De methode-bogaers

Tweemaal vond hij de Ombudsman aan zijn zijde. Maar ook zonder diens steun weet hij precies wat er niet deugt in de vluchtelingenopvang. Vreemdelingenadvocaat Pieter Bogaers over zijn woede en walging: ‘Je hebt overheid en onderheid.’
HET KOMT VOORT uit een afkeer van schijnheiligheid. Woede over onrecht. Ook zijn vader wist dat dingen niet klopten, waarop zijn moeder dan zei: ‘Jongen, zeg het hardop, zeg wat je te vertellen hebt.’

Zijn vader was KVP-minister in het kabinet-Cals en medeoprichter van de Politieke Partij Radikalen (PPR). Hij kon als minister terugkomen in het volgende kabinet, ‘maar naar eer en geweten was dat niet te handhaven’, verzekert zoon Pieter Bogaers thuis in Bussum-Zuid.
Pieter Bogaers (Laren, 1951) is ondubbelzinnig in zijn oordelen, duidelijk en recht voor zijn raap. 'In Nederland wordt alles toegedekt, er bestaan geen debatten die gekleurd worden door emotionaliteit. We leven in een land waar men meer vrienden wil hebben dan vijanden. Het gaat om carrière en macht. Ik ben niet bereid daaraan mee te werken.’
Hij woont in een rijtjeswoning aan een woonerf, met zijn vrouw en drie kinderen. In de woonkamer een tafel, een stereotoren, een piano en speelgoed. Niets bijzonders. 'Eerlijk, redelijk en reëel: ooit spraken we af dat dat belangrijke kenmerken zijn’, vertelde zijn tweelingbroer Gerrit, tevens advocaat. 'We waren zeventien toen. Hij houdt zich daar nog steeds aan en ik vind dat uitstekend.’ Ze maakten de afspraak in 1968, het jaar waarin hun vader zich als christen-radicaal ontpopte en de PPR oprichtte. Pieter was bij het oprichtingscongres en wist daarna één ding zeker: dat nooit. 'Dat geslijm en dat gekwijl en doen alsof je belangrijk bent. Je profileren in een bepaalde richting, daar heb ik een bloedhekel aan. Geitewollen sokken aantrekken en zeggen dat je bioloog bent. Vreemdelingenrecht studeren en zeggen dat je een perfect mens bent. Allemaal flauwekul.’
BOGAERS DROEG geen geitewollen sokken toen hij in 1978 cum laude afstudeerde in de biologie (planten- en vegetatiekunde). Hij wist niets van vreemdelingenrecht toen hij in 1985 de meesterstitel verkreeg en zijn entree maakte bij Bos-Veterman, Van As & De Vries advocaten in Nieuwegein. Het advocatenkantoor stond bekend als 'vriend van de Marokkanen’. Er liepen veel asielzaken die door de nieuwe kantoorgenoot moesten worden overgenomen.
Sindsdien hielp de energieke bioloog-advocaat ruim vierhonderd door het ambtsapparaat afgewezen vluchtelingen alsnog aan een verblijfstitel. In het leger van ongeveer vierhonderdvijftig advocaten die zich actief bezighouden met asielzaken, ontpopte hij zich als de meest spraakmakende. Boris Dittrich, Tweede-Kamerlid voor D66 en voormalig rechter, herinnert zich een optreden van Bogaers in het Amsterdamse politiek-culturele centrum De Balie: 'Hij stond op en begon een verhaal: “Wat een gelul hier.” Een vlammend betoog waarin hij iedereen - rechters, advocaten, Buitenlandse Zaken en Justitie - van gesjoemel beschuldigde. Bogaers is een van de weinige vreemdelingenadvocaten die met zo veel hart voor de zaak zo veel structurele dingen doen.’
Geconfronteerd met zijn tirade in De Balie zegt Bogaers: 'Je zag de angst op hun gezichten, ze waren helemaal verkrampt. Men weigert het eenvoudigweg te begrijpen en dat is pure moedwil. Ze zijn bang voor hun banen. Op het moment dat ik diplomatiek word, gaat het mis. Dan is er niemand meer die nog eens denkt: goh, misschien heeft hij wel gelijk. Dan word ik ook zo'n platgeslagen zak en lopen ze dwars over je heen.’
