Interview met burgemeester (CDA) Gerd Leers

De methode-Leers

Gerd Leers, burgemeester van Maastricht, is misschien nog wel het meest geducht binnen zijn eigen partij, het CDA. Een gesprek.

GERD LEERS is zeer ambitieus, maar op een – voor een politicus – typische wijze. Als Haagse politici tijdens een landelijke verkiezingscampagne hem de financiering van een tunnel toezeggen, laat hij de gesprekken door een cameraman vastleggen. Zonder toelichting. Als vervolgens het nieuwe kabinet van partijgenoot Balkenende terugkrabbelt, stapt de burgemeester in de auto. En confronteert het Binnenhof met een video van Maastrichts fabrikaat.
Naar verluidt is de premier woedend. ‘Een eerste kras op onze relatie’, zegt Leers. Zijn persoonlijke netwerk raakt beschadigd, maar de tunnel komt er. ‘Had ik mij de afgelopen jaren vriendelijk gedragen, dan was ik binnen die partij op het schild gehesen. Misschien al drie keer. Dat is mijn gevoel.’
Leers kiest een andere machtsbasis. En daarin is hij misschien wel succesvoller dan welke andere poli-ticus van dit moment in Nederland ook. Het is met een enkel woord samengevat: imago. In 2005 bereikt deze strategie een hoogtepunt. Hij levert in een Volkskrant-interview vernietigende kritiek op Balkenen-de, waarmee hij zich tegelijk profileert als onafhankelijk politicus. Maar hiermee blaast hij ook zijn politie-ke netwerk op. De relatie met Den Haag komt dicht bij punt nul, terwijl zijn populariteit in den lande blijft stijgen.
Met de wijsheid van de terugblik zegt hij: ‘In Den Haag heeft een aantal mensen blauwe plekken opge-lopen – nou, die heb ik ook. Maar wij hebben elkaar wel nodig. Ik heb dat gemerkt toen ik Balkenende een paar maanden geleden ontmoette (voor het eerst sinds ongeveer twee jaar – rl) in Brunssum bij een verkiezingsbijeenkomst. Er was voor mij een plaats op de eerste rij gereserveerd, tussen alle hotemeto-ten van het partijkader. Toen Balkenende binnenkwam, ging hij iedereen langs en bij mij aangekomen, zei hij: dat vind ik nou leuk dat jij hier bent. En daar kwamen nog een paar warme woorden achteraan. En toen dacht ik: nou prima, die warmte krijg je van me terug.
Het doet me natuurlijk pijn als mijn relatie met iemand wordt verpest. Maar liever ruzie dan halve oplos-singen. Ik heb dat vaak meegemaakt in deze stad, waar ik geconfronteerd word met persoonlijke net-werken en allerlei onderlinge deals. Dan willen ze mij ook inpakken, om het zakelijke ondergeschikt te maken aan het persoonlijke. Dat verrek ik. En dan krijg ik confrontaties, waarbij met de vuist op tafel wordt geslagen en de glazen rinkelen. Maar ik zeg: ik doe het niet. Dat heb ik ook met Balkenende. Ik zou ontzettend graag willen dat we met elkaar on speaking terms komen. Maar als ik zie dat het op de inhoud verkeerd gaat, zal ik dat weer zeggen. Ik heb wel geleerd dat nu wat anders te doen, zodat ik hem niet en plein public schoffeer.’

