1 Mei Parade op het Rode Plein. Moskou, jaren zeventig © Valentin Kunov / ITAR-TASS / Getty Images

In het academisch jaar 1975-1976 kreeg ik in het kader van een uitwisselingsovereenkomst tussen de ministeries van Onderwijs van Joegoslavië en de Sovjet-Unie een beurs om in Moskou te studeren. De meeste belangstelling voor zo’n studiebeurs hadden jonge pianisten (zoals de beroemde Ivo Pogorelic), aankomende balletdansers en -danseressen en wiskundestudenten. Ik ging erheen om in de bibliotheken van Moskou en Leningrad gegevens te verzamelen over de Russische avantgardeschrijver Boris Pilnjak. Toen ik naar Moskou ging, was de Russische avantgardeliteratuur, ondanks de ingezette politieke ‘dooi’ en de officiële rehabilitatie van talloze avantgardekunstenaars die het slachtoffer van Stalins zuiveringen waren geworden, nog een ‘diepgevroren’ gebied. De politieke verschillen tussen Tito en Stalin en de betrekkingen tussen beide leiders waren bepalend voor het leven van mijn ouders, en dus ook voor dat van mij, maar toch had ik daar weinig belangstelling voor. Mijn moeder was geboren in Bulgarije en kwam vlak na de Tweede Wereldoorlog naar Joegoslavië, een land dat door een besluit van het Informbureau (1948-1955) uit het communistische blok werd verstoten, wat maakte dat zij ook bijna als een verstotene leefde. Pas na tien jaar, toen Bulgarije en Joegoslavië diplomatieke betrekkingen aanknoopten, kon ze haar familieleden bezoeken.

Hoe nauw ook met dit verhaal verbonden, het ‘politieke’ aspect daarvan wekte mijn belangstelling pas toen ik in Moskou was. Daardoor verwierf ik mijn kennis en ervaring op dat gebied zonder enig systeem – chaotisch en aan de hand van de details die ik toevallig oppikte. Ik leerde alles uit de eerste hand kennen: geuren en smaken, tonen en klanken, blikken, grimassen, beelden, tics, straattaferelen… Ik absorbeerde de omgeving door mijn eigen huid, niet gehinderd door feitenkennis, andermans verhalen en eerdere ervaringen. Ja, ik was brutaal en ondernemend, maar voelde me niet geroepen om na te denken over de redenen waarom ik dat was… Want net als de studenten uit de westerse landen werd ik beschermd door een nietig, bijna triviaal en tegelijk zo oppermachtig document: mijn paspoort.

Tijdens een wandeling kwam ik terecht op het Rode Plein. Het was 1 mei en op het plein werd de befaamde 1 Mei Parade gehouden. Voor mij was het, anders dan voor mijn medestudenten uit westerse landen, politiek en esthetisch gezien geen exotisch schouwspel, want Tito was dol op soortgelijke spektakels. Toch vond ik het heel opwindend, wat ik zag. Over het plein marcheerden soldaten die bij elke pas hun benen hoog ophieven, en traag voortkruipend, als schildpadden, trok een processie van tanks voorbij. Op de tribunes stonden de vele leden van de politieke en militaire elite opgesteld, met op hun borst, schitterend als zwermen vuurvliegjes, hun medailles.

Op het plein verdrongen zich massaal de toeschouwers. Deze massieve militaristische choreografie werkte angstwekkend en surrealistisch, maar had ook iets kinderlijks, alsof er geen echte militairen, maar tinnen soldaatjes voorbij marcheerden. De soldaten contrasteerden in alle opzichten met de overal aanwezige bonte bloemenpracht. Want uit de openingen van de tanks staken de hoofden van de bemanning naar buiten en naast elk hoofd ‘bloeide’ een enorme bloem op een lange steel van ijzerdraad. De toeschouwers zwaaiden met net zulke bloemen naar de parade en ook die zaten aan zo’n steel van ijzerdraad, waardoor de mensen er kleiner uitzagen dan ze waren. Het beeld van al die bloemen was me welbekend en deed me denken aan de kinderparades uit mijn jeugd, die ‘bloemencorso’s’ werden genoemd. Als leerlingen van de basisschool marcheerden wij door onze kleine stad, en voor vertrek hadden we ons netjes in rijen van vier opgesteld, als bloemen in een keurig aangelegd perkje. Ik weet nog dat wij, de meisjes, tijdens een van die parades rode rokjes en hoedjes droegen. We waren papavers. Onze rokjes waren allemaal van hetzelfde, goed plooibare crêpepapier gemaakt.

