Het werk achter de mens

De methode Claus

Naarmate we meer weten over de mens achter het werk, wordt het interessanter om het werk achter de mens te bestuderen. Want daar gaat het per slot van rekening om. Dus: over de publicatiecarrière van Hugo Claus, de wegen van manuscript tot boek, en de methodes van de dichter.

De publicatiecarrière van Hugo Claus laat zich gemakkelijk in drie delen opsplitsen. In de eerste periode, die loopt vanaf zijn debuut in 1947, is hij op zoek naar uitgevers voor zijn vele geplande werken. Vanaf 1957 verbindt hij zijn lot definitief aan dat van uitgeverij De Bezige Bij, en vanaf 1977 volgt naast de reguliere uitgaven een indrukwekkende reeks bibliofiele en semi-bibliofiele publicaties.

De eerste twintig Claus-publicaties werden door zeventien verschillende uitgeverijen op de markt gebracht. Claus’ literaire carrière startte met een verkapte vorm van uitgaven in eigen beheer aan het einde van de jaren veertig: zowel uitgeverij Aurora (waar zijn klassieke poëziedebuut, Kleine reeks (1947), werd uitgegeven) als Uitgaven Carillon (waar zijn modernistische debuut, Registreren (1948), verscheen) waren bedrijfjes, drukkerijen in feite, van vader Jozef Claus. Later nog zal Hugo samen met zijn broer Guido de Gentse drukkerij Bredero exploiteren (1956-1962). In de autobiografische roman Het verdriet van België (1983) laat de jonge hoofdpersoon Louis Seynaeve zich voorstaan op zijn kennis van het drukkersbedrijf, onder meer van lettertypes als Rondo, Perpetua en Garamond.

De doorbraak naar het reguliere uitgeverscircuit kwam in 1950, toen de roman De Metsiers werd bekroond met de Leo J. Krynprijs van uitgeverij Manteau. Vertraging in de uitbetaling van de prijs en een dispuut naar aanleiding van contractuele verplichtingen deden de relatie al heel snel verzuren. In de eerste helft van de jaren vijftig ging de auteur koortsachtig op zoek naar uitgevers voor een nieuwe roman (De hondsdagen), enkele dichtbundels (Een huis dat tussen nacht en morgen staat, Tancredo infrasonic, Paal en perk…) en een paar verhalenbundels (De zwarte keizer en Natuurgetrouw). Hij onderhandelde ongeveer tezelfdertijd en vaak over dezelfde uitgaven met een tiental uitgeverijen. Enige tijd later zou Jan Walravens, die ook lobbywerk verrichtte voor zijn vriend, hem waarschuwen: «[…] nu al sta jij in geen zeer goed blaadje bij de uitgevers. Dat heb ik vernomen uit wat [Pierre H.] Dubois (Van Oorschot) en De Bock [De Sikkel] mij zeiden. Wat zal het worden als deze zaak [met Manteau n.a.v. De Metsiers] uitlekt. Je zou heel je leven de reputatie van een onbetrouwbaar schrijver kunnen meedragen. Dat is toch wel belangrijk. Maar het is ook waar, dat De Bock, Van Oorschot en de rest toch altijd bereid zullen zijn om een boek van jou uit te geven, zolang je succes duurt.»

De Bezige Bij

Het contact met De Bezige Bij komt eind 1951 tot stand via vrienden van Simon Vinkenoog, namelijk Bert Schierbeek en Ferdinand Langen. Deze laatste schrijft aan Claus: «Je kunt je roman, waarover je sprak toen je hier was, ongelezen aan De Bezige Bij verkopen. […] Ik schrijf je dit natuurlijk uit naam van de uitgeverij De Bezige Bij. Maar ik wil er zelf geheel los van de uitgeverij — wel een persoonlijk woord aan toevoegen. Ik kan je dit voorstel namelijk met een gerust hart aanbevelen. […] Zoals je zult weten is De Bezige Bij een coöperatieve uitgeverij. Dat wil zeggen dat de winst die over een bepaald jaar wordt gemaakt, niet in de zakken van de directeuren verdwijnt, maar over de auteurs wordt uitgestreken. Je krijgt daardoor aan het eind van het jaar een vaak niet onbelangrijk winstaandeel, waardoor je de kans loopt het dubbele voor je boek te krijgen dan bij een gewone uitgeverij.» Eind 1951 tekent Claus het contract voor een roman waarvan de titel later zal worden vastgesteld. De Bezige Bij ontvangt het manuscript van De hondsdagen begin april 1952.