Dat mag niet en zal ook niet gebeuren, verzekert hij. Ziedend kan hij worden over de wijze waarop Nederland de gevluchte medemens bejegent. 'Je wordt niet als vluchteling geboren. Daarom heeft Nederland de verplichting die mensen te horen. Die ander verdient respect. Maar het uitgangspunt bij justitie is dat die ander liegt. Men levert half werk, net als bij Buitenlandse Zaken. En ook veel van mijn collega’s maken zich daar schuldig aan. Dat is gevaarlijk, want potentieel dodelijk. Men is ambtelijk bezig en heeft niet in de gaten dat het om mensen gaat. Ik walg daarvan. Het boezemt me angst in. Angst voor wat er met mijn cliënten zal gebeuren als ze ongelijk krijgen terwijl ik wéét dat ze gelijk hebben. Walging omdat ik na elf jaar advocatuur elke keer als het om ambtenarij gaat, moet constateren dat er niet geluisterd wordt naar individuen. Hun wordt geen respect betoond.’
HIJ STAAT EROM bekend dat wanneer een asielzoeker aan zijn tafel verschijnt, deze zeker de volgende dertien uur nog niet van hem af is. Complete biografieën tekent hij op. Woord voor woord. Waar dat nodig is, schroomt hij niet de dossiers te sturen aan betrokken politici, VluchtelingenWerk en Amnesty International.
'Mijn methode is erop gericht te begrijpen hoe de sociale, familiale en maatschappelijke context is waarbinnen dat individu zich heeft ontwikkeld. Daar moet je als advocaat toch in geïnteresseerd zijn: hoe werkt macht. Hoe heeft dat net zich om die ander heen gespannen, waardoor wist hij op een gegeven moment dat hij een vijand is van zijn eigen overheid? De dynamiek van zo'n proces moet je willen begrijpen.’
René Bruin van de afdeling Vluchtelingen van Amnesty denkt er het zijne van. 'Soms krijg je 24 pagina’s op je bord waarvan de eerste twintig niet interessant zijn. Die gaan niet over politieke activiteiten, maar zijn een familierelaas. Daar zit wel eens een schakel tussen waarvan wij zeggen: nou even die vertaalslag maken.’
De plaatsvervangend voorzitter van de vreemdelingensectie van het kantoor van de landsadvocaat Pels, Rijken & Drooglever Fortuijn, Gerrit Hoogvliet, oordeelt milder. 'Bogaers is veel persoonlijker betrokken bij de zaken die hij behandelt dan veel andere advocaten. Ik zou hem dat niet euvel willen duiden. Meer asieladvocaten zouden zo betrokken moeten zijn bij de zaken die ze behandelen. Hij is gedreven, een man die in zijn vak respect afdwingt. En het is altijd aardig de degens te kruisen met iemand die je als tegenstander vreest.’
BOGAERS organiseerde met broer Gerrit al vroeg manifestaties en filmvoorstellingen over mensenrechten. Met medestudenten biologie tartte hij de faculteit met een manifest over de misstanden. Hij nam ooit afscheid van de PPR omdat deze te slap was en sloot zich in 1979 aan bij de CPN, om de partij trouw te blijven tot haar verscheiden in 1989. En passant publiceerde hij tien jaar lang artikelen in De Waarheid.
Na zijn afstuderen ging Bogaers aan de slag als bioloog bij de provincie Utrecht. Vijf jaar later concludeerde hij in zijn doctoraalscriptie rechten dat de lokale overheden in die provincie stankoverlast bij bedrijven niet wilden aanpakken uit angst voor werkgelegenheidsverlies. Vooral de omwonenden van de Nertsvoedercentrale in Veenendaal leden daaronder. Het werd de opening van het Utrechts Nieuwsblad op 20 december 1985. 'Er lag daar een meter kadaver op de grond’, verhaalt Bogaers in de krant. 'De mensen werden er doodziek van. Een boerin vroeg me of dit nu de straf van God was, of dit was wat Jezus wilde. Ik heb haar geantwoord: Nee, mevrouw, Jezus wilde dat u in opstand zou komen.’
TOEN BOGAERS het veld van de vluchtelingenindustrie overzag, werden zijn instincten opnieuw aangesproken. Hij vroeg de Nationale Ombudsman een onderzoek in te stellen naar de gedragingen van de overheid in dezen. Een opvallende daad, want hij onderscheidt zich daarmee van medewerkers van organisaties als VluchtelingenWerk en Amnesty International, die zeer bekend zijn met de talloze gebreken in de opvang, beoordeling en uitzetting van vluchtelingen, maar die hun goede relatie met politiek en ambtenarij niet in de waagschaal willen stellen.