Dat beeld haalde als een sterke magneet een ander fragment naar boven, en het leek wel van een andere planeet te komen. Het was afkomstig uit het boek De tovenaar uit de smaragdgroene stad, of in de taal van de Russische schrijver, A. M. Volkov: Volsjebnik izoemroednogo goroda. Het was verschenen in 1939. Door de herinnering aan dat eerste kinderboek sloop die aan een soortgelijk boek, The Wonderful Wizard of Oz, dat in 1900 was geschreven door Lyman F. Baum. Deze associatie was goed verklaarbaar: de sovjetautoriteiten hadden de gewoonte om elk buitenlands boek volgens de ideologische regels van het land te laten bewerken en op het omslag een Rus als auteur te vermelden. Zo kwam het dat er van de door A.M. Volkov geschreven en gecensureerde versie van dat boek in Joegoslavië een vertaling verscheen. Het was pas dankzij de verfilming van Baums boek, The Wizard of Oz uit 1939 van Victor Fleming, dat ook in de Oost-Europese landen duidelijk werd van wie het verhaal eigenlijk was.

Ik had op dat moment – in Moskou, op 1 mei 1976 – zelf ook het gevoel dat ik niet meer wist hoe ik heette, wat voor weer en hoe laat het was, in welke streek en in welk land ik me bevond, welke ervaringen en cultuur de mensen daar hadden en op wat voor planeet alles zich afspeelde. Ik was omringd door lieve, kleine, bonte kaboutertjes en kijk, even later zou ik me samen met mijn trouwe metgezellen over de met gele stenen geplaveide weg naar Oz begeven, waar de beroemde tovenaar heerste die me weer naar huis zou brengen, in Kansas…

Ik vroeg me af waarom de parade op het Rode Plein me zo onverwacht deed denken aan de met gele stenen geplaveide weg die naar Oz voert. En of ik van al die honderdduizenden mensen op het Rode Plein de enige was die dit politieke spektakel van machtsvertoon interpreteerde als een kindersprookje, of die een sprookje interpreteerde als een spektakel van politiek machtsvertoon, waarin een klein groepje – het meisje Dorothy Gale, de hond Toto en hun trouwe metgezellen de vogelverschrikker, de tinnen man en de bange leeuw – op zoek gaan naar verstand, een hart, moed en de weg terug naar huis. Verstand, hart, moed en huis.

De ontwikkeling van dit kinderverhaal tot een alom bekende megatekst begon in 1900, toen het boek van Baum voor het eerst verscheen. Het was echter te danken aan de eerste verfilming, in 1939, dat deze tekst naar de tekstuele wereldcanon werd gelanceerd en in een baan terechtkwam waar niet veel van dergelijke teksten te vinden zijn. Voor de christelijke beschaving is de belangrijkste megatekst in dat genre de bijbel. Het komt niet alleen door de vele versies van The Wizard of Oz, verfilmd of anderszins, dat de positie van deze sprookjesgeschiedenis telkens herbevestigd werd. Ook is dat niet louter te danken aan de gigantische industrie die na het succes van de film om het verhaal heen ontstond, en ook de officiële canonisering van The Wizard of Oz van hogerhand, namelijk door de Amerikaanse Library of Congress, die het verhaal uitriep tot het ‘allerbeste en populairste Amerikaanse sprookje’ en roemde als ‘de meest bekeken film uit de filmgeschiedenis’ kan niet als doorslaggevende factor worden genoemd.

