in het toneel omschreef: ‘Style is knowing which play you’re in.’ Hij zoekt een vormentaal bij de stof die hij aanpakt. Alvis Hermanis erkent de Russische toneelleraar Konstantin Stanislawski, een tijdgenoot van Tsjechov en Gorki, weliswaar als een belangrijke maestro, maar niet als het gaat om het primaat van de psychologie en de inleving in toneel – volgens hem is dat een typisch westers misverstand over Stanis­lawski. Die kwam op latere leeftijd immers tot het inzicht dat toneelspelen in de allereerste plaats een fysieke, sensitieve, ruimtelijke manier van reageren is, geen cerebrale. Body goes first is ook Hermanis’ motto. Van de looiïge, zwaar op de hand gemaakte en talige Duitse toneelcultuur is hij geen liefhebber, hoewel hij er veel werkt.

Nederlandse en Vlaamse spelers vindt hij avontuurlijker en zwieriger met hun vak omgaan. Die waardering is overigens wederzijds – getuige de goeie samenwerking tussen de Letse regisseur en de Nederlandstalige acteurs Elsie de Brauw, Katja Herbers en Benny Claessens in het Gorki-project Wassa uit München, dat in april in Amsterdam te zien is en waar we dan nog op terugkomen.

Hermanis zweert bij improviseren. In de repetities aan Wassa liet hij de toneelspelers eindeloos zoeken en wroeten in de verhalen waarover in het stuk wel wordt gesproken, maar die er als scènes niet in voorkomen. Zo creëert hij in de acteurstroep een keten aan geschiedenissen, gezamenlijk beleefde voorkennis van stuk en personages. Die geschiedenissen moeten net zo precies en nauwkeurig met details worden gestoffeerd als de hyperrealistische decors die hij voor zijn vertellingen laat ontwerpen.

En, niet in de laatste plaats: Alvis Hermanis is een verteller van verhalen, een tekenaar van mensengeschiedenissen, die heel exact worden geëtst in de geheugens van zowel zijn spelers als zijn toeschouwers. Zijn Letse vertellingen over kleine mensen die verdwaald zijn in hun grote verhalen vormen de stof voor Hermanis’ mooiste voorstellingen. De twee titels die de Amsterdamse Stadsschouwburg voor het project ‘Brandstichter 2013: Alvis Hermanis’ heeft geprogrammeerd, Long Life (2003) en The Sound of Silence (2007) waren hier al eerder te zien (onder meer in de Internationale Keuze van de Rotterdamse Schouwburg). Long Life is alleen al verbluffend door de transformatie van de jonge spelers in stokoude bewoners van kleine appartementen in het post-sovjetleven. In de kaalgeslagen versie van dezelfde appartementen vindt de eveneens tekstloze, allemachtig prachtige voorstelling The Sound of Silence plaats, geheel gecomponeerd vanuit de ondertitel van de voorstelling: ‘Een concert door Simon Garfunkel in Riga, dat nooit heeft plaatsgevonden’. Een eerbetoon aan de ouders van Hermanis en hun generatiegenoten, de bloemenkinderen van 1968, die geen hippies waren (want dat mocht niet) en ook geen dissidenten (want voor politiek interesseerden ze zich niet). Ze zochten naar verboden vruchten. Judith Herzberg, die een groot bewonderaar is van het werk van Alvis Hermanis, vertelde me over zijn voorstelling Zwarte melk (2012), waarin vijf vrouwen voor de ogen van het publiek in koeien transformeren om het tragikomische verhaal te doen over de teloorgang van het boerenleven in Letland. Spijtig dat de Stadsschouwburg er niet in is geslaagd om dit en ander recent werk van Hermanis uit Riga in de serie op te nemen. Zoiets zou vast niet zo veel gekost hebben als die zes trucks met decors uit Berlijn.

Alvis Hermanis zal niet zo vaak meer toneel regisseren op Europese podia, heeft hij onlangs laten weten. Om te beginnen is hij wat buitenlandse verplichtingen aangaat tot en met 2017 zo’n beetje volgeboekt, overigens vooral met een nieuwe theaterliefde: opera. Werken aan toneelproducties in het buitenland, zo stelt hij op grond van tien jaar ervaring, heeft het permanente risico van een soort blind date. Een universele, globaliserende theatertaal bestaat immers niet. Toch wordt de indruk gewekt dat het Europese theater bloeit bij de gratie van een permanente, internationale uitruil. Maar wat krijgt het publiek daar precies van mee? En hoeveel betekenislagen worden gemist? Of eenvoudigweg niet begrepen? Ik snap die verzuchtingen wel. Met name het Duitstalige toneel, de markt van brood spelen waar Hermanis in het voorbije decennium de meeste ervaring heeft opgedaan, werkt vaak als een vampier. Het bloed van nieuw talent wordt in een hoog tempo ­weggezogen voor een praktijk die hongert naar almaar nieuw-nieuw-nieuw repertoire en almaar vers-verser-versere producties voor een publiek dat overdonderd en veroverd moet worden met een steeds verontrustender vorm van overproductie.

Alvis Hermanis: ‘De belangrijkste truc in toneel is dat de werkelijke actie zich niet afspeelt op het podium maar in het hoofd van de toeschouwer. Dat is een wezenlijk kenmerk van toneel: dat de montage van de toneelactie zich in het hoofd van de kijker afspeelt. Een van onze toneelspelers in Riga zei het zo: ons publiek koopt een kaartje voor ons werk, zodat het een paar uur in het donker kan zitten en over hun treurige leven kan nadenken. We moeten ons publiek daar als toneelkunstenaars een beetje bij helpen.’

Voor het programma van ‘Brandstichter 2013: Alvis Hermanis’: Stadsschouwburg Amsterdam,ssba.nl


Foto: Manfred Werner
Bijschrift: Alvin Hemanis