Gerd Leers groeit op in het Zuid-Limburgse Brunssum. Het gezin staat onder de hoede van zijn grootva-der, een van de belangrijkste fabrikanten in de provincie. Zijn vader, in dienst van het bedrijf, sterft bij een ongeval op de werkvloer. Gerd Leers, dan veertien jaar, zit op kostschool. De tijd op deze school, van zijn twaalfde tot zijn achttiende, was bepalend: ‘Ik vond het afschuwelijk. Die discipline, die weinig liefdevolle opvoeding. Daar heb ik mijn weerstand opgebouwd tegen situaties waar andere mensen aan onderdoor gaan. Ik heb geleerd hoe je mensen moet plezieren, maar aan de andere kant moet je ook duidelijk maken: tot hier en niet verder. Daar ontwikkelde ik mijn stijfkoppigheid. Ik liet me niet aan de kant zetten. Het systeem vroeg er wel om, ja, maar ik hield vast aan de waarden die ik van met name mijn opa had meegekregen. Zoals eerlijkheid en rechtvaardigheid.’
Na kostschool gaat Leers naar de hbs en vervolgens naar de universiteit in Nijmegen, waar hij afstu-deert in planologie en ruimtelijke economie. Hij richt een eigen bedrijf op, dat echter moeizaam van de grond komt. ‘Ik was een flierefluiter. Ik heb een moeilijke start gehad, maar later heb ik aan mijn zelfver-trouwen gewerkt door de rol van levensgenieter los te laten. En te voldoen aan de eisen van de samen-leving. Ik heb mijn zorgeloosheid ingeleverd en heb mijn verantwoordelijkheid genomen. Dan moet je wel uitkijken dat je niet doorschiet in het zorgelijke type, dat zichzelf voortdurend wil bevestigen.’
Dat is toch precies wat u doet?
‘Maar ik kan het wel haarscherp analyseren.’
Leers komt in 1990 vanuit de lokale politiek in het Brabantse Goirle terecht in de Tweede Kamer. Hij zal er bijna twaalf jaar lid van blijven. Zonder echt zijn draai te vinden: ‘Ik heb er te lang gezeten. Zeg ik ach-teraf. Ik had mijn bestuurlijke kwaliteiten eerder moeten ontwikkelen. In Den Haag ben je van iedereen en van niemand.’
In 2002 komt de burgemeesterspost in Maastricht vacant. Leers eindigt op de tweede plaats, achter Karl Dittrich, kandidaat namens de PVDA. Deze raakt in opspraak en haakt af; Leers wordt burgemeester van Maastricht. Het voelt als het momentum in zijn leven. ‘Ik ben altijd tweede geweest. Ik heb een broer, Mike Leers (voorzitter van zorgverzekeraar CZ – rl) op wie ik geweldig trots ben. Mijn broer is al-tijd… mijn broer geweest natuurlijk, maar ook mijn voorbeeld en mijn concurrent. Dat werd in mijn familie aangewakkerd, vooral door mijn opa. Mijn broer was zijn oogappel. Ik moest minstens aan de norm van Mike appelleren, terwijl ik een eigen persoonlijkheid heb. Het gevoel om tweede te zijn, dat moeten be-wijzen, is altijd in mijn leven aan de orde geweest.’

Het dualisme in de lokale politiek voorziet in meer spreiding van de macht: van burgemeester naar wet-houders. Leers heeft het in Maastricht precies omgedraaid. Bij grote projecten neemt hij de leidende rol: ‘Ik heb me hier niet in het hok laten zetten. Als ik alleen openbare orde en de ceremonies had kunnen doen, was ik snel vertrokken.’
Meteen in het begin van zijn burgemeesterschap vestigt hij zijn naam met twee kwesties. Hij breekt de macht van Vinkenslag, een plaatselijke vrijstaat van woonwagenbewoners. En hij blokkeert een miljoe-nensubsidie aan voetbalclub MVV, die voor de zoveelste keer bij de gemeente aanklopt om van de on-dergang gered te worden. Het besluit leidt tot een belegering van het stadhuis door een legioen woe-dende supporters, terwijl Leers en de zijnen binnen zitten opgesloten.
Volgens mij vond u dat moment wel spannend.
‘Jawel, dat zeg ik in alle eerlijkheid. Dat vond ik zeer spannend. Er was geen moment van twijfel. Mijn leiderschap komt op onverwachte momenten het sterkst naar voren. Als ik morgen een lezing geef, is dat een koud kunstje. Maar als hier een ramp gebeurt, dan komt het er echt op aan. En dan voel ik me in mijn element. Dan sta ik er. Als het spannend is, ga ik heel gestructureerd denken, dan zie ik precies waar ik naartoe wil. Dat gebeurt intuïtief.
Een crisissituatie komt ook overeen met mijn gevoel van directheid. Op zo’n moment is er geen tijd voor bureaucratische handelingen en omfloerste verhalen. Een van mijn grootste negatieve eigenschappen is mijn ongeduld. Opschieten, zeg ik dan, geen flauwekul, morgen kan het toch klaar zijn. Je kunt trouwens ook zeggen dat het een gezegende eigenschap is, want daardoor gebeurt er tenminste iets. In een cri-sissituatie is ongeduld bijna altijd goed. Dat ongeduld zit me op andere momenten in de weg.’
Het maakt u onhandig in het sociale verkeer.
Lachend: ‘Ja precies, je zegt het heel netjes. Soms onderschat ik de impact van mijn woorden.’
Zijn stijl van leidinggeven: een sfeer van permanente crisis creëren. Ambtenaren opjagen, uitbranders en complimenten afwisselen. Hij eist daadkracht. En straalt dat uit, in zijn jachtige bewegingen, de spanning in zijn gezichtstrekken. Wat hij wil, moet gebeuren. Hoe dan ook. Neem de twee boten aan de kade in het stadscentrum, waar de verkoop van softdrugs wordt gedoogd: hij wil ze laten afzakken naar de zuidelijke grens van Maastricht. Om de overlast voor de burgers weg te nemen. De verplaatsing kan tot slepende procedures leiden. ‘Het is mogelijk dat ik van de rechter op mijn lazer krijg voor die tijdelijke verplaatsing, vanwege onbehoorlijk bestuur. Prima. Dan moet de rechter maar aan de mensen uitleggen waarom zij met de overlast opgescheept blijven zitten.’ Dit jaar moet het gebeurd zijn, zo heeft hij zich voorgenomen.

