De Democraten blaken van het zelfvertrouwen

De Merel en Jort van D66

Het probleem met D66 was dat ze altijd de beste mensen met vernieuwende ideeën hadden maar het niet goed electoraal wisten uit te venten. Dat doen ze nu anders. En met succes. ‘We zijn geen beweging meer maar een echte partij.’

Eind 1993 nodigde Hans van Mierlo Els Borst uit om samen een hapje te eten in zijn lievelingsrestaurant Toscanini in Amsterdam. Hij wilde polsen of zij eventueel zou voelen voor een ministerschap van Volksgezondheid. Borst had daar geen zin in, maar het was wel een gezellig etentje. ‘Hans at gevulde kip en natuurlijk kloof hij. Dat doe ik ook, want kip hóór je te kluiven. Hij schreef mijn argumenten op een servetje, waar hij even later zijn vette kin mee afveegde.’
Partijveteraan Borst memoreert deze anekdote in een liefdevolle speech tijdens de herdenkingsbijeenkomst voor het overlijden van Hans van Mierlo, maart dit jaar, in de Amsterdamse Rode Hoed. Ze vertelt hoeveel hij voor haar heeft betekend. 'Met zijn bronzen stem bespeelde hij onze taal als een nieuw instrument. Hij zei: “Vroeger waren er drie zuilen. De katholieke, de protestante en de socialistische. Eens in de vier jaar mogen we stemmen over de dikte van de zuilen.”’ Dit toonde volgens Borst 'hoe star en stompzinnig het systeem was’.
In 1966 zette Van Mierlo met zijn appèl aan 'alle Nederlanders die ongerust zijn over de devaluatie van de democratie’ de bijl in het vastgeroeste politieke keuzemenu. Borst werd samen met haar man dat jaar lid van de Democraten '66. Progressief en sociaal waren ze. En ook door en door beschaafd. Weten hoe het hóórt - zoals Borst over het eten van kip en passant aangeeft - typeert de partijcultuur. In die sfeer nam de harde kern van d66 dit voorjaar afscheid van de grondlegger van een politieke beweging die volgens zijn ontploffingstheorie zichzelf zou opheffen 'zodra we het politieke stelsel hebben helpen opblazen’.
44 jaar later heeft d66 zichzelf niet overbodig gemaakt in het ontzuilde partijlandschap. Maar het bestaansrecht van de Democraten heeft in de afgelopen decennia een grillige lijn vertoond. Bij de verkiezingen van 1994 haalde de partij een monsterzege van 24 zetels en kwam met vier ministers in de regering van Paars I. Twaalf jaar later waren er nog maar drie zetels over. Alexander Pechtold, Boris van der Ham en Fatma Koser Kaya zaten gemarginaliseerd in de oppositiebanken. In een politiek klimaat van polarisatie, een toenemende kloof tussen burger en bestuurder, en van een vergroving in de onderlinge omgang in de Kamer leek er geen plaats meer te zijn voor het vrijzinnige, genuanceerde geluid van de erfgenamen van Van Mierlo. De ontploffing in het staatkundige bestel had inderdaad bijna plaatsgevonden en de partij zelf was naar de afgrond geduwd.

Aan de vooravond van de vervroegde parlementsverkiezingen is er weinig over van die zwanenzang. d66 blaakt van zelfvertrouwen. De partij is net verhuisd naar een prachtig pand met uitzicht op het Binnenhof. De muren zijn geschilderd in hip betongrijs, de kamers ingericht met nieuw meubilair en op de trappen ligt vers ruikend paars tapijt. 'Als een voorbode voor het nieuwe kabinet’, zegt Annelou van Egmond, rechterhand van Pechtold en lid van het campagneteam. 'Een grap natuurlijk.’
Op zolder zit de afdeling social media te twitteren en wordt de campagneagenda in de gaten gehouden. In de war room vergadert iedere ochtend het campagneteam. Zojuist is besproken hoe er gereageerd moet worden op het schaamteloze gesnuffel door journalisten in de vuilnisbak van lijsttrekker Pechtold. De drie aanwezige kandidaten, dertigers in een grijs pak met een lichtblauw overhemd, zitten na afloop aan de grote tafel gebogen over hun laptop.