Dat The Wizard een unieke vorm van de bijbel werd, kwam waarschijnlijk ook niet doordat er aanwijzingen zijn dat het land Oz zijn naam te danken heeft aan het bijbelse land Us, want er zijn miljoenen mensen die met het verhaal vertrouwd raakten zonder ooit een regel uit de bijbel te hebben gelezen. Nee, het verhaal appelleerde gewoon aan een algemeen bestaand gevoel, en zo is te verklaren dat veruit de meeste mensen op deze wereld een figuur als Donald Trump zagen als een wizard zoals Baum die beschreef, als een bedrieger, leugenaar, knoeier, valsspeler en dilettant, als een min of meer gevaarlijke oplichter, zonder dat ze daarvoor eerst The Wonderful Wizard of Oz hadden geraadpleegd.

Sovjetautoriteiten hadden de gewoonte om op elk buitenlands boek een Rus als auteur te vermelden

Waarom heeft dan niemand meteen met een ruk het gordijn opengedaan en de bedrieger ontmaskerd? Het hondje Toto deed dat wel, en daarmee maakte het een einde aan de mystificatie. Is zo’n hondje echt zo veel slimmer dan wij, mensen? Een hond volgt zijn instinct, wij volgen ons geloof. Een hond kent geen utopieën, hij koestert geen dromen over een Kluivenlekkerland.

Wij hunkeren naar een utopie in het leven van alledag. Wij zijn aan utopieën verslaafd – utopia-addicted. En tijdens onze zoektocht daarnaar lopen we elke keer met ons hoofd tegen de muur en elke keer maken we de verkeerde keuze. We gaan op weg in de overtuiging dat we in Oz zullen aankomen en daar verstand, een hart, moed en een huis zullen vinden, maar elke keer stuiten we op een tovenaar die niet meer blijkt dan een beunhaas, een dilettant. En wat nog erger is: ook al heeft Toto het gordijn opengedaan om ons duidelijk te maken dat er bedrog in het spel is, toch nemen wij van de bedrieger dankbaar een vervalst academisch diploma in ontvangst waaruit moet blijken dat we in ons hoofd geen zaagsel maar hersenen hebben zitten, en in onze borst een echt hart en niet een van plastic. Vol trots nemen we een klatergouden medaille in ontvangst die voor iedereen het bewijs is van hoe dapper we zijn.

Hadden we ook anders gekund?

Misschien niet. Wie zal het zeggen, misschien gedragen we ons volgens een oud stramien, volgens een archetype. Misschien zijn we alleen ontvankelijk voor een mythische manier van denken, en kennen of herkennen we geen andere. Misschien kan die tovenaar, of bedrieger, niet uit zijn huid kruipen omdat in een oeroude blauwdruk is vastgelegd dat het zijn roeping is om ons te bedriegen.

Zijn leiders als Stalin en Hitler ook geen tovenaars van Oz? Is Zeus geen tovenaar van Oz? En is God zelf, die de wereld in nog geen zeven dagen in elkaar heeft geknutseld, met daarin, naar zijn beeld en gelijkenis, de mens, geen tovenaar van Oz? En is Jezus Christus – die uit de doden is opgestaan, over water kon lopen en met één vis miljoenen mensen te eten gaf – niet een van de grootste tovenaars-bedrieger? En is zijn moeder – de Moeder Gods, die de truc van de onbevlekte ontvangenis beheerst en toelaat dat we ons in zonden wentelen – niet een grote tovenares die haar machtige genen aan haar zoon doorgaf? En door wie werd wat geschapen: onze sprookjes door ons of wij door onze sprookjes? Zijn onze memen, onze culturele genen, die in het ontstaan en verval van onze beschaving zo’n belangrijke rol spelen en ons maken tot wie we zijn, echt zo onveranderlijk? Is Kim Kardashian, die ons vermaakt met haar maniertjes om steeds dikkere billen en een steeds slanker middel te krijgen, en die met haar ogen zo kan knipperen dat haar wimpers als waaiers kunnen dienen, niet onze moderne Moeder Gods? We zitten voor de televisie als voor een kerkaltaar, volledig gehypnotiseerd en bereid haar te volgen en te aanbidden.

Het personage Dorothy op de Yellow Brick Road in het Land van Oz, een themapark in Beech Mountain, North Carolina © Carol Highsmith / Library of Congress

Waar ligt het land Oz eigenlijk? En waar is ons huis? Wat is ons echte adres? Waar komen we vandaan en waar gaan we naartoe? Waar zijn onze landkaarten? Waarom blijven we zo vasthoudend de met gele stenen geplaveide weg volgen? Is er geen andere? Wie heeft ons verteld dat we deze weg moesten nemen? De kabouters misschien?