Niettegenstaande de lokkende belofte van Schierbeek — «[…] ik zal zorgen dat je in niets te kort komt» — is Claus ontevreden: manuscripten blijven onbesproken bij de uitgever liggen, brieven worden niet of onvoldoende snel beantwoord, voorschotten worden niet of in te kleine bedragen uitbetaald… Midden 1953 vraagt hij zijn vriend Simon Vinkenoog met hem de alternatieven te overlopen. Ook overweegt hij zijn nieuwe poëziebundel De Oostakkerse gedichten in eigen beheer te publiceren. Aan Vinkenoog schrijft hij te corresponderen «met een zeer goedkope drukker in Belgio, bij wie ik […] zelf mijn Nota’s voor een Oostakkerse Cantate publiceren zal. Waarom? Omdat ik doodmoe word van de gruwelijke uitgaven die eerst accoord-gaande uitgevers (accoord met mijn ontwerpen) mij dan leveren en omdat ik eens in mijn leven, dat steeds korter wordt, een geheel wil zien, een stuk gedicht zoals ik het wil. Die Nota’s zijn verweg het beste dat ik ooit schreef, ik zal ze koesteren en in een passend kadertje de wereld (de tien lezers) cadeau doen. Pojète, narcis.»

Wanneer De Bezige Bij te horen krijgt dat hij Reinold Kuipers van De Arbeiderspers de verhalenbundel De zwarte keizer heeft aangeboden, is de relatie grondig vertroebeld. Midden 1954 vraagt Bezige Bij-directeur Wim Schouten hem of hij op het standpunt staat dat hij deze bundel én «toekomstige andere boeken niet bij ons verder wilt uitgeven». Eind 1955 vraagt dezelfde Schouten hem «of je je afspraak, die wij onlangs maakten, om een boek bij ons uit te geven nog wilt nakomen?»

Reeds in 1953 nochtans rijpte bij Claus de idee zich aan «een vaste uitgever» — «indien mogelijk voor mijn natuur» — te verbinden. Dat gebeurt dus niet meteen, en nog in 1957 wordt het copyright voor het toneelstuk Het lied van de moordenaar ondergebracht bij de Antwerpse uitgeverij Ontwikkeling. Naderhand komen Claus’ nieuwe werken en de herdrukken van oude titels systematisch bij dezelfde uitgeverij terecht en wordt De Bezige Bij zijn «huisuitgever».

Pocket, paperback en bibliofilie

Het succes van Claus ging gelijk op met dat van zijn uitgever en van zijn generatiegenoten. Afgaande op het aantal herdrukken beleefde Claus’ werk een eerste boom tussen 1958 en 1960. Dat succes werd mede beïnvloed door de introductie van het goedkope boek, dat ook voor een generatie vaak zeer jonge lezers bereikbaar was. De eerste uitgaven van Claus bij De Bezige Bij waren gebonden boeken (De Oostakkerse gedichten (1955) en De koele minnaar (1956)) of ze verschenen tegelijk in een gebonden en een gebrocheerde uitvoering (De hondsdagen (1952) en Natuurgetrouw (1954)).

De meeste latere uitgaven waren pockets of paperbacks. De pockets, die vanaf 1957 op de markt kwamen, deden het bijzonder goed. Van de roman De Metsiers bijvoorbeeld werden tussen 1958 en 1965 meer dan 41.000 exemplaren verkocht. In 1958 liet de uitgeverij de gebonden vorm los. Claus’ verhalenbundel De zwarte keizer verscheen in een genaaide, niet schoongesneden editie naar Frans model. Het jaar daarop echter koos De Bezige Bij voor een grote, compacte, Amerikaans geïnspireerde paperback met rechte rug en schoongesneden omslag. Dit soort boek, uitgewerkt door typografisch ontwerper Karel Beunis, werd een megasucces. Naar analogie met de LP of Literaire Pocket kreeg het de naam LRP of Literaire Reuzenpocket. Oudere titels, die het in gebonden vorm al goed deden, haalden nu probleemloos een verkoop van ettelijke duizenden exemplaren per jaar. Bijvoorbeeld de roman De koele minnaar (1956): in vijf jaar tijd werden er ruim zesduizend gebonden exemplaren van verkocht; in de volgende tien jaar ging het tienvoudige over de toonbank.