Aan de muur hangt de verkiezingsposter met de leus Anders Ja D66. Op de cover van het meinummer van het ledenmagazine De Democraat staat Pechtold geflankeerd door Hans Wijers en Alexander Rinnooy Kan, twee maatschappelijke big shots die de partij in de afgelopen jaren heeft voortgebracht. 'Wie denkt dat kennis duur is, weet niet wat domheid kost’, stelt Rinnooy Kan in dit nummer. En Wijers: 'De ambitie om op een spannende, vernieuwende manier invulling te geven aan de idealen van een renaissance in de 21ste eeuw.’
d66 zet deze verkiezingen weer volop in op vernieuwing, zoveel wordt duidelijk. 'd66 wil vernieuwen, hervormen en investeren. Transformeren naar een nieuw zelfbewustzijn, persoonlijk en maatschappelijk. Want wat gebruikelijk en gewoon is werkt niet meer. We willen dat mensen hun eigen kracht ontdekken. Zoveel mogelijk zelf doen. En het dan pas aan een ander of aan de overheid vragen. Zo ontwikkelen we ons van een verzorgingsstaat naar een ontplooiingsmaatschappij.’
Dat is de kern van het betoog van Pechtold in het partijblad. Geen afgekloven verzorgingsstaat maar een bescheiden maar krachtige overheid die ruimte geeft aan creativiteit en ondernemerschap. Een samenleving waarin wordt vertrouwd op de eigen kracht van mensen, die schoon en duurzaam onderneemt en vol optimisme naar de toekomst kijkt, internationaal denkt en handelt en investeert in onderwijs en menselijk potentieel. 'Een kwestie van beschaving.’
Het is een verhaal waar nauwelijks iemand tégen kan zijn. De uitdaging van d66 is dat zij te keurig, en te redelijk kan zijn als het aankomt op het harde machtsspel. En omdat de ideologie te vaag zou zijn, zetten veel mensen in het stemhokje het kruisje uiteindelijk bij een van de meer uitgesproken partijen aan de linker- of rechterkant van de Democraten. In economisch zware tijden is de zwevende kiezer meer geneigd te stemmen op grote middenpartijen. Succes is bovendien sterk afhankelijk van de persoonlijkheid van de leider. Pechtold doet het bijvoorbeeld goed in het debat als contragewicht van Wilders.
d66 zal altijd relatief klein blijven. Zo nu en dan popt het plan op om te fuseren met GroenLinks tot een grote progressieve partij, gericht op duurzaamheid. Tussen het liberalisme van Halsema en Pechtold zit maar een streepje licht. Maar hun achterban en partijcultuur verschillen te veel van elkaar.
Borst: 'We hebben een vaste aanhang van ongeveer tien procent en zijn vaak de tweede keuze, de één na beste keuze. In het algemeen geldt dat hoe meer fouten een grote partij maakt, hoe beter dat is voor ons. Een ervaringsfeit is ook dat regeren ons slecht doet voor het electoraat. Wij hebben idealen; we denken als een liberaal, we zijn vóór Europa, vóór nieuwe ideeën en vóór doorbraken in een politieke cultuur. Maar we zijn een partij zonder echte dogma’s. Vaak horen we dat we zwabberen van links naar rechts. Een rechte lijn naar voren is moeilijk, net als de vlucht van een kwikstaart zoals Van Mierlo het formuleerde. Ik zie nu wel dat er een volwassen partij in de startblokken staat.’

De professionaliseringsslag is gemaakt na het historische dieptepunt in 2006. De belabberde uitslag dwong d66 tot zelfreflectie over de eigen legitimatie. De partij kreeg bovendien nog maar weinig geld - dat is gerelateerd aan het aantal zetels - om zich staande te houden. De basis voor een nieuw partijprogramma ontstond derhalve in de achtertuin van huize Pechtold in Wageningen. Maar de totstandkoming verliep anders dan voorheen. Niet meer vanuit een kleine club binnen de partij. Het werd een proces met vele werkgroepen op deelonderwerpen. Mensen werden niet op lidmaatschap alléén maar op expertise en belangstelling uitgenodigd om mee te denken. In het colofon van het programmaboekje staan ruim honderd namen, waaronder Herman van Gunsteren, Frank Ankersmit en Paul Frissen. Het ideologische kernbegrip werd sociaal liberaal.