Als we op zondag niet voor de lokale verkiezingen naar de stembus zouden gaan maar met onze kinderen een kijkje in een sterrenwacht gingen nemen, zouden we een blik kunnen werpen op een kaart die we maar zelden bestuderen. We wonen op een klein, onbetekenend bolletje. Dat is ons huis. We zweven tussen bolletjes die daarop lijken. Sommige groter, andere kleiner. Sommige in het centrum, andere aan de periferie. Wij bevinden ons aan de periferie, we wonen op een afgelegen (zwart-witte) farm, in een land achter gods rug, in een kosmisch Kansas.

Onze kaarten zijn op mythen gebaseerd. Dat verklaart misschien onze koppige geneigdheid om onder het dak van een van de grote religieuze, politieke, sociale en culturele systemen beschutting te zoeken. Op zoek naar het land Oz volgen we de oude, door ontelbare voetstappen uitgetreden en met gele stenen geplaveide weg. En daarbij vluchten we voor ons eigen spiegelbeeld als de duivel voor de geur van wierook.

Mark Zuckerberg, The Wizard of Cyberspace, opent een posthumane speelplaats voor volwassenen

We wachten op een antwo ord dat niet komt, want misschien hebben we niet de juiste vragen gesteld. Willen wij, Europeanen, bijvoorbeeld eindigen in ministaatjes, zoals gesuggereerd wordt in de goedkope Netflix-serie Tribes of Europe, die overigens begint met beelden die werden opgenomen op het grondgebied van het moderne Atlantis – het verdwenen Joegoslavië? Als symbool van vernietiging of zelfvernietiging diende het verwoeste Monument voor de opstand van de bevolking van Banija en Kordun van Vojin Bakic op de berg Petrova Gora, een van de laatste voorbeelden van het Joegoslavische modernisme. Het populisme, tegenwoordig de leidende trend, laat standbeelden van zijn stamhoofden achter. De inwoners van Banija en Kordun, van wie na Tweede Wereldoorlog en de afgelopen oorlog, dus die van 1991-1995, een groot deel vrijwillig of gedwongen was weggetrokken, worden in ballingschap opnieuw getroffen door schokkende gebeurtenissen, zoals de pandemie en schrijnende armoede. In dit geval is er zelfs sprake van een ‘natuurlijke’ dus kosteloze postapocalyptische enscenering. Misschien zal de nieuwe Europese politieke en maatschappelijke orde neerkomen op een terugkeer van Europa naar een (beter?) tribaal verleden.

Heeft de digitale revolutie tot een reset van ons dna en onze culturele genen geleid en ons nieuwe perspectieven en betrouwbaardere voorbeelden opgeleverd, of juist niet? Ligt het verleidelijke Oz niet verborgen in een zone voorbij de waarheid – in een post-truth die tot de basisstrategie van elke tovenaar behoort? Heeft het internet – met zijn goedkope, voor iedereen toegankelijke technologische trucs en spelletjes – voor ons niet de deuren geopend naar een nieuwe politieke constellatie, naar een spektakelmaatschappij (zoals Guy Debord het ongeveer vijftien jaar geleden formuleerde) of een ‘spektakelcultuur’ (zoals Mario Vargas Llosa het onlangs nog noemde)? Is dat ‘spektakel’, de nieuwe maatschappelijke en politieke orde die door Dorothy, als ze Toto probeert te troosten, als ‘probleemloos’ wordt omschreven, dan misschien het land ‘achter de regenboog’, ‘voorbij de maan’ of ‘achter de regen’?

En hebben wij – barbaren met een op mythologie gebaseerde manier van denken – uiteindelijk niet een hoogtechnologische beschaving geschapen waar we met onze infantiele geest geen controle meer over hebben? Zullen we terugkeren naar een stammensamenleving of zullen we opnieuw op zoek gaan naar Oz? Zullen we ons daarvoor moeten aanpassen en heruitvinden als nieuwe mensen die de ons gestelde opgave aankunnen? En als dat niet realiseerbaar blijkt, zullen we dan de hulp inroepen van bedriegers, leugenaars, knoeiers en valsspelers – van nieuwe, transhumane tovenaars?