Zelden verschenen in die tijd werken tegelijk in gebrocheerde en in gebonden vorm, zoals wel het geval was met bijvoorbeeld de eerste druk van De verwondering (1962), Omtrent Deedee (1963) en Gedichten (1948-1963) (1965). Over deze laatste uitgave schreef de auteur aan Geert Lubberhuizen: «Voor ‹Gedichten› lijkt het mij verstandig en voor dichter en voor uitgever profitabel om Eerst de chiek in onverwoestbaar doch subtiel linnen gebonden uitgave op de markt te brengen. De poëzieminnaars van Nederland en België — alle twaalf — verkiezen duurzaam en mooi te kopen. Achteraf kunnen de studenten en de arbeiders terwijl zij de Republiek stichten en staken de gewone pocket in hun tuniek bergen. Maar eerst de fine fleur. Wat denk je? Ook voor mij geeft het een fors gevoel gebonden ter wereld te komen.» Pas in de loop van de jaren tachtig werden van reguliere Claus-uitgaven ook — zij het dikwijls door derden — heuse luxe-edities vervaardigd.

De eerste bibliofiele edities van Claus- teksten verschenen pas tussen 1967 en 1977 en wel bij verschillende uitgeverijen. Vanaf 1977 werden jaarlijks, doorgaans bij niet-reguliere uitgevers, twee of meer aparte edities gepubliceerd, een aangename meer-inkomst voor een schrijver die leeft van zijn pen. In de loop der jaren verschenen ruim honderd bibliofiele of semi-bibliofiele publicaties bij meer dan dertig verschillende uitgevers. Het betrof voornamelijk poëzie-uitgaven, maar ook proza, toneel en zelfs essay werd op deze wijze op de markt gebracht. In vele gevallen werkte Claus samen met beeldend kunstenaars: Pierre Alechinsky, Karel Appel, Michael Bastow, Corneille, Roel D’Haese, Camille D’Havé, Paul de Lussanet, Albert Pepermans, Roger Raveel, Reinhoud, Thierry Renard, Dan Van Severen, Serge Vandercam, Jan Vanriet, Joost Veerkamp en Maurice Wyckaert. Opvallend daarin was het aandeel van Cobra. Een deel van de bibliofiele en van de andere aparte uitgaven werd vanaf het einde van de jaren zeventig door de auteur zelf geïllustreerd.

Omslagontwerpen

Uiteraard ontwierp Claus zelf de omslagen voor de uitgaven in eigen beheer, zoals Registreren (1948), maar ook heuse uitgeverijen als De Sikkel en De Bezige Bij kregen van de jonge schrijver mét een manuscript meteen ook een omslagontwerp in huis. Over Claus’ activiteiten in dit verband zei Karel Beunis in het begin van de jaren zeventig: «Hugo Claus ontwerpt zijn leuke omslagen zelf en alles wat ik eraan deed, was ze technisch uitvoerbaar maken.»

