De methode-Karel van het Reve

Karel van het Reve was een ironicus pur sang. Als geen ander kon hij geveinsd onwetend zijn. Voor zijn grote thema, de verschrikking van het totalitarisme, was dat noodzakelijk: Van het Reve’s ironie was het beste wapen tegen elk dwingend geloof.

Medium xandra reve

EERST WAS ER zijn reputatie. Op het moment dat ik zijn naam leerde kennen, zag ik meteen wat die teweegbracht. Stotterende verontwaardiging, als het een beetje meezat zelfs een bescheiden driftaanval. Het was 1982 en ik kreeg als eerstejaarsstudent Nederlands de eerste beginselen van de literatuurwetenschap bijgebracht. Het was vier jaar nadat Karel van het Reve in Het raadsel der onleesbaarheid de erbarmelijke stijl van de academische literatuurbeschouwers aan de kaak had gesteld. Wat waren ze kwaad luidde de titel van zijn stuk waarin hij de reacties van de literatuurwetenschappers op zijn Huizinga-lezing tegen het licht hield – en kwaad waren ze nog steeds. Alsof Van het Reve zijn lezing niet vier jaar eerder, maar de avond ervoor had uitgesproken, zo vers leek de woede. Ons studenten werd aangeraden Grandeur en misère van de literatuurwetenschap te lezen, het bezonken antwoord van hoogleraar H.A. Gomperts op Van het Reve’s infame aanval.
‘Er bestaat zoiets als la joie de se voir imprimé’, zou Karel van het Reve later over het boek van Gomperts schrijven. ‘Leuk is ook als je naam in druk genoemd wordt door iemand anders. Ook heel mooi: je eigen boeken aantreffen in een buitenlandse bibliotheek, of je naam zien staan in het personenregister van een geleerd werk. Aan al die dingen wen je. Echt eng wordt het pas als er een heel boek over je geschreven wordt.’

Wat me bijzonder voor Van het Reve innam was dat hij zijn verhaal afstak in het hol van de leeuw, al was dat hol in dit geval de stijlvolle Pieterskerk in Leiden en stond hij plechtig op de kansel. Maar ik stelde me voor dat de literatuurwetenschappers die hij met naam en toenaam geselde met ernstige gezichten op de eerste rijen zaten, klaar om naar een eerbiedwaardige redevoering te luisteren. Zoals Van het Reve meteen al aan het begin van zijn lezing onderkende: ‘Door de week vertellen we een hoop onzin, we zeggen dingen die we niet menen, we praten anderen na of we praten met anderen mee, we spotten met dingen waar eigenlijk niet mee te spotten valt, maar bij zo’n Huizinga-lezing gaat het om ernstige zaken.’

Je denkt, nu gaat het komen, zeker als de auteur aankondigt dat hij zich met zijn toehoorders ergens over wil bezinnen en dat hij ze ‘een stuk van zijn eigen levenservaring’ mee wil geven. En dan komt het ook, geformuleerd in een simpele vraag: ‘Wat moet ik de kinderen vertellen over literatuur?’ Het is een vraag waar hij, als hoogleraar Slavische letterkunde, al twintig jaar mee rondloopt, en hij heeft vaak genoeg het antwoord gekregen. Of hij niet heeft gehoord van de zogenaamde literatuurwetenschap. Ja, daar heeft hij inderdaad wel eens van gehoord, maar het is hem fysiek niet mogelijk de teksten van de literatuurwetenschappers te lezen. De literatuurbeschouwers brengen niet alleen proza voort dat met de hark is geschreven, de literatuurwetenschap heeft meer afstotende eigenschappen. En dan komt het helemaal: ‘Enkele van die akelige eigenschappen wil ik vanavond, nu we toch onder elkaar zijn, met u bespreken, waarbij ik beloof dat ik u de allerakeligste dingen besparen zal, en ook dat ik het kort zal houden: ik zal niet te lang bij één akelig ding stilstaan, maar zo snel mogelijk overgaan naar een volgend akelig ding.’

Het was de eerste verhandeling over literatuurwetenschap waar ik om moest lachen. En meer dan dat: Karel van het Reve wist ook twijfel te zaaien over het nut van de discipline. Want behalve dat hij wijst op de hardnekkige pretenties van de literatuurwetenschappers legt hij de vinger haarfijn op de zere plek: de literatuurwetenschap omzeilt de cruciale vraag hoe je een goed boek kunt beschrijven zonder dat die beschrijving ook zou kunnen slaan op een waardeloos boek. ‘Zodra men een goed boek (…) gaat beschrijven heeft men juist de fatale neiging om vooral die eigenschappen van Goethe te beschrijven die je allemaal ook bij Courths-Mahler aantreft.’

Ik was verkocht, en schafte een stapel van zijn boeken aan. Wat Karel van het Reve in zijn Huizinga-lezing deed, bleek exemplarisch voor zijn manier van schrijven, of hij het nu over het geloof der kameraden had of over de onverbiddelijke wetten der dialectiek waar het minirokje aan ten onder dreigde te gaan. Wat dat rokje betreft: door zichzelf steeds meer te bevestigen, dat wil zeggen door steeds korter te worden, begon het minirokje zichzelf te ontkennen, dat wil zeggen te verdwijnen door gebrek aan lengte. Of hij over de nonsens van de Weense wonderdokter schreef of over het algemeen heersende geloof dat Philips expres gloeilampen maakt die stukbranden. Tegenargument bij de gloeilampentheorie: waarom maakten ze die dan niet in het Oostblok, want daar wordt toch niet omwille van de winst geproduceerd?