Joris Backer, voorzitter van de permanente programmacommissie, zegt: 'Iedereen zei dat het de laatste ronde zou zijn. Wij dachten: we beginnen opnieuw en komen goed terug. De kaalslag van de verkiezingen legde ons de plicht op om scherp te formuleren wat ons gedachtegoed is. De Europese verkiezingen dwongen dat verder af, want we werden onderdeel van de Internationale Liberalen. In dit proces hebben we de verworven rechten van mensen op bepaalde terreinen afgeschud. Het is meer vanuit een meritocratie verlopen. Open en betwistbaar, en dat gold voor de mensen, de organisatie en het hele pand. Maar we zijn hetzelfde gebleven in de zin van openheid, vrijzinnigheid en een sterke gerichtheid op de inhoud. Het was als de doorstart van een bedrijf.’
'We zijn geen beweging meer maar een echte partij’, zegt bestuurslid Marty Smits, die sinds drie jaar de portefeuille marketing en communicatie en ledenwerving beheert en nu zelf kandidaat is. Hij is in zijn dagelijks leven strategy consultant in Amsterdam. 'Vroeger werkten we aan onze eigen overbodigheid. Ook waren we in dezelfde valkuil gevallen als de pvda, namelijk de middelen verheffen tot een dogma, zoals het referendum. Nu zijn we hermetisch op de doelen maar open op de middelen. Soms is dat de markt en soms de overheid. Ik ben blij dat we die knop hebben omgezet. We komen uit een alfaklimaat, maar nu hebben we meer economen en is de harde analysekant doorgezet. Vroeger waren er meer bespiegelaars. Nu zijn er meer rekenaars. We durven explicieter te benoemen wat we hebben bereikt, zoals de euthanasiewet, slachtofferrechten, het homohuwelijk, duurzaamheid als politiek thema, de ecotaks, de mededinging. Bij deze verkiezingen trekken we weer als eerste aan de bel, zoals de hypotheekrenteaftrek loslaten, het verhogen van de aow-leeftijd en het flexibele ontslagrecht. Ons probleem is altijd dat we de beste mensen hebben met vernieuwende ideeën maar het niet goed electoraal weten uit te venten. Dat doen we nu anders.’
Smits praat en handelt als een marketingconsultant. In 2007 ging hij met een intern stuk, Klaar voor de klim, aan de slag. Hij werkte aan het herstijlen van De Democraat, aan het ontwerpen en invoeren van een nieuwe huis- en campagnestijl en aan het opzetten van ledenwerfactiviteiten, zoals bijvoorbeeld het proeflidmaatschap. Het ledenaantal groeide hard waardoor d66 meer dan verdubbelde. d66 leverde de webpoliticus van het jaar en kreeg de prijs voor de beste online campagne. En Smits stelde voor het eerst duidelijke doelgroepprofielen op.
Zoals: oudere echtparen als Netty & Peter of Rachid & Fatima, die volgens hem ook kruislings partners van elkaar zijn. Netty heeft het druk, ze is in de vijftig en maatschappelijk actief. Je komt haar tegen bij de bibliotheek. Ze kijkt met zorg naar de toekomst en naar de wereld. Ze wil een agenda die goed is voor haar kinderen en kleinkinderen. Peter is een gematigd type, werkt hard en wil ook tijd besteden aan zijn gezin.
Dan is er nog de werkende moeder, Merel, dertig jaar, getrouwd met Jort. Zij vertaalt politiek naar haar directe leefomgeving; groen, sport en school zijn heel belangrijk. Jort is een zzp'er of heeft een stevige baan, is ondernemend. Beiden willen daadkracht en zijn gericht op duurzaamheid. Ze zijn teleurgesteld in het politieke gehakketak, en de Haagse inconsistentie maakt voor hen politiek ongrijpbaar. Het type Martijn is een student die maatschappelijk betrokken en internationaal georiënteerd is. Zijn toekomst is weliswaar onzeker, maar hij denkt ook vanuit een lange-termijnperspectief. Hij heeft het druk en geen tijd voor idealistisch gepraat. Het liefst wil hij dat in 2050 alle fossiele brandstoffen de wereld uit zijn.
Smits legt de types uit met enige schroom, maar het is volgens hem nou eenmaal nodig om de kiezer minder abstract te maken. Hij zegt: 'Het activisme is voorbij. Het is tijd dat het bedrijfsleven het milieuprobleem gaat oplossen. Wij willen de kosten bij de vervuiler leggen, zoals vleestaks. Anders dan GroenLinks pleiten wij er niet voor om mensen te dwingen uit de auto te stappen, want dat is niet realistisch. We zoeken liever naar oplossingen in innovatie, zoals milieuvriendelijke auto’s ontwikkelen. Wij denken vanuit individuen, terwijl de pvda redeneert vanuit collectieven waar je als individu in wordt geperst. Wij zijn een progressieve macht in het midden, maar onze partijcultuur is gelijkwaardig en open.’