Ook later nog leverde Claus ideeën aan die op de uitgeverij werden uitgewerkt. Vaak had hij zelf de hand in de visuele herkenbaarheid van zijn boeken. Zo gaf hij omslagontwerpster en typografe Tessa Fagel in de zomer van 1969 via Lubberhuizen een opdracht voor het omslag van het toneelstuk De Spaanse hoer: «Gevoelig aan het dure leven van de Bij en het zorgelijke van haar Imker, stel ik voor dat er geen kleurfoto op de omslag komt, niet eens een foto, zelfs niet een tekening. Nee, laat Tessa een sterke, volle, harde letter maken die de hele pagina beslaat, eleganter dan de letter van Reconstructie en pátsiger dan die van Seley’s boek. Voor de kleurenblinde lezer: Groen op Rood.» Die idee pikte hij enige tijd later weer op toen hij het stuk Vrijdag tegen het einde van 1969 klaar wilde hebben: «Nu zou het aardig zijn (en in de lijn van de ascese die de Bij voor toneelboeken wil hanteren) als voor mijn volgende toneelpublicaties 1 uniform omslag ontworpen werd. Als Tessa nu het misschien ondertussen reeds getekende omslag voor ‹De Spaanse Hoer› wil aanpassen, kan dit wellicht dienen voor de rest. Eén zelfde lettertype en vlakverdeling die echter wel van kleuren verwisselt. Onbeschrijflijk aantrekkelijk worden dan: in December (scharlaken fond): Dit stuk (dat nog 3 dagen ongetiteld blijft.) Op 1 Januari (Antwerps blauw): De Spaanse hoer (of Veronese groen) Op 5 Maart (wesp-geel) Tand om Tand (waarvan we ’t witte hors op zwarte fond vergeten) Iets later (melkwit) Omtrent Deedee (toneelbewerking) (pruimpaars) Oidipoes van Seneca, enzoverder, enzoverder, Dei Gratias.»

In grote lijnen werd hier het omslagconcept uitgetekend van Claus’ toneelpublicaties tussen 1969 en 1976.

Manuscripten

Een zorgvuldige tekstbezorger is Hugo Claus, naar eigen getuigenis, nooit geweest. Zo «bekende» hij ooit twee volledige hoofdstukken uit het oorspronkelijke manuscript van Het verdriet van België (1983) te zijn «vergeten». «Ik schrijf met de kroontjespen», vertelde hij in een interview. «Voor de eerste versie gebruik ik een dunne, stalen pen, voor de tweede en derde versie een dikke ronde pen. Het handschrift van de eerste versie is zeer klein, het handschrift van de tweede versie iets groter, het handschrift van de derde versie is groot, helder en duidelijk. Ik noem dat laatste schrift mijn zondags-schrift. Ik typ een manuscript nooit over, het gaat in handschrift naar de zetter.»

Claus is niet het soort auteur dat zich scrupuleus bekommert om spelling en interpunctie. Uitgevers, of would-be uitgevers, die minder vertrouwd zijn met de houding en de werkwijze van de auteur, leveren vaak minder puntgaaf werk af. De redactie van zijn teksten heeft Claus al vlug uitbesteed, vaak aan voortreffelijke vaklui. Ze vormt een van de aandachtspunten in de correspondentie met zijn uitgevers. Wanneer hij bijvoorbeeld Bezige Bij-directeur Geert Lubberhuizen het manuscript toestuurt van het libretto Morituri (1968) vraagt hij of redacteur Oscar Timmers er zijn beste krachten aan zou kunnen wijden: «Kan Oscar zijn gebruikelijke chirurgische ingreep op het Nederlands en de leestekens v. ‹Morituri› verrichten?»

Naar aanleiding van de roman Het jaar van de kreeft (1972) richt hij een «Uiterst deemoedige bede aan Oscar»: «Wat moet ik met aanhalingstekens doen? Daar in dit boek nogal wat afgeleuterd wordt, en hij zegt dit en zij zegt dat, en zo tettert dat maar door, is het van belang dat men (de 22 lezers die het na pagina 12 nog lezen) weet wie praat, maar vooral dat iemand praat, wat je tegenwoordig in B.Bij-boeken moet raden. Dus wel aanhalingstekens. Maar welke?» In hetzelfde schrijven luidt het nog: «Te vadsig en te slordig, heb ik niet opgelet op k of c Sekretaresse of secretaresse, de Telegraaf, of De Telegraaf, de Horseshoe of The Horseshoe, ook niet op ze of zij, pingpong of tafeltennis. Wschl. rijdt iemand eens in een Volvo en 1 pagina later in een B.M.W., heeft iemand grijze ogen en 1 alinea later zeegroene. — Wil de super-fixer Oscar dit allemaal gladstrijken?»