Zij wisten in oktober 1993 ook wel dat de werkwijze van het ministerie van Justitie ten aanzien van selectie, instructie en controle van tolken niet deugde, maar het waren de verzoekschriften van Bogaers die leidden tot een onderzoek van Ombudsman Marten Oosting. Anderhalf jaar later oordeelde Oosting dat de bevindingen van Bogaers klopten. De advocaat was toen al bezig om Oosting aan te zetten tot een tweede onderzoek, ditmaal naar het functioneren van de contactambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), degenen die het relaas van de vluchteling moeten optekenen in wat heet 'het nader gehoor’. Een cruciaal stadium in de asielprocedure.
December vorig jaar presenteerde Oosting de uitkomsten. Andermaal volgde hij de bevindingen van Bogaers: de kwaliteit van de contactambtenaren laat zeer te wensen over; justitie spant zich onvoldoende in om die kwaliteit te controleren en te waarborgen; de asielzoeker wordt te weinig de gelegenheid geboden in het nader gehoor zijn vluchtverhaal toe te lichten.
Maart jongstleden presenteerde de Ombudsman het derde rapport op basis van verzoekschriften van Bogaers. Ditmaal een onderzoek naar de totstandkoming van de individuele ambtsberichten die Buitenlandse Zaken opmaakt over de maatschappelijke en politieke stand van zaken in diverse landen. De berichten worden door de IND (mede) gebruikt om vast te stellen of iemand een vluchteling is en om te beoordelen of afgewezen asielzoekers kunnen terugkeren naar hun land van herkomst. De rapportages staan soms haaks op de bevindingen van Amnesty International, Human Rights Watch, de Verenigde Naties en op de verhalen die Bogaers te horen krijgt.
Bogaers’ klacht is niet gehonoreerd. Nog niet. Oosting erkent dat asielzoekers en hun advocaten amper inzicht krijgen in de totstandkoming van de ambtsberichten en dat ze worden beperkt in hun mogelijkheden om onjuistheden aan de kaak te stellen. Hij volgt in zijn conclusie minister Van Mierlo die zegt dat hij uit oogpunt van bronbescherming niet standaard iedere asielzoeker inzage kan geven in achterliggende stukken. Van Mierlo beroept zich op de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB). De rechter kan wel te allen tijde inzage krijgen in de bronnen die ten grondslag liggen aan de ambtsberichten.
Met nauw verholen woede in zijn stem zegt Bogaers: 'Het is een afschuwelijk oordeel. Die ambtsberichten zijn onjuist gebleken, maar Buitenlandse Zaken kan dat afschermen met de WOB. Buitenlandse Zaken mag dus liegen in het kader van het landsbelang.’ Maar Bogaers heeft de hoop nog niet opgegeven. Op eigen initiatief is de Ombudsman een nieuw onderzoek gestart naar de totstandkoming van ambtsberichten.
Bij Amnesty staat men niet te jubelen om de ijver van Bogaers. 'Dat waren goede rapporten’, zegt Bruin, 'maar wat me stoort is dat hij zichzelf te veel in het nieuws brengt. Dat gaat de kwalijke kant op. Hij doet alsof hij iedere keer het wiel uitvindt, alsof de discussie pas sinds 1995 wordt gevoerd. Dat vind ik een rare insteek; het is geen nieuw feestje. Bogaers is voor mij een beetje een gekke Flip.’
De advocaat laat zich niet uit het veld slaan. Hij handelt naar eer en geweten. 'Naar aanleiding van het eerste rapport van de Ombudsman over tolken zegt Justitie dat het nu veel beter gaat. Er is een Klachtencommissie Tolken ingesteld en er zijn richtlijnen. Maar van tolken die naar mij toe komen, hoor ik hoe het er in werkelijkheid toegaat: contactambtenaren die niet luisteren, geen aantekeningen maken, niet goed notuleren, intimiderend optreden of vertalingen niet vastleggen. En waarom niet? Het kost te veel tijd en moeite.’ Het irriteert hem mateloos.
Die ambtenaren zijn volgens de Nationale Ombudsman in het tweede rapport niet deskundig, niet betrouwbaar en bevooroordeeld.