Hét verschil met de pvda illustreert hij door de manier waarop de sociaal-democraten tegen allochtonen aankijken: 'In onze partij zitten sinds kort veel jonge allochtonen. Ze zijn ondernemend, positief en sociaal ingesteld en hebben geen zin in de rol van zielig zijn. Daarom zijn ze lid geworden, niet omdat ze allochtoon zijn. Wij spreken hen niet aan op het allochtoon zijn. Op die manier zetten we de participatie van laagopgeleide allochtonen op de agenda. We geloven in de eigen kracht en gelijke kansen.’
Borst: 'Op onze congressen zie ik veel hoofddoeken lopen. Ik denk dan: mooi zo, dat is vanzelfsprekend aan het worden. Niet als excuusallochtoon maar gewoon meedoen. Net als vrouwen, die waren bij ons vanaf het begin actief in de top zonder dat we hardop het feminisme predikten. Het is nooit een club geweest waar een stel kerels het voor het zeggen heeft. Het spreekt voor ons vanzelf.’
d66 krijgt de kritiek dat ze te veel een partij is door en voor de hoogopgeleiden. Voor mensen die toch al veel kansen hebben is de leus 'vertrouw op de eigen kracht van mensen’ makkelijk. Dat is zeker niet voor iedereen weggelegd.
Smits: 'Maar dat klopt niet. De helft van ons electoraat is mbo of lager. Ons soort kiezer loopt wel voorop in het gebruik van nieuwsmedia en heeft een internationale blik op de samenleving.’
Ook Joris Backer, in het dagelijks leven directeur juridische zaken van Schiphol, deelt de kritiek niet dat d66 een elitaire partij is van uitsluitend academici: 'Dat zie je aan het type politicus en actief lid dat zich de laatste twee jaar heeft aangemeld. Veel zzp'ers, ondernemers en minder uit de traditionele groepen van overheid en de academisch wereld. Er is grotere sociale mobiliteit in de gelederen dan wordt gedacht. Zoals Frank van Mil, hoofd van ons kenniscentrum. Zijn moeder is werkster en zijn vader is arbeider. Zij voelen zich, net als ik, aangetrokken door de combinatie van vrij en sociaal.’
d66 zou te slap zijn - ook een veelgehoord geluid. Backer: 'Er wordt gezegd dat we zulke aardige mensen zijn die niet in staat zijn tot het afdwingen van de macht. Maar in tegenstelling tot de pvda gaan we niet uit van de collectiviteitsgedachte en hebben we geen strakke partijdiscipline. Zij zijn altijd bezig met de ongelijkheidsvraag in sociaal-economische termen, maar de partij is zelf heel hiërarchisch en autoritair. Bij ons moet je ook in je machtsuitoefening democratisch zijn. Een minderheid kan bij ons ook een meerderheid worden. De kwestie is: geef je leiding vanuit macht of kracht. Bij de grote partijen krijg je meer oefening in het machtsspel. Tegelijk zie je dat de kiezer afknapt op dat Haagse spel, wat ook heeft geleid tot een bepaalde omgang met de burger. Wij gaan wel meer Realpolitik bedrijven. We waren de grote winnaar van de gemeenteraadsverkiezingen en hebben nu meer wethouders in grote steden dan het cda. En verder moet je niet vergeten dat we altijd heel goede bewindslieden hebben voortgebracht.’
Eén daarvan was Els Borst, die na de succesvolle verkiezingen van 1994 natuurlijk geen weerstand kon bieden tegen Van Mierlo’s overredingskracht. Ze werd minister van Gezondheidszorg en later zijn opvolger als fractieleider. Als erelid bemoeit ze zich nog op afstand met d66: 'Het vrolijke amateurisme is voorbij. De geest is fris maar de gelederen zijn geprofessionaliseerd. Het gaat niet alleen meer over de non-materiële thematiek, hoewel zaken als uit vrije wil kunnen sterven nog steeds vanuit onze vrijzinnigheid hoog op de agenda staan. Je wordt lid van een partij vanwege de ideologie maar minstens zo belangrijk zijn de cultuur en de mensen. De gezichten die je ziet, de sfeer. Zoals bij alle partijen gaat het ook om de nestgeur. Géén machocultuur. Wat ik nu aan jonge honden zie stemt me optimistisch.’