Herdrukken

Ook bij herdrukken voelt Claus zich niet geroepen om zijn teksten opnieuw onder handen te nemen. In interviews geeft hij herhaaldelijk te kennen dat hij zijn werk niet herleest en het dus ook niet herziet of corrigeert: «Eenmaal dat het resultaat er is ben ik al veel minder geïnteresseerd. Ik herlees ook nooit een boek. Er zijn vrienden die bij elke herdruk zinnen gaan herschrijven en verbeteren. Dat is een beetje een eeuwigheidssyndroom. Dat kan ik niet. Ik wend me af van een boek zodra het verschenen is, want dan heb ik weer wat anders te doen.»

Geen wonder dat de opeenvolgende drukken van Claus’ werken niet meteen getuigen van een overdreven zorg voor een correcte tekstweergave. Zo bleef de spelling van de roman De hondsdagen (1952) meer dan vijftig jaar ongewijzigd. Ook in de negentiende druk, die nog steeds in de handel is, kan men cigaar en cigaret lezen, Juli en Zondag, Juke-Box en dansrhytmes. In De verwondering (1962) wordt de SS-man Crabbe als pan toffelheld getekend, tenminste, dat gebeurt in de tijdschriftversie, waar vermeld wordt dat hij zowaar zijn sloffen meenam naar het Oostfront. In de roman bleken de sloffen plots stoffen. Hoewel deze zetfout al in een monografie uit 1979 werd gesignaleerd, bleven de stoffen tot en met de laatste beschikbare editie hardnekkig aanwezig.

Ook in verband met de herziening van zijn teksten doet de auteur bij voorkeur een beroep op derden. Zo schrijft hij naar aanleiding van de geplande heruitgave van zijn Dylan Thomas-vertaling Als een jonge hond (1958) aan Theo Sontrop van De Arbeiders pers: «[…] ik durf het boek niet meer te herlezen maar ik weet zeker dat die vertaling bar en loos en onder de maat is. Beloof me dus één ding. Laat het extra grondig nakijken door een doctorandus onder je slaven. Op het vertalen en op het Nederlands.»

Vaker dan men zou verwachten bevatten herdrukken correcties, aanvullingen of andere wijzigingen. Neem bijvoorbeeld Het verdriet van België, Claus’ magnum opus, gepubliceerd in maart 1983. De tekst van deze lijvige roman bevat diverse fouten, onregelmatigheden en inconsequenties. Toch wordt ook deze roman enkele keren «herzien», de eerste keer al een maand na verschijnen. Leestekens worden toegevoegd, alinea’s veranderd, fouten verbeterd, namen voluit geschreven of gewijzigd, woorden gecorrigeerd, enzovoort. Alleen, in de uitgave van 2002 — door de uitgever de 24ste druk genoemd — wordt opeens een hele reeks wijzigingen weer ongedaan gemaakt. Deze editie was een klakkeloze herdruk van de derde druk uit april 1983, met weglating dus van alle correcties die naderhand werden aangebracht.

Soms werden herdrukken wel grondig herzien door de auteur. Met name de samenstelling van verzamelbundels ging doorgaans gepaard met wijzigingen. Zo werd in de tweedelige uitgave van Toneel (1999) een reeks opvallende dateringen toegevoegd en werd in de tekst soms sterk ingegrepen. Herzieningen waren vooral in de poëzie schering en inslag. Vandaar dat de auteur in zijn verantwoording van de bundel Gedichten 1948-1993 (1994) expliciet vermeldde dat hij, «zoals dichters doen», gedichten had «toegevoegd, geschrapt, herschikt of herschreven». Door het toenemende aantal bibliofiele en aparte uitgaven kreeg elke nieuwe, door zijn reguliere uitgever op de markt gebrachte dichtbundel — die vaak verscheidene van deze publicaties bevatte — zowat de allure van een verzamelbundel.

Een geval apart

Dat is ook weer het geval met Claus’ laatste bundel In geval van nood. Blijkens de verantwoording heeft de auteur er drie eerder uitgegeven bundels in opgenomen: Made in Belgium (2000) bij foto’s van Harry Gruyaert, het in opdracht van Poetry International geschreven De groeten (2002) en de gratis in 75.000 exemplaren verspreide bundel Zeezucht (2003) bij schilderijen van Jan Vanriet.