Hij heeft een aantal redenen, waaronder de softdrugs en Vinkenslag, om nog een tijd in Maastricht te blijven. Een soort kleine extra ambtstermijn nu de eerste periode bijna is afgelopen. Hij wil deze zaken goed afronden en dan vertrekt hij. Niet zonder reden. Hij raakt vermoeider, en met hem het ambtelijk apparaat. ‘Ik merk dat de spankracht van de organisatie op zijn hoogtepunt is. Men moet straks de tijd krijgen om op adem te komen. Elke periode heeft zijn eigen bestuurder nodig.’
Zijn intensiteit van besturen geldt op de eerste plaats hemzelf. Als hij op vakantie gaat, is hij elke dag bereikbaar, zowel telefonisch als via e-mail. ‘Ik heb mijn vader vaak gemist. Zeker als ik met iemand wil-de overleggen. Hoewel ik me afvraag of ik veel aan hem had gehad. Mijn vader had een hart van goud, maar hij was er nauwelijks voor het gezin. Hij zat met zichzelf in de knoop. Daarom heb ik altijd gepro-beerd dicht bij mijn kinderen te zijn, wat me niet is gelukt. Dat is mijn grote frustratie. Ik had me altijd voorgenomen: mijn kinderen overkomt niet wat mij is overkomen.’
Als burgemeester werkt u harder dan ooit.
‘Het is zelfs fnuikend voor een relatie. Ik ben bijna nooit meer thuis. Mijn vrouw heeft het daar niet ge-makkelijk mee. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar, ik doe geen dingen half.’
’s Avonds laat e-mailen met burgers heeft een stad niet nodig.
‘Als je mijn ambitie hebt, ga je zo ver. Achteraf gezien denk ik: verdomme, ik maak een heleboel fouten. Maar ik zal uitleggen hoe dat bij mij werkt. Als hier de minister-president komt, ben ik natuurlijk aanwe-zig. Maar als mevrouw Pietersen komt, moet ik dan zeggen: ik ben nu met mijn vrije tijd bezig? Dat wil ik niet. Daarom zit mijn agenda zo vol. Er is een harde kern van afspraken, waar ik niet omheen kan, maar de burger mag vervolgens niet de dupe worden omdat ik moet golfen.’
Leers zal nog twee tot maximaal drie jaar Maastricht besturen. En daarna? Hij antwoordt omzichtig. De kans is groot dat hij een tijd naar het bedrijfsleven gaat. Maar het openbaar bestuur staat bovenaan. Tel daarbij op zijn ambitie en zijn verlangen om met de maatschappij bezig te zijn en het is duidelijk: Den Haag prikkelt het meest zijn verbeelding. Hij erkent dat in het laatste gesprek. Tegelijk stoot het hem minstens zo sterk af: ‘Als ik voor eenvoudige mensen iets kan betekenen, houd ik daar het mooiste ge-voel aan over. De vraag is of je dat in Den Haag kunt. Je zit daar als minister driekwart van de tijd te vergaderen, met je bureaucraten en de hele reutemeteut. Je ziet geen sterveling van het gewone volk, uitgezonderd tijdens een tour van honderd dagen. Je wordt een technocraat. Dat verwijt ik niemand, maar het systeem vereist dat. Als ik terug zou gaan, weet ik niet of ik echt gelukkig zou worden. Ik ben een beetje een vrijbuiter, die zijn eigen lijnen moet kunnen uitzetten. En dan weet ik al hoe het gaat, met 86 bezwaren tegen een plan, hetzij van de coalitie, hetzij van de oppositie, hetzij van de ambtenaren. Dat maakt het wel lastig.’

