De metamuziek van skrjabin

Het Schonberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw speelt (piano)werken van Skrjabin die door componisten uit binnen- en buitenland voor ensemble zijn bewerkt. 18 september in Muziekcentrum Enschede, 20 september in Paradiso, Amsterdam.
Hij was een neuroot die zich verloor in chaotische filosofieen. Toch schiep componist Alexander Skrjabin een oeuvre als een juwelencassette, waarin verfijnde miniaturen schitteren naast grillige sonates. Deze maand wordt zijn werk opgevoerd in Nederland.

‘IK MAAK MIJN geschiedenis, de geschiedenis van de wereld, de geschiedenis van het universum. Ik ben, en buiten mij bestaat niets. Ik ben niets, ik ben alles, ik ben de enige en in mij verenigt zich de verscheidenheid’, noteerde de Russische pianist/componist Alexander Skrjabin in zijn dagboek. 'Ik wil leven. Ik ben het vibrerende leven, ik ben het verlangen, ik ben de droom. Totdat ik mijzelf verlies, totdat ik verga. Ik ben vuur, ik ben chaos.’
Skrjabin, die in 1915 op 43-jarige leeftijd aan bloedvergiftiging overleed, is de geschiedenis ingegaan als een excentriekeling. Terecht. Heen en weer geslingerd tussen een alles verterend minderwaardigheidsgevoel en de opperste grootheidswaanzin, klampte hij zich vast aan zelfgefabriceerde levensfilosofieen die een mengelmoesje van samengeharkte denkbeelden vormden.
'Dikwijls maakte hij met mijn vader een wandeling langs de Warschau-chaussee die onze wijk doorsneed’, memoreert de schrijver Boris Pasternak die als kind naast de Skrjabins woonde en zijn hele leven een vurig bewonderaar van de componist is gebleven. 'Skrjabin hield ervan flink de pas erin te zetten en daarbij, voortgestuwd door de kracht van de inertie, kleine sprongetjes te maken op de manier van een ricocherend steentje dat in huppelende sprongetjes over het water wordt gekeild. Het leek niet veel te schelen of hij maakte zich van de aardbodem los en zweefde door het luchtruim. Hij debatteerde met mijn vader over het leven, de kunst, over goed en kwaad, ging tegen Tolstoj tekeer, predikte de Ubermensch, het amoralisme en nietzscheaanse ideeen.’
OVER DE OORZAAK van Skrjabins geexalteerde geestesleven lopen de meningen uiteen. De auteur Sigfried Schlibi houdt het op zijn kinderjaren, die in het teken stonden van het voortijdig overlijden van zijn moeder, een begaafd pianiste. Skrjabin werd opgevoed door een tante en Schlibi vermoedt dat 'door de directe omgeving extreme aanspraken op het kind gemaakt zijn’. Het verdriet om zijn moeder projecteerde het kind op zijn piano, die 'hij ’s avonds voor het slapen gaan als een geliefde omarmde’. En zo ontwikkelde Skrjabin zich tot een narcistische persoonlijkheid die zichzelf als middelpunt van de wereld beschouwde en gevangen bleef 'in een symbiotische relatie met de moeder, zelfs met de hele wereld’.
Boris Pasternak blijft wat dichter bij huis: 'Skrjabins opvattingen over de Ubermensch sproten voort uit een typisch Russische hang naar het maximale. Want zo was het, niet alleen moest de muziek een metamuziek zijn om iets te betekenen, maar alles ter wereld moest zichzelf overtreffen om zichzelf te zijn. De mens en elk optreden van de mens moesten een element van oneindigheid in zich dragen om aan het verschijnsel echtheid en karakter te verlenen.’
Daarnaast moet in aanmerking worden genomen dat het in die tijd in Moskou wemelde van de religieus-mystieke sekten die elkaar overtroffen in obscuriteit. Skrjabin volgde de symbolistische dichters van vrij nabij, hij was een tijdlang lid van de Filosofische Societeit in Moskou en Georgi Plechanov liet hem kennis maken met het historisch-materialisme, waarop de componist zich in de eerste hoofdstukken van Das Kapital verdiepte. De grootste invloed op zijn denken hadden echter de theosofische traktaten van madame Blavatsky, waar een Parijse vriend hem op attendeerde nadat Skrjabin hem over zijn visioenen van zijn compositie Mysterium had verteld.
Skrjabin verslond alles wat op theosofisch terrein verscheen, om dit vervolgens op hoogstpersoonlijke wijze te interpreteren. Zo memoreert zijn zwager Boris de Schloezer in een biografie over Skrjabin, dat deze hem ooit een verhandeling van eigen hand liet lezen, waaruit bleek dat Skrjabin maar zijdelings iets had begrepen van het theosofisch gedachtengoed. 'Hij paste het aan aan zijn eigen ideeen, aspiraties en verlangens en gebruikte theosofische stellingen als formules om zijn eigen ervaringen te beschrijven.’