Maar daarmee is nog lang niet alles gezegd. In geval van nood bevat ook enkele bundels die bijna twintig jaar geleden verschenen en sindsdien niet meer werden heruitgegeven of opgenomen in reguliere uitgaven: Imitaties (1987) bestaat uit een reeks poëtische commentaren bij eigen plastisch werk naar bewonderde meesters, Bewegen (1986) werd geschreven bij balletfoto’s, en verder bevat de bundel nog afzonderlijke teksten die bibliofiel of anderszins werden uitgegeven.

Maar er is meer. In geval van nood bevat diverse gedichten die eerder al werden opgenomen in reguliere uitgaven als Wreed geluk (1999) en zelfs Almanak (1982). Claus is blijkbaar met een gigantische recyclage-operatie bezig. Het gedicht Bewegen VII uit In geval van nood is een lichtjes gewijzigde reprise van Een aap in Efese 5 uit Wreed geluk. Hetzelfde geldt voor Zij IV en Een aap in Efese 9.

In de nieuwe bundel wordt alles voortdurend hernomen. Niet alleen recycleert de dichter vroeger werk, hij neemt ook diverse gedichten tweemaal op. Zeker negen teksten uit de cyclus Made in Belgium komen in gewijzigde vorm terug in de cyclus Kwartetten, ook het gedicht over de kunstenaar Theodoro van Ocumichu bijvoorbeeld staat, lichtjes herschreven, tweemaal in de bundel. Elders dan weer citeert en varieert de dichter hele strofen en zinnen van zichzelf, twee keer, drie keer en meer. Alles in deze bundel is herhaling.

Op zich is dat niet zo verbazingwekkend. Eén van de opvallendste leidmotieven uit In geval van nood betreft precies de falende herinnering en dus het altijd opnieuw beginnen, het steeds weer hernemen. Op het titel gedicht volgt het gedicht Begin, waarvan de eerste regels luiden: «Begin. Herinner je/ Zee van tijd/ Reizen is geen vluchten». Dit motief wordt voortdurend weer opgenomen en gevarieerd: de dichter verdrinkt in een zee van tijd, hij is de greep op zijn bestaan kwijt, zonder geheugen is hij gedoemd tot herhaling.

Én tot het overschrijden van de grens van eigen en vreemd. De dichter is «vergeten» wat van hem is en wat van een ander. Een mooie illustratie levert het gedicht Lang Fang en de dieren. Op 8 maart 1988 publiceerde Claus een eerdere versie van deze tekst als vertaling in het Vlaamse weekblad Knack. Daar werd het gedicht toegeschreven aan de Franstalige, uit Martinique afkomstige pro zaïst Xavier Orville (1932-2001).

Van boek terug naar manuscript

Nu werkte Claus ook vroeger al graag via bestaande modellen en zette hij wel vaker teksten van anderen naar zijn hand. Het is daarom ook niet altijd gemakkelijk in zijn oeuvre het onderscheid te maken tussen wat oorspronkelijk is en wat bewerkt en tussen wat bewerkt is en wat vertaald. Overigens, welke lezers besteden nog aandacht aan het feit dat een toneelstuk als Blauw blauw (1973) teruggaat op Noel Cowards Private Lives, het verhaal De vluchtende Atalanta (1977) op Atalanta Fugiens van Michael Maier en de bundel Sonnetten (1986) op de sonnetten van Shakespeare?

Soms bevatten Claus’ werken zelf reeds een aanduiding in de een of andere zin. Zo verschijnt Thyestes (1966) niet onder de naam van Seneca, maar onder die van Claus. Aan Geert Lubberhuizen schrijft hij daarover: «Je moet het boek niet aankondigen als een stuk van Seneca in bewerking, maar wel: Hugo Claus THYESTES, naar de tragedie van Seneca. Het is geen opdracht geweest, alleen maar zoiets, een oefening die mijns inziens nogal boeiend is uitgevallen.»