Het beeld dat u van uzelf hebt neergezet, lijkt uw belangrijkste wapen.
‘Daar heb je gelijk in. Ik zoek een plaatje om het naar buiten te brengen. In de jaren van kostschool heb ik geleerd dat boodschappen een bepaalde vorm moeten krijgen. Dat kan ik de mensen goed aanrei-ken.’
U bent een merk.
‘Ja. En dat vind ik nou zo jammer, dat Balkenende en anderen te weinig gebruik hebben gemaakt van dat merk. Ik had toevallig gisteren een gesprek met een hoge ambtenaar die zei: “Het zou zo jammer zijn als jij voor het openbaar bestuur verloren gaat. Ik snap niet dat ze in Den Haag alles proberen uit te sluiten wat enige beweging brengt. Dat is zo dom.” Dat vind ik ook. Laat mij, met mijn vertrouwensbasis bij de burgers, zaken in gang brengen. Laat mij boodschappen overbrengen die ze vanuit Den Haag niet overgebracht krijgen in de samenleving.
Na MVV en Vinkenslag had ik op mijn lauweren kunnen gaan rusten. Zo van: dit merk Leers staat en daar doet niemand meer wat aan af. Maar ik heb het gebruikt om andere problemen aan te pakken. Ik heb gedacht: dat merk kunnen we proberen in te zetten om vertrouwen te krijgen bij de mensen. Dat doe ik dus. Dat hadden ze in Den Haag beter moeten begrijpen. Maar ze werden geïrriteerd. Ze hadden dat merk beter kunnen gebruiken. En dat kunnen ze nog doen.’
Dus toch Den Haag.
Meteen: ‘Nee… niet.’ Hij lacht alsof hij zich betrapt voelt. ‘Daar blijf je wel op hameren. Je kunt dat in-strument ook op een andere plaats verder tot ontwikkeling brengen. Het hoeft niet per se vanuit Den Haag. Plus het feit dat de methode-Leers in Den Haag nog maar opgewassen moet blijken tegen alles. Onze vriend Fortuyn had het geluk dat hij de verpersoonlijking was van de opluchting bij het volk: er mag weer wat gezegd worden. Ik had nog moeten zien of er veel van hem was overgebleven als hij daar in Den Haag als minister-president had gestaan. En dat moet je ook nog zien bij mij. Het moet nog maar blijken of ik ben opgewassen tegen de politieke grijswasmachine en de humeuren van het volk. Ook dit merk kan snel omslaan in Buckler.’
Zou u dat erg vinden, persoonlijk?
‘Ik kan wel wakker liggen van kritiek. Dat vreet dan aan me. Ik moet er een pantser tegen ontwikkelen. Maar dan raak je vervreemd van de mensen omdat de kritische opmerkingen niet meer tot je doordrin-gen. Ik sta open voor de mensen, en daar hoort ook bij dat je mijn pijnlijke plekken kunt raken.’
U bent een emotiedier.
‘Zonder emotie kun je geen goed bestuurder zijn, want dan raak je de harten van de mensen niet. Ik moet iemand kunnen aanraken, omhelzen of een hand geven. Anders wordt het afstandelijk.’
Het is goedkope psychologie, maar toch: u wilt een vader zijn.
‘Ja. Ik heb het vooral zo gemerkt in de periode rond Vinkenslag. Er was mij aangekondigd: er kan iets gebeuren rond je huis. Er waren kogelbrieven onderschept. Het klinkt heel zwaar, maar ik accepteerde dat mij iets kon overkomen. Ik wilde niet van wijken weten. Ik wil voor deze stad, waaraan ik me zo ge-committeerd heb, een burgemeester zijn die over een aantal jaren nog steeds tot de verbeelding spreekt. Het klinkt pathetisch, maar dit is mijn levensvervulling. Ik wil dat de Maastrichtenaren over twin-tig jaar nog zeggen: die man heeft ons een meter verder gebracht, wat zonder hem niet gelukt zou zijn. Dan interesseert mij een lang leven of veel materiële welvaart niet. Hier in Maastricht heb ik mijn thuis gevonden. Ik wil hier wonen en ik wil ook hier begraven worden.’