Mark Zuckerberg, The Wizard of Cyberspace, biedt ons een nieuw metaplatform, een ‘probleemloos’ gebied ‘achter de regenboog’, ‘voorbij de maan’ of ‘achter de regen’. Hij, een van de rijkste en dus machtigste charlatans ter wereld, belooft dat hij in plaats van zijn Facebook-pagina een ‘Disneyland’ zal openen, een nieuwe, posthumane speelplaats voor volwassenen. Daar zullen we een parallel leven leiden, een second life. Daarvoor hoeven we slechts de met gele stenen geplaveide cyberweg te bewandelen.

Elon Musk, volgens Time Magazine de persoon van het jaar 2021, een showman, visionair, clown, genie, zakenmagnaat en Minister of Magic, legde een met gele stenen geplaveide weg aan richting de kosmos. Want dat is waar het land Oz volgens hem ligt. Een andere financiële ‘goochelaar’, de nog rijkere Jeff Bezos, kon niet achterblijven en besloot hetzelfde te doen. Hij beaamt niet alleen dat Oz in de kosmos is gelegen, maar garandeert ook een volledig verzorgde reis voor elke gegadigde die bereid is om twee- of driehonderdduizend dollar voor een ticket neer te tellen.

Terwijl onze infantiele tovenaars, die op zowel mondiaal als regionaal niveau een absolute macht over ons bezitten, op dit moment bezig zijn een kosmische weg naar het mythische Oz aan te leggen, ploeteren ongeveer tachtig miljoen aardbewoners voort over wegen die met gele modder zijn bedekt, maar wie weet wel naar Oz leiden, waar ze verstand, een hart, moed en eventueel ook een huis zullen vinden – precies wat ze allemaal hebben verloren. Veel van hen komen onderweg om, anderen geven hun pogingen op om de hindernissen die ze onderweg tegenkomen te overwinnen, terwijl een groot aantal van hen niet eens weet waar Oz ligt en wat het is.

In ieder geval ligt het land Oz niet in West-Europa. Europa verspert miljoenen vluchtelingen de weg naar zijn grondgebied. En terwijl de Boze Heks van het Westen met een legertje van gevleugelde apen haar grondgebied verdedigt, beschermt West-Europa zijn grenzen door de inzet van zogeheten ‘politiehonden’ – van Poolse, Hongaarse of Kroatische signatuur… Al sinds de Middeleeuwen rechtvaardigen alle politiehonden hun meedogenloze optreden door te verwijzen naar de dreigende invasie van symbolische ‘ratten’ (voor de Kroaten zijn dat de Serviërs), ‘joden’, ‘zigeuners’, ‘negers’ of ‘vluchtelingen’ – die in deze tijd van politieke correctheid people on the move worden genoemd… Als Dorothy uit het kleurrijke Oz in het zwart-witte Kansas terugkomt, spreekt ze de leugenachtige, maar inmiddels gevleugelde woorden: ‘There’s no place like home.’

En toch is het waar: there’s no place like home, al was het maar omdat er geen huis meer is. Hoe kunnen we tegenwoordig, in een posthumane samenleving, verwachten dat menselijke begrippen als verstand, een hart, moed en een huis voor nieuwe mensen zoals wij nog enige betekenis hebben? De mensen uit het posthumane tijdperk knielen in aanbidding voor hun posthumane valsspelers, charlatans en ‘tovenaars’, die in ons de hoop levend houden dat Oz werkelijk bestaat. We zijn allemaal van spelers veranderd in speelgoed. En alles mag tot stilstand komen, alleen het spel niet.

Dubravka Ugresic is schrijfster en letterkundige. Ze verliet haar vaderland Joegoslavië in 1991 toen daar de oorlog uitbrak en woont inmiddels 25 jaar in Amsterdam. In februari verschijnt een nieuwe uitgave van haar boek Museum van onvoorwaardelijke overgave, dat 25 jaar geleden voor het eerst verscheen in Nederland (en pas zeven jaar later in Kroatië)

Vertaling: Roel Schuyt