Allereerst is er, wat die methode betreft, de heldere, bedrieglijk eenvoudige taal die zo aangenaam contrasteert met de officiële academische toon. Van het Reve was wars van het masker van zwaarwichtigheid, of dat nu door literatuurwetenschappers, marxisten of freudianen werd opgezet. Tegenover de neiging tot zwaarwichtigheid zette hij niet alleen zijn grote stilistische vermogens en zijn geestigheid in. Hij was ook een meester in het stellen van schijnbaar naïeve, maar daardoor vaak duizelingwekkende vragen. Je werd er telkens weer door op het verkeerde been gezet. Voor hem berustten alle zekerheden op conventies, die vaak evengoed kunnen worden omgekeerd. Niet voor niets keerde hij zich onder het pseudoniem Henk Broekhuis tegen de ‘opinions chiques’, de pasklare ideeën van zijn tijd.

Andere ingrediënten van de methode-Van het Reve: de persoonlijke anekdote. Zware onderwerpen maakt hij licht met concrete, down to earth voorbeelden. De desastreuze sovjeteconomie illustreert hij liever met een eigen ondervinding – wc-papier is in Moskou nergens te koop – dan met een abstracte verhandeling. Dat is meer dan grappig; de schijnbaar triviale voorbeelden, de details, ze geven blijk van een voorkeur voor de reality check boven elke vorm van ideologie. Het is typisch Karel van het Reve om oog te hebben voor een advertentie op de ramen van een winkel in Moskou waarin om arbeiders wordt gevraagd (beloofd loon: 75 roebel) en dat te combineren met de prijs voor schoenen (22 roebel). In de heilstaat verdient de arbeider dus drieënhalf paar herenschoenen ‘van middelmatige kwaliteit’.

In zijn stukken hanteert hij bovendien vaak een ijzeren nuchtere logica – soms voel je aan je water dat zijn redenering niet klopt, dat A niet zonder meer naar B leidt, maar op het eerste en vaak ook tweede gezicht valt er geen speld tussen te krijgen. En Van het Reve was een gewiekste retoricus, of anders gezegd: een geraffineerde pestkop. Kijk hoe hij in Het raadsel der onleesbaarheid eerst, volgens de wetten van de klassieke retorica, zichzelf in nederige positie manoeuvreert om vervolgens snoeihard toe te slaan. Hij doet zich hoe dan ook met opzet onnozeler voor dan hij is: door zijn simpele vragen, door veelvuldig gebruik te maken van ‘ik geloof’, en door zijn eruditie te verstoppen achter de zinsnede dat hij ergens iets heeft gelezen of dat hij iemand ooit iets heeft horen vertellen.

Als er één ding is waar Van het Reve gebruik van maakt in zijn stukken, dan is het gezond verstand. De vraag is wat dat precies is, gezond verstand. Misschien, suggereerde een criticus hierover, kan men dat het best omschrijven met een cirkelredenatie: gezond verstand is wat Karel van het Reve had.

Karel van het Reve was een ironicus pur sang. Hij gebruikte niet zozeer de ironie van de omkering of de overdrijving, maar kon als geen ander geveinsd onwetend zijn. Eerst onschuldig de naïeve vraag stellen, vervolgens constateren dat geen wetenschap zich ooit met zulk soort dingen bezighoudt, of er althans een bevredigend antwoord op geeft, en dan zeggen dat je gedwongen bent zelf geheel alleen een antwoord op de vraag te zoeken. Ziedaar de ironische pirouette die in veel stukjes wordt gemaakt.

Nu staat ironie vaak in een kwaad daglicht. Het is, heb ik wel eens horen zeggen, de stijlfiguur van de maskerade: de auteur maakt zich onzichtbaar en ongrijpbaar, is bang om te zeggen wat hij werkelijk vindt en verschuilt zich achter zijn grappen. In vrijwel alle definities van ironie staat het bedrog, de misleiding centraal: wat zich aan het oppervlak toont is niet de ‘waarheid’. Vandaar dat nogal wat mensen achter de ironie willen graven, de kern ervan willen vinden.
In zijn Betrachtungen eines Unpolitischen stelde Thomas Mann dat ironie en radicalisme een onverbiddelijke tegenstelling vormen. ‘De intellectueel’, schreef hij, ‘heeft de keuze (voor zover hij een keuze heeft) ofwel ironicus óf radicalist te zijn; een derde keuze is redelijkerwijs niet mogelijk.’ Als je bedenkt dat de radicalist een revolutionair is, een ideoloog, of een gelovige in een systeem of een opperwezen of wat dan ook, dan zie je hoe toepasselijk of misschien zelfs noodzakelijk de ironie van Karel van het Reve was. Het grote thema in zijn werk is de verschrikking van het totalitarisme, en als de kameraden in het morgenland en hun westerse adepten en de gelovigen in het opperwezen één ding gemeen hebben, dan is het dat hun alomvattende systemen geen ruimte laten voor ironie. Van het Reve’s ironie, die alleen in de vorm luchthartig was, was het beste en meest ernstige wapen tegen elk dwingend geloof.
En trouwens, ironie had ook de literatuurwetenschap heel wat beter te pruimen gemaakt.


Beeld: (PhiliP Mechanicus / Mai)