Een goed voorbeeld van deze werkwijze is te vinden in het werkschrift Diverse gedichten uit 1969, dat zich in het archief van de auteur bevindt. Veel materiaal eruit — aanzetten tot gedichten, versies, vertalingen, liedjes, cadavres exquis… — komt in 1970 terecht in de bundels Heer Everzwijn en Van horen zeggen. Eén tekst wordt echter pas dertien jaar later, in 1982, gepubliceerd in de bundel Almanak onder de titel (Spleen):

Mijn ziel is als Boudewijn de Eerste,

met moeite een motor.

Hoor hem hikken.

Mijn vrienden zie ik niet staan,

mijn teefje niet, mijn weduwe niet.

Waarom lachen? Konijnen en valken

zijn tewerkgestelden.

Zij kikken niet. Stikken als ik.

De cantos van mijn dwergen,

mijn bed van voorvaderen en meisjes,

de postzegel met mijn gezicht,

de sneeuw op mijn hoed,

een eender eenzelvig lied.

Laat mijn bad vollopen met bloed,

al verwarmt het mij niet.

Met zijn verwijzing naar Boudewijn I oogt dit gedicht door en door Belgisch en contemporain. Dat is het echter niet. Uit het werkschrift blijkt dat Claus’ gedicht teruggaat op één van de vele «Spleen»-gedichten van Baudelaire. In het schrift staat dan ook keurig vermeld: «LXXVII v. les Fleurs du Mal». De eerste regels van het Franse gedicht luiden:

Je suis comme le roi d’un pays pluvieux,

Riche, mais impuissant, jeune et pourtant très-vieux,

Qui, de ses précepteurs méprisant les courbettes,

S’ennuie avec ses chiens comme avec d’autres bêtes.

Blijkens het werkschrift echter heeft Claus de aanleiding tot zijn gedicht gevonden in twee Engelse versies van Baudelaires gedicht. De eerste tekst in Claus’ schrift is van de hand van Roy Campbell en is te vinden in het derde deel van The Collected Poems (1960). De tweede is ontleend aan Robert Lowell, The Voyage and Other Versions of Poems by Baudelaire (1968).

De derde tekst pas brengt Claus’ vertaling van Baudelaire. Die vertaling volgt de oorspronkelijke tekst vrij getrouw, al aarzelt Claus niet «impuissant» te vertalen als «zonder kloten», maakt hij van huisonderwijzers «schoolse, kromme voogden», enzovoort.

De volgende versie, in prozavorm geschreven, gaat meer de weg op van Lowells versie: zoals Lowell een wolf met jeuk en een grappende hermafrodiet introduceert, smokkelt Claus geschopte honden, Siamezen en een baviaan binnen. Toch blijven beide auteurs trouw aan de basisgedachte van de oorspronkelijke tekst: het opwekken van de koning uit zijn lethargie door de jacht, door gelach en door vrouwelijk schoon is gedoemd te mislukken, zoals ook de geleerde gouddistilleerder of een warm bloedbad niet zullen baten.

De vrijheid die Lowell zich veroorlooft — met zijn actualiserende verwijzing naar darts en tennis en de vermelding van Fénélon — zet zich bij Claus in de volgende versie heel radicaal door, met name door het opvoeren van koning Boudewijn. Ten slotte eigent Claus zich Baudelaires tekst in de gepubliceerde versie helemaal toe: hij vereenvoudigt en schrapt: weg het likken, het wandelen en het delven, weg de onkuise toiletten en de gouddistillerende geleerde, weg de corsetjes en de bacillen, weg de kwijl en het slijm, maar met behoud van Boudewijn. Wat blijft is de basisgedachte, die door de vergelijking met Baudelaire opvallend wordt verhelderd. Ook in dit kleine bestek spreekt het métier van de Meester boekdelen.

Alle teksten waarnaar wordt verwezen bevinden zich in het Studie- en documentatiecentrum Hugo Claus van de Universiteit Antwerpen. Veel informatie over Hugo Claus is te vinden op www.clauscentrum.be. Een andere versie van deze tekst zal worden opgenomen in het boek dat in het najaar wordt gepubliceerd onder de titel Hugo Claus: Voor twaalf lezers en een snurkende recensent. Bibliografie van de afzonderlijk verschenen werken