Het centrale thema in Skrjabins eigen denken was zijn visioen van eenheid, een Goddelijke Eenheid - wat niet verwonderlijk is gezien de innerlijke verscheurdheid die hij in het dagelijks leven ervoer. Dit idee bouwde hij uit tot een grootse theorie over het heelal en de geschiedenis, waarin voor hemzelf een belangrijke taak was weggelegd. Een vreemde mengeling van nihilisme en idealisme deed hem geloven in een allesvernietigende apocalyps, waarna de wereld op een hoger niveau de draad weer zou oppakken. Dit moment van vernietiging zou de uiteindelijke extase betekenen, waar alle handelen op gericht moet zijn. 'De aard van het leven is het streven naar iets anders, iets nieuws. Werkzaamheid betekent opbloei van het leven. Bloei gaat op zijn hoogtepunt over in extase. Het absolute zijn is extase.’ Aldus de componist in zijn toelichting op zijn orkestwerk Poeme de l'extase.
Zo was zijn hele leven een aanloop om uiteindelijk op te gaan in het Het, het Niets, het Alles, het Absolute, het Unieke, het Oneindige en op dat moment de Universele Extase te ervaren. 'Hij beschouwde zichzelf als een actieve deelnemer in de slotakte van het werelddrama’, schrijft Boris de Schloezer, zonder deze rol nader te specificeren. 'En hij was ervan overtuigd dat zijn verlangen naar deze uiteindelijke vervulling de gebeurtenissen zou versnellen.’ Tot op zijn sterfbed zou de componist echter tevergeefs wachten op het einde der tijden.
HET SPREEKT VANZELF dat in Skrjabins werk dezelfde preoccupaties zijn terug te vinden. 'De verwachtingen voor de toekomst doen mij leven’, zei hij ooit. In de praktijk betekende dit dat hij in een koortsachtig tempo werkte en van zichzelf eiste dat elke compositie de voorgaande zou overtreffen - met als uiteindelijk doel een uniek meesterwerk. Zo beschouwde hij zijn hele oeuvre als een work-in- progress waar een hoge mate van rationaliteit aan ten grondslag lag. Hij was een groot bewonderaar van Wagner, maar raakte nogal gedesillusioneerd toen hij in een biografie las dat Wagner zich soms liet beinvloeden door externe omstandigheden: 'Ik heb altijd gedacht dat Wagner precies wist wat hij wilde.’
Onmiskenbaar zijn er overeenkomsten tussen Skrjabin en Wagner. Maar waar Wagner zijn megalomane dromen goeddeels in vervulling zag gaan, heeft Skrjabin zich met zijn fantasieen moeten behelpen. Overigens was hij van mening dat Wagners concept van een Gesamtkunstwerk in het niet viel bij zijn eigen voorstelling van de volmaakte artistieke synesthesie, waarin klank, kleur, reuk en tastzin de toeschouwer in een grote duizelingwekkende werveling zou meevoeren. In Mysterium, dat uiteraard de Ultieme Extase tot onderwerp had, hoopte hij dit visioen te verwezenlijken maar hij is nooit verder gekomen dan schetsen voor de Acte prealable. Een vingeroefening vormde het orkestwerk Prometheus, waar hij een lichtorgel voor ontwierp, maar daarvan zijn - aangezien Skrjabin nauwelijks iets opschreef - niet meer dan wat vage ideeen overgeleverd. Recente plannen om Prometheus te reconstrueren heeft dan ook onmiddellijk geresulteerd in twee rivaliserende kampen, die beide met respectievelijk het Noordhollands Philharmonisch en het Residentie Orkest een eigen versie zullen brengen.
Gezien Skrjabins eigenlijke ambities is het oeuvre voor piano dat hij heeft nagelaten een magere oogst. Los van die context moet het echter als een kist sieraden worden beschouwd. Juweeltjes van miniaturen (de vele preludes) en lijviger stukken (sonates), die met hun vreemdgekleurde harmonieen, grillige contrapunt en nogal abstracte gedachtengang een heel eigen wereld creeren. In de felheid en gedrevenheid herken je de componist die zichzelf profetische gaven heeft toegedicht en die elke adempauze benut als een reculer pour mieux sauter.
Het beroemde Prometheus-akkoord ten slotte symboliseert wellicht het beste Skrjabins ideeen over eenheid. Dit 'mystieke’ akkoord is opgebouwd uit een reeks noten die als melodie kunnen fungeren of, tegelijk aangeslagen, als akkoord. 'De melodie is een gedesintegreerde harmonie en de harmonie is een verdichte melodie’, meldde de componist trots. WAAR SKRJABIN als componist een respectabele nalatenschap op zijn naam heeft staan, liet hij als denker een dubieus brouwsel na van persoonlijke neurosen en in die tijd in zwang zijnde occulte filosofieen. Toch maakte hij op de mensen om hem heen een grote indruk. Pasternak beschouwde zijn vriendschap met Skrjabin als een van de waardevolste in zijn leven, en ook zijn dochter Marina Skrjabin steekt in haar inleiding tot Schloezers biografie haar bewondering niet onder stoelen of banken. Zelf lijkt ze overigens ook een aardige tik van de molen te hebben meegekregen: ze besluit haar introductie met een uitgebreide horoscoop die aantoont welk een buitengewoon palet aan eigenschappen haar vader in zich verenigde.