'In de ambtenarij neigt alles naar de middelmaat. Ik weet het, want ik heb er gewerkt. Er zijn ambtenaren bij Justitie die de kluit vierkant bedonderen, maar ze hebben het zelf niet in de gaten omdat ze geen zelfkritiek hebben. Net als bij de provincie Utrecht wordt voortdurend van hogerhand getracht de zaak te disciplineren en mensen ervan te weerhouden zelf na te denken. Iedereen die in de bureaucratie werkt en dit soort grappen uithaalt - mensen vernederen, kleineren en in feite afmaken - doet dat met het argument een hoger doel te dienen, in dit geval het restrictieve overheidsbeleid. Dat is moedwillig georganiseerd.’
Broer Gerrit zal hem niet snel tegenspreken. 'Wij hadden een vader die minister was en christen-radicaal. Althans, dat zei-ie’, schatert Gerrit. 'Het is altijd leuk in de praktijk mee te maken hoe zoiets werkt. De overheid kan behoorlijk onrechtmatig zijn. Pieter kijkt er dwars doorheen.’
PIETERS KANTOOR in Nieuwegein is volgepakt met dikke groene mappen, bijeengehouden door elastieken: de biografieën van honderden vluchtelingen.
Bogaers, beslist: 'Je hebt overheid en onderheid. Als je als individu het slachtoffer bent van een maatregel van de overheid, heb je altijd een machtiger blok tegenover je. Dan moet je een advocaat hebben die daar tegenin durft te gaan en begrijpt welke machtsspelletjes er gespeeld worden.’
Tegenover hem zitten een tolk en een uitgeprocedeerde asielzoeker. De vluchteling is een Iraniër over wie in het rapport van de contactambtenaar is te lezen dat hij nimmer in de gevangenis zat en nooit gemarteld is. Aan Bogaers vertelt hij bijna vergast te zijn in een Iraanse staatsinrichting. De advocaat herhaalt voortdurend zijn vragen in andere bewoordingen waarna hij de tolk vraagt of de Iraniër alles goed begrijpt. Hij schrijft hardop lezend.
'Ik heb het geluk dat ik een exact vak heb gestudeerd’, vertelt hij. 'Dan leer je feitelijk kijken naar de materie en het organisme. Gelaagdheden traceren. Die wetenschappelijke houding is altijd mijn ideaal gebleven.’ Hij vergezelt de cliënt en zijn tolk naar de deur. Het pand is verlaten, iedereen is naar huis.
'Ik ben de enige gek die de Nationale Ombudsman heeft gemobiliseerd’, verzucht hij, terug in zijn werkruimte. 'Dat leidt niet tot veranderingen, behalve bij de rechterlijke macht. Die heeft in de gaten dat wat ze voorgeschoteld krijgen door Justitie en Buitenlandse Zaken vaak niet klopt. Die worden steeds kritischer.’
Helaas geldt dat niet voor zijn beroepsgenoten. 'De advocatuur laat het massaal afweten. Ze volstaan met wat Justitie fabriceert aan de hand van “het nader gehoor” waarin een karikatuur is gemaakt van die ander. Men neemt niet de tijd om het zorgvuldig te doen.’
Ze krijgen die tijd vaak ook niet. De Raad voor de Rechtsbijstand in de vijf arrondissementen bepaalt hoeveel uur een zaak in beslag mag nemen en verstrekt op basis daarvan een vergoeding aan een advocaat. Tussen de arrondissementen bestaan grote verschillen. Arnhem vergoedt de advocaten gemiddeld niet meer dan 5,3 uur voor asielzaken in een bezwaarschriftprocedure.
Bogaers: 'Een blamage. Georganiseerde rechtsongelijkheid noem ik dat. Want zo levert aandachtig luisteren geen omzet op. “We begrijpen u al”, wordt dan gezegd, “gaat u maar naar huis.” De schoorsteen moet toch roken? Maar dan stook je de schoorsteen met de botten van je cliënt! Je verraadt die ander. Niemand kijkt meer naar ze om als ze moeten terugkeren en worden afgemaakt. Niemand. En het gebeurt.’
De schandelijke praktijken prikkelen hem om alert en actief te blijven. Maar de intensieve begeleiding van zijn cliënten eist zijn tol. Met elke nieuwe stap in de procedure groeit het aantal groene mappen in de kleine ruimte. 'Ik krijg regelmatig de vraag te horen of ik mijn vreemdelingenpraktijk niet zou moeten afstoten. Het kantoor is te zwaar belast door die verschrikkelijke hoeveelheid stukken die ik produceer. Maar ik heb kunnen uitleggen dat dit mijn levenswerk is.’